Note 15 — (1287–1290).
Nico van Suchtelen translation
Hier zoude misschien iemand, die waard ware al zijne tegenwerpingen te beantwoorden, bezwaar kunnen maken; en hij zoude er bezwaar tegen kunnen maken dat ik spreek over de Liefde alsof deze iets ware op zichzelf en niet slechts eene denkbeeldige zelfstandigheid, maar eene lichamelijke. Hetgeen, strikt naar waarheid, niet juist is, daar de Liefde niet gelijk eene zelfstandigheid op zichzelf bestaat, maar een toestand der zelfstandigheid is. En dat ik van den geest der Liefde spreek als ware hij lichaam, ja zelfs een menschelijk wezen, blijkt uit drie dingen welke ik van hem zeg. Ik zeg dat ik hem van verre zag komen; waaruit, aangezien “komen” eene ruimtelijke beweging aanduidt, en volgens den filosoof15 uitteraard alleen een lichaam ruimtelijk beweegbaar is; blijkt dat ik de Liefde als een lichaam voorstel. Voorts zeg ik van hem dat hij lachte en ook dat hij sprak; welke zaken menschelijke eigenschappen schijnen te zijn, vooral het lachen, en het blijkt dus dat ik hem voorstel als een mensch. Om dit te verklaren, gelijk het op het oogenblik van pas schijnt, moet men ten eerste weten, dat er eertijds geen minnezangers waren die in de volkstaal schreven; maar zij die van liefde spraken waren dichters in de Latijnsche taal. Bij òns, zeg ik—ofschoon het misschien wel bij andere volken het geval was en nog is, zooals in Griekenland—waren het dus geen volksdichters, maar geletterde dichters die deze stof behandelden. En het is nog niet vele jaren geleden dat voor het eerst volksdichters verschenen, want rijmen in de volkstaal beteekent zooveel als spreken in verzen volgens eene bepaalde maat in het Latijn. En het bewijs dat het eerst sinds korten tijd geschiedt, is, dat wanneer wij zoeken in de taal van “oc” en in de taal van “si”16, wij in deze talen geene gedichten vinden ouder dan honderd en vijftig jaren voor dezen17. En de reden waarom sommige onbeschaafde lieden vermaard werden als dichters is, dat zij ongeveer de eersten waren die in de taal van “si” schreven. En de eerste die begon te dichten als een volksdichter deed zulks omdat hij zijne woorden wilde doen verstaan door eene vrouwe, aan wie het moeilijk viel Latijnsche verzen te begrijpen. En dit is gericht tot diegenen die rijmen over andere zaken dan welke de Liefde betreffen; aangezien deze wijze van dichten aanvankelijk werd uitgevonden om van de Liefde te spreken18. Zoodat het, aangezien den dichters eene grootere vrijheid van spreken is veroorloofd dan den prozaschrijvers, en de bedoelde rijmers niets anders zijn dan dichters in de volkstaal, gepast en redelijk is dat ook aan hen eene grootere vrijheid van spreken worde toegestaan dan aan andere schrijvers in de volkstaal; zoodat, wanneer een of andere beeldspraak of rhetorische wending den dichters is toegestaan, zij ook den rijmers moet worden toegestaan. En dus, wanneer wij zien dat de dichters tot onbezielde dingen gesproken hebben alsof zij gevoel en verstand hadden, en hen ook met elkaar lieten spreken; en niet slechts werkelijke dingen, maar ook zelfs onwerkelijke (ik bedoel, dat zij gezegd hebben dat zelfs eigenschappen spraken alsof het lichamen en menschen waren) zoo past het dat de rijmer dit eveneens moge doen; niet zonder reden, maar met een reden, welke het mogelijk is in proza te verduidelijken. Dat de dichters gesproken hebben zooals ik hier zeide, blijkt aan Virgilius19, die zegt dat Juno, eene godin die den Trojaners vijandig was, sprak tot Aeolus, den god der winden, op deze plaats in het eerste boek der Aenëide: “Aeole, namque tibi”20 en dat deze god antwoordde: “Tuus, o regina, quid optes”21. Bij dezen zelfden dichter spreekt in het derde boek der Aenëide een onbezield ding tot een bezield op deze plaats: “Dardanidae duri”22. Bij Lucanus spreekt een bezield ding tot een onbezield op deze plaats: “Multum, Roma, tamen debes civilibus armis”23. Bij Horatius spreekt de mensch tot zijne eigene wetenschap als tot een ander persoon en dit zijn niet slechts woorden van Horatius zelf, maar hij ontleent ze aan den goeden Homerus op deze plaats zijner Boetria: “Dic mihi, Musa virum”24. Bij Ovidius spreekt de Liefde alsof zij een menschelijk wezen is in het begin van het boek hetwelk den naam draagt “Remedia Amoris”25 op deze plaats: “Bella mihi, video, bella parantur, ait”26. En hiermede zal dit duidelijk gemaakt zijn voor dengene die tegen eenig gedeelte van dit mijn boekske bezwaar mocht hebben. En opdat niet een of ander onbeschaafd man hieraan eenigen overmoed ontleene, zeg ik, dat evenmin als de dichters aldus zonder reden spreken, evenmin de rijmers aldus spreken moeten zonder eenige reden te hebben voor hetgeen zij zeggen: want ten zeerste behoort zich diegene te schamen die iets samenstelt in het kleed van een rhetorisch beeld of wending en die, hierom aangezocht, zijne woorden niet zou weten te ontdoen van zulk een kleed, opdat men hem waarlijk kon verstaan. En deze mijn grootste vriend en ik kennen genoeg van zulke dwazelijk rijmenden.