De Nederlanders.1
Reading edition
De Nederlanders.1
Het geheele middelste gedeelte van het hoofd-lichaam van het Europeesche schiereiland, bestaat met betrekking tot de grondsgesteldheid, uit twee deelen, uit eene met bergen doorsnedene Zuidelijke helft en uit eene ver uitgestrekte vlakte in het Noorden. Deze Noord-Europeesche vlakte begint met een breed Oostelijk uiteinde in Siberië en Rusland, gaat door Polen en Duitschland, terwijl zij hoe langer zoo smaller wordt, en eindelijk in het Noorden van Frankrijk en het Ardenner-woud ophoudt, waar zij zoo laag gelegen is, dat zij gedeeltelijk zelfs onder het niveau der zee ligt.—Verscheidene groote rivieren, de Rijn, de Maas, de Schelde stroomen naar deze lage streken toe. Duitschers en Franschen hebben haar daarom den naam “Nederlanden” gegeven, en deze naam is niet alleen in alle overige Europeesche talen vertaald opgenomen “Netherlands,” “Pays-Bas,” “Paeses-Baxos,” maar zelfs ook door de bewoners van het land, als de nationale naam (zij noemen zich zelven “Nederlanders”) aangenomen geworden.
Nauwelijks scheen de, den choas ordenende schepping, hier geheel ten einde gebracht te zijn geworden. De slijkerige grond en het water vermengden zich nog zoo, dat men, zooals de Romein Tacitus zeide, in de meeste gevallen nauwelijks durfde zeggen, of men vastland dan wel water voor zich had, of dat, volgens een geestigen Nederlander, den beroemden Hugo de Groot, “alle zaken die een land constitueeren, in de Nederlanden slechts aangeduid, slechts bij wijze van schets aanwezig schijnen te zijn.”
Alles, wat den menschen nuttig is en wat eene maatschappij, die rijk aan behoeften is, vordert, moest hier eerst met moeite aangeplant of uit de verte aangevoerd worden.
Ja! zelfs de havens voor de schepen, moesten de bewoners eerst kunstmatig aanleggen. Want merkwaardig genoeg bezitten de Nederlanders, die eene zoo groote rol in de handelswereld spelen zouden, nauwelijks een of twee door de natuur eenigzins goed gevormde havens.—Ook in dit opzicht, zijn zij van eersten af aan stiefmoederlijker bedeeld, dan de meeste andere landen van Europa, en bezit het land niet dan zandige, vlakke, bochtenlooze kusten, met ondiepe en gevaarlijke toegangen, zonder bescherming of beschutting voor de vaartuigen.
Er gebeuren echter geen wonderen in de geschiedenis. En wij ontdekken daarom ook in de Nederlanden menige gunst en gave der natuur, die een evenwicht vormen met die misdeelingen. De mensch ontwikkelt zich immers even weinig dáár, waar de natuur geheel ondankbaar en karig alles ontzeide, als dáár, waar zij welig alles van zelf opleverde; het best echter ontwikkelt zij zich daar, waar zij den hoogsten prijs voor de grootste werkzaamheid uitloofde. En dit vooral was in de Nederlanden het geval.
Van even groot gewicht echter is het, dat de uitwatering dezer rivieren juist plaats heeft op een punt welks geographische ligging, ten gevolge der gedaante van het geheele Europeesche vastland, van zeer groot belang is. Alle groote rivieren van het oostelijk Europa aan gene zijde van den Rijn en de Elbe, de Donau, de Weichsel, de Oder enz. verliezen zich in meer of minder geslotene of verborgene zeebekkens. De rivieren der Nederlanden zijn in westelijke richting de eerste, die den vrijen Oceaan bereiken, en wèl in de nabijheid van het groote zee-kanaal, dat de Noordelijke en Zuidelijke zeeën van ons vaste land verbindt. Hare mondingsgebieden (de Nederlanden) liggen juist op de grenzen van het Noorden en het Zuiden van ons werelddeel, in het midden der lange kusten van het Europeesche schiereiland. Het verkeer en de onderlinge ruiling van Noord en Zuid, ontmoetten elkander hier op het natuurlijkst. Het is deze zelfde gelukkige ligging, die aan de andere zijde van dit kanaal (de Noordzee) ook Engeland en vooral Londen groot gemaakt heeft.
Hieruit laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat bij zoo groote aansporing tot werkzaamheid, als de natuurlijke gesteldheid, naast al het boven aangegeven gemis, den bewoners gaf, zich hier een degelijk volk vormen moest. Merkwaardig genoeg hebben ook de omstandigheden en gebeurtenissen, hier een menschengeslacht aangevoerd, dat reeds van nature vele eigenschappen bezat, die wenschenswaardig waren, zoowèl ter benutting der natuurlijke voordeelen, als ter overwinning der natuurlijke hinderpalen dezer streken.—De ernstige, geduldige, volhardende, praktische, vrijheidlievende stam der Neder-Duitschers, die zich over de geheele Westelijke helft der Noord-Europeesche vlakte uitbreidde, heeft ook alras het in vele opzichten belangrijkste stuk dier vlakte, haar Westelijk uiteinde aan Schelde en Rijn, in bezit genomen en heeft eenige zijner krachtigste takken daarheen verplant.
Waarschijnlijk streden dus de Celten (de bewoners van Frankrijk) en de Germanen, reeds lang voor den tijd der Romeinen om de heerschappij over het land. En ook lang na hen, tot op den nieuweren tijd toe, is deze strijd voortgezet, zoodat men schier de geheele ethnographische geschiedenis der Nederlanden als een, nu en dan afgebroken, strijd tusschen Germanen en Celto-Romanen, om het bezit der zoo gewichtige mondingen van Schelde en Rijn beschouwen kan.—Het is een strijd, die wel vele wisselvalligheden heeft, maar waarbij toch meestal het beste, wat in die streken verricht werd, van Germaansche zijde uitging.
Op den terugtocht der Romeinen volgde in de Nederlanden, even als overal, een overwicht van het Duitsche ras. Uit dezelfde streken, waaruit aan de Nederlanden hunne eerste Germaansche bevolking toegestroomd was, van den Wezer en van den midden-Rijn, uit het land der Katten en Brukteren, kwam een nieuw Duitsch volk, de zoogenaamde Salische Franken, dat de Friezen, de Batavieren en de andere Duitsche stammen der Nederlanden van het juk der Romeinen bevrijdde en ze in eene Duitsche monarchie, de Frankische, vereenigde.—Deze “Franken” zelven waren, even als de oude Batavieren, oorspronkelijk een Nederduitsch volk-mengsel. Zij smolten gemakkelijk met de inboorlingen samen, en brachten de oude Germaansche wetten en zeden van dezen, die met hunne eigene overeenstemden, weder in zwang. Even als de Romeinen tegen Noord-Duitschland, zoo maakten nu de Franken bij hunne voorwaartsche bewegingen naar het Zuiden, tegen Gallië, de Nederlanden tot hunne operatie-basis.
Men kan de stichting der groote Frankische monarchie in Frankrijk, als van de Nederlanden uitgegaan, in zekeren zin als eene Nederlandsche verovering beschouwen. Merwig, de stichter van het Merowingische Koningsgeslacht, is een Nederlandsche naam, zooals ook de naam der zoogenaamde Salische Franken in de Nederlanden (aan den “Isala”) te huis behoort. “Heristall”—“Landen” zijn Nederlandsche plaatsen, waaraan Pepijn van Heristall en Pepijn van Landen, de stichters der Karolingische dynastie, hunne namen ontleend hebben, zooals dan ook de Koningen van dit geslacht, zelfs Karel de Groote, hunne residentiën en hunne huis- en familiegoederen in of nabij de Nederlanden bezaten.—In het Frankische tijdperk werd de grond tot den tegenwoordigen toestand en geest der Duitsche Nederlanden gelegd. Duitsche grondbevolking verspreidde zich langs de zijtakken der Schelde tot diep in het Gallische gebied en langs de kusten tot naar Calais toe. In dien tijd heeft zich de eenheid der Germaansche taal gevormd, die de inboorlingen nu met de woorden “Neder-Duitsch” bestempelen, en die men nu in twee, zeer weinig van elkander verschillende deelen, den Vlaamschen en den Hollandschen tak, splitsen kan, alsook de volkssoort uit eene versmelting der oude Batavieren met de Franken, Friezen en Neder-Saksers.
De germaniseering van het land onder de Franken, ging echter slechts zoo ver, als het eigenlijke vlak- of Nederland reikte. Zij stootte haar hoofd aan de wouden en bergen der Ardennen. In deze Ardennen, in hare rotskloven en in de diep ingesnedene rivierdalen der Sambre en Midden-Maas bleef een gedeelte der door de Romeinen geromaniseerde Celtische bevolking bestaan, het volk der zoogenaamde “Walen”, die wel meestal in de politieke lotgevallen hunner Duitsche naburen deelden en van hen menigen wijzigenden invloed erlangden, maar zich in hoofdzaak nog altijd als een Romano-Gallisch volk van bijzonderen aard en eigenaardige zeden vertoonen; zij hebben een gedrongen, middelmatigen lichaamsbouw, zwart hoofdhaar, zijn levendiger en bewegelijker, maar minder gestadig dan de Duitsche Nederlanders en bezitten eene taal, die slechts eene onderafdeeling van het dialect van Noord-Frankrijk is.
Even als de groepeering van de beide hoofd-massa’s der bevolking van de Nederlanden, zoo stammen ook uit dien Frankischen, en vooral uit den Karolingischen tijd, de nu nog bestaande vele onder-afdeelingen van het land, af. De Koningen der Franschen plaatsten aan het hoofd van verscheidene districten, Stadhouders en Graven, wier betrekkingen weldra in de door hen gegrondveste Vorstengeslachten erfelijk werden. Op deze wijze ontstonden de graafschappen Vlaanderen en Holland, de hertogdommen Brabant en Gelre, zoo ook het bisdom Luik, het aartsbisdom Utrecht en al die andere kleine, merkwaardige landjes, die nog heden als provinciën der Koningrijken Nederland en België bestaan.
Ten tijde van den bloei der Duitsche macht, onder de Saksische en Hohenstaufische Keizers, waren bijna al die Nederlandsche Vorsten vazallen van het Duitsche Rijk, maakten er op dezelfde wijze een deel van uit als Schwaben of Saksen, en werden onder den naam Neder-Lotharingen samengevat. Ook namen toen alle Nederlanders deel aan alles, wat het Duitsche volk aanging. Graven van Holland trokken onder de banier der Duitsche Keizers naar het Heilige land, en Hertogen van Brabant worden in de geschiedenis der Duitsche literatuur, onder de Duitsche minnezangers genoemd.
Gedurende de geheele middel-eeuwen, traden de Zuidelijke- of Belgische Nederlanden het meest op den voorgrond. Van de Noordelijke Nederlanders was toen weinig sprake. Vooral de aan de zeekust wonende, dappere, manhaftige Vlaanderen of Vlamingen stonden aan het hoofd. Aan hen is daarom ook de volksnaam voor alle Zuidelijke Nederlanden van Duitschen stam ontleend.—De Vlaamsche steden Gent, Brugge en andere, werden vroegtijdig door den handel rijk aan volk en goed. Bij hen begonnen handwerken en kunsten zulk een hoogen trap van bloei te bereiken, als buiten Italië, toen in geen ander land yan Europa aangetroffen werd. In hunne oorlogen met de Koningen van Frankrijk, brachten zij legers op de been die zoo talrijk waren, en leverden zij hun overwinnende veldslagen, die zoo bloedig waren, dat men met recht over zulke reusachtige krachtsinspanning verbaasd staat, en dat zelfs de in den slag der gouden sporen en andere ontmoetingen, door hen dikwijls geslagen Koning van Frankrijk, Filips de Schoone, eens uitriep: “dat het scheen alsof het in dat kleine Vlaanderen krijgslieden spuwde en regende.”
De Graven van Vlaanderen behoorden tot de aanzienlijkste en rijkste Vorsten van Europa. Zij, zooals alle Belgische Nederlanders, speelden eene groote rol in die merkwaardige expeditiën der Europeanen, die men kruistochten noemt. Godfried van Bouillon en de eerste Koningen van Jeruzalem waren Belgen van geboorte, en een Graaf van Vlaanderen zette zich in Constantinopel de Keizerskroon op het hoofd.
Toen met het verval zijner macht, het Duitsche Keizerrijk ook zijn invloed en zijne bezittingen aan gene zijde der Jura en der Vogesen langzamerhand verloor, verhief zich hier, onder den zoon van den Koning van Frankrijk, het huis der Hertogen van Bourgondië, dat zoo gelukkig was, deels door huwelijken en erfenissen, deels door veroveringen in den loop der 15de eeuw, alle Nederlandsche landschappen, tot aan de grenzen van Oost-Friesland, te verkrijgen en tot één grooten staat te vereenigen.—Het was sedert de tijden der Merowingers voor den eersten keer, dat alle Nederlanden onder één Vorst, de hoofdkern en het gewichtigste deel van een opkomend rijk vormden.—De Bourgondische Hertogen waren, tengevolge van hunnen Franschen oorspong, de Fransche taal en Fransche zeden zeer genegen, en hunne heerschappij heeft het meest er toe bijgedragen, om beiden in de Zuidelijke Nederlanden ingang te doen vinden, vooral bij den adel en de Vorsten van het land, ofschoon het volk zich nog dikwijls en lang daar tegen verzette, en zich het gebruik zijner Neder-Duitsche taal, in openbare verhandelingen liet verzekeren.
Toen was in de Zuidelijke Nederlanden, het eerst, gedurende den Bourgondischen tijd in Brugge, later gedurende den Spaanschen tijd in Antwerpen, de wereldhandel op dezelfde wijze geconcentreerd, als hij het nu in Londen is. Daar waren ook de fabriceerende Manchesters van het toenmalige Europa.—Er waren in België steden, als Yperen, die nu nauwelijks meer genoemd worden, waarin gedurende den Bourgondischen tijd 200.000 handwerkslieden en kunstenaars aangetroffen werden. Niet minder telde men in de stad Leuven. Gent alleen bezat 40,000 weefstoelen. De stad Damme, nu een dorp, was toen zoo sterk, dat Koning Karel VI van Frankrijk, die haar belegerde, daartoe te vergeefs een leger van 80,000 man aanwendde.—De burgers dezer Vlaamsche steden spreidden een zoo groote pracht ten toon, dat eene Koningin van Frankrijk, (Johanna, gemalin van Filips den Schoone), toen zij eens naar Brugge kwam, verwonderd uitriep, dat zij gedacht had hier de eenige Koningin te zijn, maar dat zij door de burgervrouwen der stad zich als door honderd Koninginnen omgeven vond; en toen later de Spaansche soldaten, dit land en zijne zich dicht bij elkander bevindende plaatsen, te zien kregen, meenden zij en berichtten zulks naar Spanje, dat geheel Nederland ééne enkele stad was.
Toen werden ook door de Vlaamsche Nederlanders, eenige der voornaamste en voor de Europeesche beschaving meest belangrijke uitvindingen gedaan of over de wereld verbreid. Laken- en tapijtweverijen vooral, bloeiden nergens zoo sterk als daar, en hebben zich van de Nederlanden naar Duitschland, Frankrijk en Engeland verbreid. De kunst, allerlei figuren in het lijnwaad te weven, heeft in Vlaanderen haren oorsprong gehad.
De, tot op den Spaanschen tijd, staatkundig vereenigde Nederlandsche volksstam werd tengevolge der Kerkhervorming, in eene Zuidelijke of Belgische, en eene Noordelijke of Hollandsche helft gesplitst.—Aanvankelijk schenen alle Nederlanders van Duitschen stam, uit oude sympathie, de van hunne Noord-Duitsche naburen en broeders uitgaande beweging te willen volgen. Ook in Vlaanderen en Brabant werden, evenals in Holland en Friesland ten tijde van Luther, de beelden op zij gezet en de godsdienst gezuiverd; maar de Koning van Spanje herstelde, met behulp der Walen en een deel van den geromaniseerden adel, zijne macht en die van den Paus in de Zuidelijke provinciën. Na dien tijd bleven deze ook onder de, den Spanjaarden opvolgende Oostenrijkers, de Romeinsche wereld toegedaan, en van hunne Neder-Duitsche broeders in het Noorden, die hunne kerkhervorming doorzetten en hunne vrijheid handhaafden, afkeerig.
Aanzienlijke gedeelten van het oude land van Vlaanderen, werden in de bloedige oorlogen, die Lodewijk XIV om hun bezit vernieuwde, zelfs geheel van de Nederlanden gescheiden, van het Germaansche lichaam losgemaakt en onder Fransche heerschappij bijna geheel verfranscht. Maar ook de rest der Zuidelijke, zoogenaamde Spaansche of Oostenrijksche Nederlanden, werd nu in hoogere mate dan in het Bourgondische tijdperk geschied was, in het net van Fransche taal en zeden getrokken, gedeeltelijk ten gevolge der vrijwillige bewondering, die de bloeiende literatuur en kunst hunner hierin uitmuntende naburen hun afdwong, gedeeltelijk tengevolge van het veelvuldige verkeer met de Fransche ambtenaren en legers, die het geheele land herhaalde malen veroverden en op Fransche leest schoeiden, zooals b.v. in den Oostenrijkschen successie-oorlog van 1744 tot 1748, en later weder eens ten tijde van Napoleon van 1794 tot 1814.
Het Nederlandsch-Vlaamsche Duitsch, waarin vroeger zooveel groots gewrocht werd, en dat het volk, zooals aangemerkt is, eens zelfs zoo lief was, dat zijne Koningen het leeren en spreken moesten, daalde tot eene illiterarische boerentaal af, waarin alleen nog de Brabantsche kantwerksters hare oude liederen zongen. Tot hare herleving is echter in den nieuwsten tijd eene kleine schaar, voor al wat Germaansch is in geestdrift ontstokene Vlaamsche patriotten, opgestaan, die nu weder met de Nederlanders het algemeen Nederlandsche volkslied zingen:
Wien Neerlandsch bloed door de adren vloeit, Van vreemde smetten vrij, Wiens hart voor land en Koning gloeit Verheff’ den zang als wij. Hij stell’, met ons vereend van zin, Met onbeklemde borst, Het Godgevallig feestlied in Voor Vaderland en Vorst.
Zoo kan men dus zeggen, dat de Nederlanders dikwijls, vooral echter tweemaal, de voorvechters der politieke onafhankelijkheid voor geheel Europa geweest zijn, eens in oude tijden onder de Vlamingen, wien de eer toekomt, reeds in de midden-eeuwen den grondslag tot de burgerlijke en stedelijke vrijheid in Noordelijk Europa gelegd te hebben; en een tweede maal onder de Hollanders, wier vrijheidsoorlogen tegen de Spanjaarden en later tegen Lodewijk XIV, zooveel overeenkomst hebben met de oorlogen der Vlamingen tegen de oude Koningen van Frankrijk.
De inrichtingen, die de Hollanders ter bewaring hunner herkregene vrijheid, in het leven riepen, gingen uit van een bewonderenswaardigen geest van orde en omzichtigheid. Niet alleen was hunne vloot, toen ter tijd, een der best georganiseerde, maar ook, wat men van een handels- en zeevolk niet verwachten zou, in de kunst landtroepen te werven, discipline onder hen te brengen en te bewaren, werden zij een voorbeeld voor andere volken.—Hunne verstandige opwekkingen, hunne punctueele uitbetaling der soldij, verschafte hun de beste officieren en soldaten. Zij verwierven zich den roem, ook in militaire zaken, het eerst eene goede orde gebracht te hebben.—De organisatie hunner zee- en landmacht was zoo voorbeeldig, dat Christiaan V van Denemarken, Gustaaf Adolf van Zweden en andere Koningen, vele grondstellingen over krijgs- en legerzaken van de Hollanders overnamen. Zelfs Peter de Groote, de groote despoot van het Noorden, begaf zich, opgetogen van bewondering over dit vrije volk, naar de Hollanders, om hun leerling te worden; hij riep ze vervolgens naar zijn land, om met hunne hulp zijne vloot en zijne nieuwe residentie te bouwen.
In andere zaken, vooral in hunne financieele- en handelsinrichtingen, hadden zij reeds lang vóór dien grooten Czaar, vreemde Koningen en staatslieden ten voorbeeld gediend. Reeds Hendrik IV van Frankrijk was een bewonderaar der Hollanders geweest, en zijn groote minister Sully had hen bij zijn weg-, kanaal- en havenbouw, en bij zijne andere inrichtingen en hervormingen in Frankrijk dikwijls, even als later Peter de Groote, te hulp geroepen.
Men heeft de Nederlanders, wat betreft hunne orde op hunne zaken, met het oog op hunne handels-grondbeginselen, hunne militaire- en maritieme inrichtingen, en in menig ander punt, dikwijls met de Karthagers vergeleken. Zoo heeft men onder anderen opgemerkt, dat de Hollanders naast de Karthagers, het eenige volk in de geschiedenis geweest zijn, waaronder rijkdommen hunne gewone uitwerking, om eens weelde, verkwisting en verval van zeden te bewerken, niet gehad hebben. Een geest van spaarzaamheid, onthouding en bedachtzaamheid, is den Hollanders steeds eigen gebleven, zelfs toen zij de heeren van een groot deel van Indië waren, even als die geest den Karthagers steeds eigen gebleven is, zelfs toen hun uit de bergwerken van Spanje, de edele metalen bij massa’s toevloeiden.
Met betrekking tot hetgeen zij op het gebied van kunsten en wetenschappen geleverd hebben, staan de Hollanders echter ver boven die oude Puniërs. Aan groote geleerden heeft het hun, sedert hunne zelfstandigheid, nooit ontbroken. Klassieke vorming was tot in den nieuwsten tijd bij de Hollanders bijzonder gezien. Als philologen hebben zij lang aan het hoofd gestaan der Europeesche geleerden.
In den aanhoudenden strijd met de elementen, waartoe hen de natuur van hun land, zijne vochtige dampen, die, als men niet aanhoudend poetst en schuurt, alles met roest en schimmel bedekken, zijne wateren, die, als men niet aanhoudend graaft en plaveit, alles in slik doen verzinken, waren de Nederlanders genoodzaakt met verstand, overleg, omzichtigheid en bedachtzaamheid te rade te gaan. Tucht, ordelievendheid, zindelijkheid, helderheid van oordeel, zijn op die wijze eene eigenaardigheid van hun karakter geworden. “Daarom haat deze berekenende en practische Nederlandsche mensch, al het vervloeiende en onbepaalde in gevoel en gedachten,” wat hij, even als de Engelschman, den Duitschers verwijt. Maar niet zelden vervalt hij daarbij tot kleingeestigheid en middelmatigheid, even als wij Duitschers tot dweeperij en verwardheid.
Hun nationaal-karakter bestaat uit werkzaamheid, rechtschapenheid en pedanterie. Wanneer men de koelheid van hun bloed, hun stijf, stil en langzaam wezen nagaat, verwondert men er zich over, hoe zulke flegmatische menschen zulke groote dingen tot stand hebben kunnen brengen. Maar de hun zoo eigene volharding, het hun natuurlijke, mannelijk volhouden in het moedig verdragen van ongevallen, en in de standvastige bestrijding van hinderpalen, is hun zoowel in hun privaat- als in hun publiek leven, het meest er bij behulpzaam geweest, dat zij—een volkje, dat nauwelijks ooit meer dan 2 millioen zielen telde—zoo hoog en vast gestaan, zoo diep ingewerkt en zoover om zich heen gewerkt hebben, als weinige der volkrijkste natiën. Als men, zooals de beroemde Sir William Temple mededeelt, in Holland eens menschen vinden kon, die 24 jaren aan eene volkomene herstelling eener aardglobe—of zelfs 30 jaren aan het mozaïkwerk van een tafelblad werkten,—of, zooals de kunstgeschiedenis leert, landschapschilders, die drie dagen bezig waren om een bezemsteel trouw weder te geven—of, natuuronderzoekers, die hun leven en hunne geleerdheid daartoe bezigden (en alleen daarom ook het graveeren in koper leerden), om eene enkele soort rups in al hare inrichtingen en haar geheele organismus te kunnen schilderen en portretteeren, dan begrijpt men gemakkelijk, dat zulke menschen iets solieds en van blijvende waarde moesten in het leven roepen.
Den grootsten dank echter is de wereld den Nederlanders daarvoor verschuldigd, dat zij in hunne geschiedenis het bewijs geven voor de waarheid, dat een volk, zelfs het kleinste, door eenstemmigheid in denkwijze onoverwinlijk wordt, en dat bovendien bij alle menschelijke werkzaamheden, standvastigheid en vlijt nooit hun doel missen. Het standpunt der uiterlijke macht der Hollanders staat nu niet meer zoo hoog als vroeger. “Zij gelijken een oud beroemd handelshuis, waarvan de draagbalken broos geworden zijn.” Toch echter zijn bij de tegenwoordige vermindering van hun staatkundig gewicht, hunne zeden, hun volks-karakter, hun welstand volstrekt niet tot zulk een verval geraakt, als b.v. bij de Portugeezen, met wie men het lot der Nederlanders in menig opzicht het best vergelijken kan, het geval geweest is. Veeleer hebben zij, evenals toen zij op het toppunt hunner macht waren, toen hunne ster begon te tanen, dezelfde bedachtzaamheid, dezelfde huishoudelijke geest en hunne oude, goede zeden onveranderd bewaard, en de groote rust, die gedurende de laatste politieke stormen in Europa bij hen geheerscht heeft, schijnt een teeken te zijn, dat zij minstens nu niet ongelukkiger zijn, dan in de tijden, toen hunne Trompen en de Ruiters triumfeerend en zegevierend, met den bezem in den mast, op de door hen schoongeveegde zeeën rondvoeren, of toen hunne Oldenbarnevelds en de Witten in den raad der Europeesche Souvereinen veel te zeggen hadden.