Duitschland en de Duitschers.
Reading edition
Spanje, Engeland, Frankrijk, Italië en ook Skandinavië zijn tusschen zeeën en bergen gevatte en scherp van elkander onderscheidene, leden van ons werelddeel, met zeer duidelijk afgeteekende physionomie. Het zijn stevig gebouwde, natuurlijk begrensde volken-gebouwen. Duitschland dat in het midden dier landen geplaatst is, doet zich als het hoofdstuk van den romp van Europa voor, waaraan genoemde leden zich vasthechten.
Terwijl Italië, Spanje, Engeland hunne lichamen in eene en dezelfde zee baden, is Duitschland als tusschen drie verschillende zee-bekkens uitgespannen.
In het Noord-Westen heeft het eenige lucht naar den Oceaan, in het Noord-Oosten omslingert het met een langen arm de Oost Zee, en in het Zuiden stapt het met eenen teen in de Middellandsche Zee.
Terwijl de rivieren van andere landen, b.v. van Frankrijk een compact geheel, een innig in elkander gevlochten systeem vormen, loopen de stroomende wateren van Duitschland, om zoo te zeggen, naar alle windstreken uit een. Behalve de Wezer is er bijna geen een andere, zuiver Duitsche rivier te noemen. De Rijn grijpt met zijne zijtakken, Maas en Moezel, en ook met zijne bronnen in Romaansche gebieden in. De Elbe en Oder reiken met hunne bovenste gedeelten tot in Slawische streken. De Weichsel is alleen bij hare monding Duitsch. En de Donau stroomt met de helft van haren loop ver buiten de Duitsche grenzen in Oostelijke richting, terwijl zij zich in het binnenbekken van den ver verwijderden Pontus verliest.

Duitschland
Laten zich de natuurlijke grenzen van Duitschland, met betrekking tot zeeën en water-afloop, moeielijk bepalen, zoo is het ook, wat de gesteldheid van den bodem en de oppervlakte betreft, ver verwijderd van den eenvoud, dien men bij andere landen waarneemt. Rusland vormt, over het algemeen genomen, eene onmetelijke, samenhangende, zeer gelijkvormige vlakte. Het Illyrisch-Grieksche schiereiland is in al zijne deelen een doolhof van bergen en rotsen; het Italiaansche, eene alleen door eene bergketen gespleten landtong; het Pyreneesche een, overal door dalen en bergruggen doorsneden, vierkant hoogplateau; Frankrijk een door bergen omgevene, golfvormige vlakte; Engeland bijna geheel eene liefelijke heuvelenrij midden in de zee; Skandinavië in hoofdzaak een kolossaal granietblok.
Voor Duitschland is geen zoo eenvoudig, alles omvattend, de natuur van het land zoo duidelijk uitdrukkend beeld te vinden. In het Noorden helt het langzamerhand af, tot het eindelijk eene breede, effene vlakte vormt. In het Zuiden verheft het zich tot hooge bergmassa’s. In het midden is het verbrokkeld in verscheidene met elkander verbondene hooggelegen streken, bergketels en berg-plateaux, die, even als die Noordelijke vlakte en die Zuidelijke bergen, zich niet tot Duitschland alleen bepalen, maar zich rechts en links in de naburige landen voortzetten, door de Karpathen naar de Slawen, door de Argonnen en Ardennen naar de Galliërs.
Ook met betrekking tot klimaat, lucht en temperatuur, laat zich in Duitschland moeielijker eene eenheid bepalen, dan bij menig ander land van Europa. Terwijl b.v. Rusland van den Pontus tot aan de Witte Zee, een Noordsch klimaat, dat overal hetzelfde karakter heeft, bezit; terwijl Italië van Sicilië tot aan den Zuidelijken voet der Alpen Zuidelijk, half tropisch is; terwijl Frankrijk zich schier overal als een wijnland met eene gematigde temperatuur voordoet; terwijl Groot-Brittanje zich van het eene eind tot het andere in de, uit den Oceaan opstijgende dampen, doopt, neemt Duitschland in meerdere of mindere mate aan al deze toestanden deel.
In zijne Noordelijke Oostzee-provinciën, heeft het de lange winters en de producten van Sarmatië. In zijne Noord-Westelijke laaglanden, druppelt het even als in Engeland van nevel en regen. In het Zuid-Westen is het even als Frankrijk, een zacht wijn- en ooftland, en in vele zijner Alpendalen dringen zelfs Italiaansche luchten, jaargetijden en vruchten binnen.
Met het oog op al deze geographische en de daaruit ontstane politieke toestanden, hebben de Franschen Duitschland te recht “l’indécise Allemagne” (het onbepaalde, vage, onduidelijk begrensde Duitschland) genoemd, en het heeft lang genoeg geduurd voor de Duitschers dit verwijt konden afwijzen. Zij zijn later dan schier alle andere Europeesche volken, wien de natuur een vaster huis gebouwd had, tot politieke en nationale eenheid gekomen.
Dat dit groote centrale hoofdstuk van den romp van Europa eens, nog voor de Duitschers het bezetten, door andere rassen bewoond werd, is vrij zeker; want daar de geheele bevolking van Europa uit het Oosten kwam, zoo lijdt het geen twijfel, dat de voorouders van alle bewoners van het Westen: van Engeland, Spanje, Frankrijk enz.—ten minste grootendeels—door de bosschen en bergen van Duitschland getrokken zijn.
De steen-monumenten in het Noorden van Duitschland, worden door verscheidene onderzoekers, aan een vroeger hier woonachtigen, geheel vreemdsoortigen, vermoedelijk Finschen stam toegeschreven, en in het Zuiden van Duitschland schijnen nog kort voor de tijden der Romeinen Celtische volken gewoond te hebben. Ook hadden de Celten aan de linker zijde van de Rijn-linie, toen eene nog grootere uitbreiding naar het Oosten, dan nu.
De Germaansche stammen, wier komst in Europa, die der, eene andere geaardheid hebbende, oorspronkelijke bewoners, en ook vooral die der Celten opvolgde, terwijl zij deze langzamerhand naar het Westen drongen, kwamen even als zij, uit Midden-Azië, waar zij bij de Zend-volken, de voorouders der Perzen en der zoogenaamde “Ariërs,” hunne oudste stamvaders gehad hebben. Verscheidene geleerden en reizigers hebben nog heden ten dage, verscheidene kenteekenen van het Germanendom: blond haar, blauwe oogen, blanke tint, nu bij dezen, dan bij genen hedendaagschen Aziatischen volksstam meenen te ontdekken, zooals bij de Osseten, in de bergkloven van den hoogen Kaukasus en aan de bronnen van den Tezek, bij de bergbewoners in de Krim en bij andere volken.
Het schijnt, dat de Germanen van Perzië, van den Kaukasus en van den Pontus, het eerst naar de vlakten van Oost-Europa, westwaarts gestroomd zijn, en, de Karpathen en gebergten van Midden-Europa omtrekkende, zich oorspronkelijk over het vlakke Noorden van Duitschland verbreid hebben. Want hunne traditiën wijzen naar de oevers der Oost-Zee, als het door hen aanvankelijk bezette deel van hun nieuw Europeesch vaderland, als naar het oudste Duitschland, van waar uit zij zich het Zuidelijke en Westelijke deel, dat nog langen tijd na hunne eerste komst in Europa, door anderen bezet bleef, veroverden. Even als de overleveringen van het volk, zoo schijnt ook de hooge ouderdom der Duitsche taal in de noordelijke lage streken, datzelfde te bewijzen. De Noord-Duitsche dialecten hebben in hunne woorden en de vorming hunner klanken, meest de oudste vormen, die zich nauwer aansluiten aan die der Perzen en andere oorspronkelijke Indo-Germanen, dan die der Zuid- en West-Duitschers, die meer het kenmerk van nieuw ontstane talen dragen.
Toen de Romeinen Duitschland leerden kennen, en het licht der geschiedenis het eerst op dat land viel, was intusschen ook de Germaniseering van het geheele nieuwe of Zuidelijke en Westelijke Duitschland, hare voltooiing nabij. Den Rijn hadden de Duitschers in zijne middelste en benedenste gedeelten reeds bijna geheel in hun bezit. Alleen ten Zuiden van den Donau, in Zwitserland, in de Alpen en ook in den bergketel van Bohemen, woonden toen nog niet-Duitsche (Celtische) stammen.
De Romeinen, die het geheele Celtenland met hun rijk vereenigden, hielden den voortgang der Duitschers naar het Westen en Zuiden tegen. Zij bezetten de heele linker zijde van den Rijn, van af de bron tot aan de monding, en even zoo ook de geheele Zuidzijde van den Donau; bouwden langs deze beide stroomlijnen vestingen en steden, en maakten zoowel de daar nog wonende Celten, als de ook reeds tot daar doorgedrongene Duitschers, die zij met elkander tot Romeinen vermengden, aan zich onderdanig. Het groote Duitschland, dat zij niet veroveren konden, was het middelste en noordelijke deel van het land, en in de Neder-Duitsche vlakten leden de Romeinen de nederlagen, die het hoofdlichaam van het Duitsche volk van eene romaniseering redden.
Gedurende twee of driehonderd jaren na de veldslagen in het Teutoburgerwoud, bleven de grenzen van het Romeinsche rijk tegen Duitschland, aan den Rijn en den Donau ongeveer dezelfde. Toen, na de 3de en 4de eeuw Rome’s macht verminderde, braken de Duitschers in herhaalde aanvallen deze grensliniën en de tegen hen opgerichte wallen door, en zetten hunne, door de Romeinen slechts een tijd lang tegengehoudene veroveringen naar het Zuiden en het Westen voort.
De Franken drongen over den Rijn, de Allemannen en Bojoariërs (Schwaben en Beieren) over den Donau en breidden de grenzen van het oude Duitschland uit. Zij trokken de door de Romeinen gebouwde Rijn- en Donausteden: Keulen, Trier, Mainz, Augsburg, Regensburg en andere, binnen; verjoegen het meeste wat zich daar aan Romeinen of geromaniseerden bevond, maakten een einde aan Romeinsche taal en gewoonten, en vulden het geheele Rijn en boven-Donau-land, tot diep in de Alpendalen toe, met van nu af aan niet meer uitgewischte Duitsche volks-elementen.
Van de Romeinen bleef hier niets meer over, dan de nu nog bestaande namen van verscheidene plaatsen, en misschien ook iets van de stedelijke inrichtingen, die op de Duitsche burgers overgingen. Van de Celten, die nu Duitsche taal en Duitsche zeden aangenomen hadden, bleef veel in de gewoonten en het ras des volks bestaan. In vele, nu Duitsch sprekende Alpenbewoners van Zwitserland en Tyrol, kunnen wij nog heden ten dage de gegermaniseerde Celten herkennen.
De Duitschers werden, toen het machtige gebouw van het Romeinsche rijk, als een uitgebrande krater in elkander zonk, door eene wonderbare zucht tot werkzaamheid en verplaatsing aangegrepen. Zij stormden over het geheele vasteland heen, en losten de Romeinen in de wereldheerschappij af.—Of het bij de oplossing van het vergane, groote rijkslichaam, aan de Westelijke Europeesche volken zou gelukt zijn, door eigene kracht en door hervormingen en omwentelingen in eigen boezem, en met behulp van het christendom, uit de algemeene zwakte en het algemeene zedenbederf zich weder op te richten, en onder zich zelf te voorschijn geroepene, duurzame en bloeiende rijken te stichten, blijft eene vraag, die niet te beantwoorden is. De geschiedenis leert echter, dat hun inderdaad eene dergelijke wedergeboorte, slechts met behulp der Duitschers werkelijk gelukt is.—Deze kernachtige, jeugdig frissche barbaren hebben, schier in iedere provincie van het Romeinsche rijk, een onafhankelijken staat gesticht, en daaruit een zelfstandig volk gemaakt. Van hunne stichtingen dagteekent de oorsprong van bijna alle moderne natiën en rijken van ons werelddeel, die ten getuige daarvan nog ten huidigen dage grootendeels Duitsche namen dragen, zooals de Engelschen, de Franschen, de Russen, zoo ook de Lombarden, de Andalusiërs en andere.
Buiten de Romeinen is er geen volk in Europa te noemen, dat zoo veel gewerkt en uitgevoerd heeft als het Duitsche. Alle politieke scheppingen en werken der Iberische, Celtische, Finsche en Slawische rassen, zijn in vergelijking daarmede onbeduidend en gebrekkig geweest. “Uit het romanisme en het germanisme, verklaren zich in hoofdzaak de Europeesche toestanden en verhoudingen.” Wie den geest en de geschiedenis der Romeinen en der Duitschers kent, die heeft de beide uiteinden der as, waarom zich de geheele nieuwere volkengeschiedenis van Europa gedraaid heeft, in zijne hand.
Wat in den zonderlingen tijd, dien men de volksverhuizing noemt, Duitschland aan het buitenland gegeven heeft, welke Duitsche volken daarhenen togen, welke nieuwe rijken en natiën zij daar hielpen stichten, heeft men reeds getracht bij de betreffende landen en volken op te geven en aan te toonen. Hier zullen wij ons dus bepalen tot den voortgang der nationale ontwikkeling, binnen de grenzen van het moederland zelf.
Voor dit moederland was het eerste gevolg dier beweging en verhuizing, eene aanzienlijke verandering zijner grenzen, en een invloedrijk binnentrekken van vreemde stammen en vermenging met deze. Een nieuw Duitschland, zooals ik zeide, werd daarbij gewonnen. De gezamenlijke Rijn- en Donaulanden, die te voren maar half Duitsch, grootendeels Celtisch en Romaansch geweest waren, de Nederlanden, Lotharingen, de Elsaz, de Alpenlanden, Zwitserland, Vindeliciä, Rhaetie en Noricum, werden daarbij bijna geheel Duitsch gemaakt. Gelijktijdig echter ging daarbij een groot stuk van het oude Duitschland, de Noordelijke en Oostelijke gedeelten, voor langeren of korteren tijd verloren.
Het eerst kwamen, door de volksbewegingen in Europa gelokt, de Mongoolsche Hunnen uit het binnenland van Azië. Zij maakten onder hunnen machtigen Attila bijna geheel Oost-Duitschland, maar slechts voor korten tijd, van zich afhankelijk; zeer kort na de overwinning op Attila in de Catalaunische velden, door de West-Gothen, Bourgondiërs, Franken en Saksers onder Aetius behaald, maakte zich geheel Duitschland weder vrij, en ofschoon de opvolgers en stamverwanten der Hunnen, de Avaren, en vervolgens de Magyaren ook in latere eeuwen van uit dezelfde Zuid-Russische en Hongaarsche steppen-landen, nog herhaaldelijk in Duitschland verschenen, en gedeelten er van verwoest of bezet hebben, zoo is toch de invloed van al die Mongoolsche en Finsche indringers, op de Duitsche nationaliteit over het geheel slechts gering te achten.—Menige Mongoolsche en Finsche uitdrukking echter is aan de Duitsche taal blijven kleven, en ook is het bekend, dat de Duitschers aan de aanvallen dezer ruitervolken, en de pogingen die zij deden om ze te wederstaan, de meer algemeene verbreiding van den burchten- en stedenbouw te danken hebben.
Van meer invloed voor de Duitschers was de verschijning van een ander ras, en hunne, tengevolge der groote Germaansche volksverhuizing, plaats vindende uitbreiding, de inval der Slawen, die een groot gedeelte van het oude, door zijne vroegere bewoners verlatene Germanië, niet tijdelijk, zooals de Hunnen, bemachtigden, maar duurzaam als grondbevolking bezetten en met hunne stammen en geslachten vulden.
De Slawische Tschechen trokken de groote Boheemsche en Moravische bergketels binnen, waaruit de Duitsche Markomannen en hunne opvolgers, de Bojoariërs of Beieren vertrokken waren, en verbreidden zich van hier uit naar het Frankenland en in het Mainland. In het Zuiden van Boheme drongen, nadat de Longobarden Pannonië (Westelijk-Hongarije) verlaten hadden, de Slawische Wenden of Slovenzen in de Alpen-streken door, en bevolkten vele dalen van Karinthië, Krain, Stiermarken tot aan Tyrol toe, zoomede het Donau-dal zelfs tot aan de grenzen van Salzburg en Beieren. In het Noorden van Boheme echter grepen aan de Weichsel, Oder en Elbe, en langs den geheelen Zuidelijken rand der Oost-Zee, vele andere Slawische volken om zich heen, en bezetten de oude woonplaatsen der Duitsche Gothen, Bourgondiërs, Vandalen en Longobarden. De Slawische Wagriërs en Obotrieten rukten in het over de Elbe gelegen land der Saksers in Holstein; en de Polaben en Sorben drongen zelfs over de Elbe voorwaarts, tot in de Lünenburgerheide en tot het hart van Thüringen.
Gedurende de drie eeuwen vóór Karel den Groote, was de geheele Oostelijke helft van het land, dat wij nu Duitschland noemen, bijna zonder Duitschers, bijna geheel door Slawen bewoond. De Duitschers moesten later, bij hun terugkeeren uit het Westen, zich hun oud vaderland terug veroveren. Bij de hardnekkigheid en de talrijkheid in bevolking der Slawen, is dit een zeer langdurig proces geweest, waaruit een nieuw of vernieuwd groot Oost-Duitschland, met gedeeltelijk Slawische fundamenten ontstaan is. Alle Duitsche stammen hebben deelgenomen aan dezen nationalen strijd, die als eene gedeeltelijke wedergeboorte van Duitschland, of als eene herstelling zijner oude grenzen beschouwd worden kan. Sedert den tijd van Karel den Groote, hebben zij langs de geheele lange lijn, van de Adriatische Zee tot aan de Oost-Zee, tegen de Slawen gestreden, en hebben zich daarbij zoowel in vredes- als in oorlogswerken hunne meesters betoond. Naast de ineenstorting van het Romeinsche rijk, en de vernieuwde herleving zijner deelen, is deze vervorming, beschaving en verduitsching van het Slawendom, als eene der grootste nationale zaken der Duitschers te beschouwen.
Behalve de Oostelijke Slawische gebieden, ging bij de volksverhuizing en de daaruit volgende uitbreiding van Duitschland naar het Westen, nog een ander land voor de Duitschers verloren, namelijk het Cimbrische schiereiland of Jutland, waaruit de Duitsche Anglen en Saksers naar Engeland trokken, en dat daarna door de Skandinavische Denen tot aan den Eider bezet werd. Ook om de herwinning van dit gebied hebben de Duitschers lang gestreden, somwijlen ook reeds in oude tijden overwinningen behaald, tot het hun eindelijk in den jongsten tijd gelukt is, ook hier hunne oude grenzen te herwinnen, en het verlorene ten minste grootendeels terug te krijgen.
Er worden ons in oude tijden vele Duitsche volkstammen genoemd, wier namen nu verdwenen zijn. De Romeinen spreken over de “Brukteren,” de “Angrivariërs,” de “Cheruskers,” de “Chauken,” de “Markomannen” en anderen. Gedurende de volksverhuizing zien wij de “West”- en “Oost-Gothen,” de “Longobarden,” de “Bourgondiërs,” de “Vandalen,” de “Gepiden,” de “Herulers” en nog vele andere uit de wouden van Duitschland te voorschijn treden. Van verscheidene dezer namen weten wij niet, welke takken van den tegenwoordigen Duitschen eik tot hen behooren. Gedeeltelijk kunnen wij niet eens uitmaken, of door die namen werkelijk verschillende bloed- en taalverwante volks-afdeelingen, dan wel slechts onder een veldheer vereenigde wapengenooten aangeduid worden, die uit de verschillende brokstukken van geheel verschillende oorspronkelijke stammen bestonden en zich daarom onder dezelfde benaming aaneensloten, omdat zij tot eene zelfde onderneming uittrokken, zooals nog heden de volks-benamingen “Hannoveranen,” “Baden,” “Wurtembergers,” “Pruissen,” geene Duitsche stamverscheidenheid, maar slechts verschil in regeeringen of Koningen aanduiden. Verscheidene dier namen mogen echter werkelijk bijzondere volkstammen met eigenaardig dialect, gewoonten en bloed aangeduid hebben, en in hen mogen dan ook in der daad eenige gedeelten van het groote kapitaal van taal, karakter en ras der Duitschers afkomstig zijn. De meesten van hen echter zijn naar het wezen, nog wel nu in het Duitsche nationaal-lichaam voorhanden, alleen zijn hunne namen zoo veranderd, en hebben zij zelven door vermenging met anderen zooveel verandering ondergaan, dat wij ze niet duidelijk meer kunnen onderscheiden.
Ten tijde van Karel den Groote, die alle Duitschers onder één bestuur bracht, zien wij de voornaamste Duitsche stammen reeds onder de benamingen welke zij heden dragen, in hunne woonplaatsen zoo verdeeld, als zij ze nu nog in bezit hebben.
Vervolgens echter hebben zich, sedert den tijd van Karel den Groote, in den loop dier eeuwen-durende herwinning van het, door de Slawen en andere vreemde indringers bezette, Oostelijk-Germanië, uit deze oorspronkelijke stammen weder vele andere spruiten der natie ontwikkeld, die met nieuwe namen en nieuw gevormde taal- en karakter-eigenaardigheden, in de plaats dier in de volksverhuizing verdwenenen getreden zijn. Van een “Duitsch-Oostenrijker,” een “Tyroler,” een “Sileziër,” een “Boven-Sakser” of “Meiszner,” een “Brandenburger,” een “Mecklenburger” of een “Lijflander,” wisten noch de Romeinen, noch ook Karel de Groote iets af. Het zijn nieuw ontstane variëteiten van het Duitsche ras.
Wij zullen trachten, deze hoofd-variëteiten van het Duitsche nationaal-wezen, of de verschillende Duitsche volksstammen, vluchtig de revue te laten passeeren, en ze met weinig woorden te schilderen; zoo mede voor zoo veel ons bestek dat toelaat, op eenige hunner hoofdverdiensten voor het geheele volk en land te wijzen.
Om verscheidene redenen, die ik hier niet in het breede ontwikkelen kan, schijnt het mij het beste toe ze allen onder drie groepen, eene Zuidelijke, eene midden en eene Noordelijke groep, te rangschikken, en ze daarbij in die volgorde op te voeren, dat ik met het Zuiden en Westen begin, en zoo van den Rijn uit, naar het Oosten en Noorden ga.
Met den naam “Allemannen” en “Beieren,” bestempelt men de beide hoofd-onderafdeelingen der Zuidelijke groep van Duitschers.—Genen bewonen het Westen, dezen het Oosten van het Zuiden.
De Noord-Zuidelijk gerichte Vogesen en de Jura, vormen met de Oost-Westelijk gerichte Alpen een hoek. In dezen hoek werden de Allemannische stammen saamgedrongen, en zij hebben zich daar in de rondte uitgebreid over het geheele bovenste derde gedeelte van het Rijngebied, in de vlakten en dalen van Zwitserland tot in de Jura en de Vogesen, zoomede naar de bronnen van den Donau. In het Oosten, tegen de Beieren, werd de Lech en zijn breed dal, hunne natuurlijke grens, en in het Noorden tegen de Midden-Duitschers, eene lijn, die door het Noordelijk uiteinde van het Schwarzwald en de Vogesen loopt.
Met de Allemannen van den beginne af verwant en tot gemeenschappelijke ondernemingen verbonden, onder dezelfde legeraanvoerders en Hertogen vereenigd, waren de “Sueven” of “Schwaben” een even beroemde Duitsche volksstam. Beide namen, Allemannen en Schwaben, versmolten daardoor in elkander, even als in zekere mate de volken zelven, zoodat Allemannen en Schwaben af en toe hetzelfde beteekent. Daar echter nog altijd tusschen de beide verwante stammen, zoowel met betrekking tot hunne gewoonten, als tot hun eigenlijk woongebied, een niet gering verschil bleef bestaan, zoo scheidden zich ook weder de namen, zoodat ieder van hen eene bijzondere onderafdeeling der geheele groep aanduidt, de Allemannische in engeren zin, het meer Westelijk gedeelte aan den Rijn, en de Schwabische, de meer Oostelijke aan den Boven-Donau.
Van de Allemannen, de voorvechters der Duitschers tegen Gallië, hebben de Franschen den naam “Allemands” voor het geheele volk ontleend. Zelfs nadat zij door verovering bij het groote Frankenrijk, en later in het bijzonder bij de Oostelijke helft er van, die men langzamerhand Duitschland noemde, ingelijfd werden, waren de Allemannen en Schwaben tot een afzonderlijk groot Allemannisch-Schwabisch Hertogdom vereenigd, en speelden zij, als de ontwikkeldste en rijkste volksstam der Duitsche natie, een tijd lang een zeer groote rol in het Duitsche rijk, wiens “banierdragers” zij sedert zeer vroegen tijd genoemd werden.
Zij hebben den Duitschers het zoo gevierde Keizershuis der Hohenstaufen gegeven. Uit hunnen schoot kwamen ook de Habsburgers, en ten slotte ook de Hohenzollern voort. Door hen werden eenige der beroemdste Duitsche steden, de muzenzetel Augsburg, de handelsteden Ulm, Straatsburg, Bazel en andere, zooal niet gesticht, dan toch bevolkt en tot bloei en gewicht gebracht.
De Duitsche minnezangers noemde men de Schwabische of Allemannische dichters, omdat de meesten van hen uit dat Zuid-Westen, tusschen de Vogesen en de Alpen, geboortig waren. Zij maakten hun dialect, voor een niet korten tijd, tot het heerschende in Duitschland. Zelfs de knapsten onder de Neder-Duitschers, leerden in de 13de eeuw het Schwabische dialect en dichtten daarin, evenals in dien zelfden tijd vele Noord-Franschen in het Provençaalsche dialect.
Ook in nieuweren tijd heeft de poëtische ader van dezen volksstam zich weder op uitstekende wijze doen kennen. Want zij gaven aan de Duitschers hunnen Schiller, Wieland, Schwab, Uhland en nog eene geheele reeks uitstekende moderne dichters. Bij hen rijpten ook de uitstekendste koppen en de grootste denkers van Duitschland, zooals een Keppler, een Hegel en Schelling. Onder hunne talrijke kunstenaars zijn Hans Holbein, Martin Schongauer en Adam Krafft wereldberoemd geworden. De heerlijke dommen van Ulm, Freibürg en Straatsburg, zijn de in geheel Duitschland populairste werken der Schwabische kunst, en bijna even beroemd in het geheele rijk zijn de schoone Schwabische vrouwen, Agnes Bernauer en Philippine Welser. De schoonste Schwabenstreek volbrachten de Schwabische vrouwen van Weinsberg.
Kort na den tijd der Hohenstaufen, nam de politieke grootheid der Schwaben, als het voornaamste volk der Duitschers, zoo mede ook de eenheid van het groote, geheel Zuid-Westelijk Duitschland omvattende Schwabische Hertogdom, een einde.
Even als geheel Duitschland, zoo begonnen ook vooral Allemannië en Schwaben, zich in eene menigte kleine staten te versnipperen. Maar ook in deze versnippering bewezen zij nog groote diensten aan Duitschland, door de stichting van het, van hen uitgaande, invloedrijke, zoogenaamde “Schwabische steden-verbond,” waartoe ook vele niet-Schwabische steden toetraden, en dat den Keizer Maximiliaan hielp, den landsvrede in het geheele rijk tot stand te brengen, en een einde te maken aan den roofridder-tijd en aan het vuistrecht.
Tot een krachtig politiek geheel, dat den geheelen stam omvatte, kwamen de Allemannen en Schwaben echter niet weder. Hunne Zwitsersche stamgenooten scheidden zich in de 13de en 14de eeuw geheel van hen af, en werden een afzonderlijk volk, dat dikwijls vijandig tegen zijne broeders in Duitschland over stond. Uit de Schwaben aan den Donau en den boven-Neckar ontstond langzamerhand de Wurtembergsche staat, en de Allemannen tusschen het Schwarzwald en den Rijn, werden langzamerhand in het bloeiende Hertogdom Baden samengevat. De Westelijke Allemannen in den Elsasz daarentegen, werden in lateren tijd bijna geheel van hun volk vervreemd. Zij vervielen aan Frankrijk, dat aan hen vele hunner voornaamste mannen, bij voorbeeld hunne veldheeren Kleber, Rapp en Westermann te danken had. Aan de Duitschers hebben zij in denzelfden tijd de dichters Pfeffel, Nicolaï gegeven, alsmede verscheidene dichters, wier vaderlandslievende liederen bewijzen, dat daar nog altijd vele harten warm sloegen voor het oude Duitsche moederland. In de jongste, voor Duitschland zoo roemrijke tijden, is de verlorene dochter weder tot hare moeder, die zoo lang om haar getreurd heeft, teruggebracht, en de geheele Allemanno-Schwabische stam staat nu weder in de schaduw van het Duitsche rijk.
Het “lustige Schwaben,” zooals velen het noemen,—anderen zeggen, misschien met meer recht, het “tobberige Schwaben”—eindigt, zooals gezegd is, in het Oosten bij den Lech, waar ook het wijnland ophoudt. En hier beginnen de woonplaatsen van het tweede Zuid-Duitsche hoofdvolk, de van de Allemannen en Schwaben zeer verschillende Beieren. Zij leiden hunnen naam en oorsprong af van de “Bojen” (vandaar Bojariër, Baïern, Beieren), een ouden, òf Celtischen òf Germaanschen stam, die zich met verscheidene andere stammen verbond, en na de verdrijving der Romeinen zich aan het benedenste gedeelte van den boven-Donau, aan den Isar en op het plateau tusschen de Alpen en het Bohemer-woud, woonplaatsen wist te verwerven, en daar langzamerhand tot eene gelijkvormige massa saamsmeltende, het Beiersche Hertogdom stichtte, wiens eerste hoofdstad, het reeds door de Romeinen gebouwde Regensburg werd.
Hunne stelling in het opper-Duitsche Donau-bekken bracht als van zelve mede, dat het de taak der Beieren was, Duitschlands voorposten en beschermers tegen de beneden Donau-volken te zijn. Zij hoofdzakelijk hebben den strijd tegen de Avaren en Magyaren gestreden, en de op dezen en op de Slawen gewonnene landstreken met hunne kolonisten bevolkt. Al deze, nu Oostenrijksche, landen zijn als kweekerijen en koloniën van den Beierschen stam te beschouwen, waarom men ook wel het Duitsche dialect in al deze streken, onder den naam van Beiersch-Oostenrijksch dialect samenvat. De eigenlijke moederstam van het oud-Beiersche volk, heeft zich echter met eene merkwaardige volharding en vastheid, binnen zijne oorspronkelijke grenzen tusschen de Alpen en het Bohemer-woud, tusschen Lech en Inn gehandhaafd, en vormt nog heden ten dage de kern van den, na Oostenrijk en Pruissen, machtigsten Duitschen staat en stam. Terwijl het meerendeel der overige Duitsche stamnamen, die der Allemannen, der Franken, der Neder-Duitschers, geene politieke beteekenis meer hebben, is die der Beieren tot nu toe nog steeds die van souverein Duitsch volk, en is hij, als naam van een staat in Duitschland, veel ouder dan die van het nieuwere Baden, Nassau, Hannover, Pruissen enz.
“De den oud-Beieren kenmerkende eigenschappen, de trots op hunnen stam en eene groote mate van provincialisme, hebben bewerkt dat zij met den vrijen, geestelijken omgang der Duitsche natie, geruimen tijd niet zeer gewillig instemden.” Reeds in de middeneeuwen, hebben zij onder zich, minder minne- en meesterzangers gehad dan hunne naburen, de gevoeliger Schwaben, Allemannen en Franken. Ook zijn zij, terwijl bij dezen het protestantisme ingang vond, midden in het katholicisme en pausdom blijven steken. Zij waren altijd, zooals Sebastiaan Frank zegt: “een goed Roomsch, godsdienstig volk, dat gaarne bedevaarten doet,—ook nu is het geen zeer hoffelijk volk, maar ruw in zeden en taal.”
Met groote voorliefde zijn zij aan hun provinciaal dialect gehecht gebleven, en daar zij het moderne schrijf-hoogduitsch, dat zij “Lutheraansch Duitsch,” noemden, langen tijd niet wilden aannemen, hebben zij ook eerst later dan anderen aan de ontwikkeling der literatuur deelgenomen. Nog in het begin dezer eeuw gold Beieren voor eene der donkerste partijen, op de kaart van Duitsche beschaving en ontwikkeling.
Sedert den tijd van Maximiliaan Jozef, toen in Beieren veel hervormd, en in de kloosters en kerken veel opgeruimd werd, en later vooral ook sedert de regeering van Koning Lodewijk, is dit echter veel veranderd, en de door dezen werkzamen en onvermoeiden regent uit den slaap geschudde Beieren, zijn nu met de vele zich bij hen verzamelende kunstenaars en geleerden, met hunne akademiën en universiteiten, met hunne Münchener praalgebouwen en verzamelingen, brug- weg- en kanaalwerken, met de van hen uitgegane lithographie en stenographie, met hunne bekwaamheid in het vervaardigen van optische instrumenten, zeer roemvol onder de Duitschers opgetreden.
Daarbij echter is, helaas! het streven, meer den Beierschen naam dan den Duitschen te verheerlijken, te levendig op den voorgrond getreden. Ook Koning Lodewijk I was het, in weerwil van zijn beroemd Duitsch patriotisme, vooral daarom te doen, een sterk Beiersch wezen te voorschijn te roepen, en bij al de, in zijn Koningrijk vereenigde Schwabische, Frankische en andere stamdeelen, een Beiersch nationaal gevoel op te wekken.
In den nieuwsten tijd is echter dit Groot-Beiersche nationaal gevoel, nog meer tot een algemeen Duitsch verruimd. “De Beieren, vroeger dikwijls een steen des aanstoots voor het streven naar eene Duitsche eenheid, zijn onder hunne laatste Koningen een Duitsche hoeksteen geworden. Zij hebben, in de roemrijke oorlogen der Duitschers in de laatste jaren, dapper medegestreden, hebben het eerst den Duitschen Keizer geproclameerd, en zijn ook zelfs in godsdienst en geloofszaken de denkbeelden der Duitschers een weinig genaderd.
Van uit het vlakke land aan den Donau, hebben zich stam en taal der Beieren tot diep in de Alpenlanden uitgebreid, het eerst in de Oostelijke deelen van het oude Rhaetië, waar hunne naburen Tyrolers geworden zijn.
Geheel en uitsluitend kan men deze “Tyrolers” wel niet als een dochter-volk der Beieren beschouwen. Want ongetwijfeld bleven gedurende den dikwijls herhaalden doormarsch van Duitsche natiën, in hunne dalen afstammelingen van zeer verschillende stammen achter. Bij dit mengelmoes zullen waarschijnlijk ook nog de oude Rhaetiërs, oorspronkelijk Celtische bewoners, gekomen zijn. Maar de Beieren hebben toch, in de eerste tijden na de volksverhuizing, het land het langst beheerscht en er den meesten invloed op uitgeoefend, en hebben hunne aanspraken daarop ook in lateren tijd niet willen opgeven. Daar intusschen na de verbrokkeling van het groote “Bavaria,”—alle bewoners van dat gedeelte der Rhaetische Alpen, langzamerhand onder de heerschappij van afzonderlijke Graven kwamen, die in het slot Teriolis of Tyrol bij Meran resideerden, zoo vormde zich met behulp der evengenoemde bijmengingen, onder den naam “Tyrolers,” een afzonderlijk volk, dat zich aanmerkelijk onderscheidde van de logge Beieren, en ten laatste zoo weinig met dezen sympathiseerde, dat het integendeel voor zijne zelfstandigheid, voor zijne Graven en later voor zijne Oostenrijksche Vorsten, de bloedigste oorlogen tegen hen voerde.
Eenige overeenkomst met de uitbreiding der Duitschers in Tyrol, heeft de geschiedenis der bevolking der meer Oostelijke landschappen Stiermarken, Karinthië en Krain. Ook hier was in oude tijden, in het zoogenaamde Noricum, een Celtischen grondslag. Ook hier trokken verscheidene Duitsche volken door, en lieten velen der hunnen in het land achter. Gedurende de volksverhuizing werden deze landen grootendeels met Slawen opgevuld, bij wier latere germaniseering de Beiersche Hertogen en de Bisschoppen van Salzburg weer werkzaam waren.
Een overblijfsel der Slawen deelt nog heden ten dage met de Duitschers het bezit dezer heerlijke Alpenlanden. Maar ook hier, even als elders, gaven de Duitschers den toon aan, en hebben zij de voornaamste zetels der beschaving dier landen, de fraaie door hen gebouwde steden Gräz, Laibach, Klagenfurt enz. in hun bezit.
Beiersche bisschoppen, vooral die van Passau, hebben eindelijk ook, terwijl zij ijverig Donau-afwaarts koloniseerden, het eigenlijke Oostenrijk, dat vóór hen bijna geheel door Slawen en Avaren bewoond was, Duitsch gemaakt.
Verscheidene overblijfselen van deze niet-Duitschers zullen aanvankelijk wel onder de, het land binnentrekkende, Beiersche planters achtergebleven zijn. En daar later, behalve de Beieren, ook nog vele bewoners uit Schwaben en Franken, langs den Donau naar dat land kwamen, zoo zijn hunne met elkander vermengde nakomelingen, langzamerhand van hunne Beiersche stamvaders meer of minder vervreemd geraakt, en heeft zich daaruit een eigenaardig Oostenrijksch volkswezen gevormd, dat voor het oud-Béiersche ten lange laatste zooveel antipathie koesterde, dat Keizer Maximiliaan eens gezegd heeft, dat wanneer men èn Beiersch èn Oostenrijksch bloed in een ketel wilde laten koken, het een het andere zou doen overkoken.
Zorgeloosheid en natuurlijke vroolijkheid zijn veel geprezene eigenschappen der Oostenrijksche Duitschers, die op verre na niet zoo hard en niet zoo ruw schijnen, als hunne stamvaders, de oud-Beieren. “Gastvrijheid, zooals die in oud-patriarchalen tijd uitgeoefend werd, treft men daar bij de burgers en boeren, in de rijke Donau-sloten en in de kloosters aan. Het is een land waar men genoegen schept in muziek en dans.” Van daar uit hebben zich de Duitsche nationale dansen, de tirolienne en de wals, door de wereld verspreid, en de Oostenrijksche Donau- en Alpen-landschappen zijn de eenige streken in Duitschland, waar de danskunst met eene bevalligheid, als bij de Spanjaarden en andere vluggere volken, beoefend wordt.
In de 13de eeuw was het hof der Oostenrijksche Hertogen de verzamelplaats van vele dichters. Walter von der Vogelweide, Heinrich von Osterdingen, de Tannhäuser en andere werden daar zeer gevierd. Ook werd in Oostenrijk het “Nibelungen-lied” zoo bij elkander gevoegd, als wij het nu bezitten. Mozart, de Vorst der toonkunst, en de bijna met hem op gelijke lijn staande componist der “Jahreszeiten” werden aan den voet der Oostenrijksche Alpen geboren, en Strausz, Lanner en dergelijke nieuwere Duitsche componisten gingen van daar uit.
Maar bij alle “zang en muziek, bij al hunne trouwhartige vroolijkheid,” bij hunne, zooals men zegt, “geborneerde” naïviteit, moet toch een fond van degelijke, Duitsche kernachtigheid in die Oostenrijkers steken. Want juist dit “land van het Duitsche epicurisme,” met zijne prachtige en luxurieuse hoofdstad Weenen, is de kern eener groote Duitsche monarchie geworden, die vele Slawische, Romaansche en Finsche volken, tot een politiek geheel vereenigd en tot nu toe ook gehouden heeft. Duitsche taal, Duitsche wetten, Duitsche beschaving, hebben door de Oostenrijkers invloed verkregen tot aan den voet van den Balkan en tot aan de Zwarte Zee toe.—Oostwaarts van de Alpen, in de uitgestrekte Donau-vlakten en om de Karpathen heen, bloeien nog Duitsche zeden en Duitsche vlijt, in vele honderden, door hen gestichte en opgesierde steden en bekoorlijke dorpen, midden onder de Daciërs en Pannoniërs.
Dat echter behalve de Oostenrijkers en Beieren, wier dialect zij meerendeels aangenomen hebben, ook andere Duitsche stammen, vooral de Westelijke naburen der Beieren, de aan de bronnen van den Donau woonachtige Schwaben, aan de ontwikkeling van Hongarije en Zevenburgen medegewerkt hebben, bewijst alleen reeds de omstandigheid, dat daar overal de naam “Schwaab” de algemeene benaming voor een Duitscher is.
Ook zelfs de Neder-Duitschers hebben aan dit werk deel genomen. Want de beroemde Zevenburgsche Saksers, een kleine tak van den grooten Duitschen eik, die in het Oosten tot een sierlijk boompje opgroeide, stammen oorspronkelijk van den Neder-Rijn af.
Deze Saksische Duitschers in Zevenburgen hangen nog heden, ofschoon door een grooten afstand en sedert 600 jaren van den moederstam gescheiden, nauw met hem te samen, en voeden zich op de Duitsche universiteiten, die zij voortdurend bezoeken, met de melk der Duitsche wetenschap, en hebben ook, als ijverige Lutheranen, de Duitsche kerkelijke hervormingen en onlusten medegemaakt.
Niet alleen uit de talrijke, geheel Duitsche provinciën van Oostenrijk, maar ook zelfs uit het midden dezer in Hongarije en Zevenburgen verstrooide Duitschers, zijn van oudsher, ter vermeerdering van den roem der geheele Duitsche natie, vele uitstekende staatslieden, edele Vorsten en militairen, talrijke dichters, geleerden en kunstenaars voortgekomen.
Uit den nieuweren tijd, noem ik onder de Duitsch-Hongaarsche Muzen-zonen als voorbeeld, den armen Lenau, den dichtenden Hongaarschen aartsbisschop Pyrker, den lyrischen dichter Beek en den grooten musicus Franz Liszt, die allen op de grenzen der “Püsten” geboren zijn, maar hunne groote talenten, uit het met hen verwante Duitschdom geput hebben.
Waar intusschen blijft het, en dat is wel karakteristiek voor het geheele Beiersch-Oostenrijksche Zuid-Oosten, dat van daar geene, zulke groote hervormingen veroorzakende, naam makende denkers, zulke alom licht om zich heen verspreidende Koningen op het gebied der ontwikkeling, voortgekomen zijn, als een Keppler, een Leibnitz, een Kant, een Fichte, een Goethe, een Humboldt waren. Grondige critiek is geen in het oog springende karaktertrek van dit gedeelte van Duitschland. Zij behoort meer in het Noorden van Duitschland te huis, even als muziek, dans en poëzie meer te huis behooren in het Zuiden.
De stambetrekkingen van het Zuidelijk derde gedeelte van Duitschland zijn, zooals reeds gezegd is, onder de beide groote rubrieken “Allemanno-Schwaben” en “Bavaro-Oostenrijkers,” gemakkelijk te overzien. De groote vlakten en tafellanden en de groote Donau hebben daar ook, wat staatkundige indeeling betreft, alles meer in groote gedeelten en onderdeelen doen samen vatten.
In Midden-Duitschland daarentegen is alles veel bonter geschakeerd en veel meer ingewikkeld. Dit derde gedeelte van het Duitsche vaderland, vormt van af Lotharingen tot aan Silezië, een groot schaakbord van eene menigte—tot een, met verscheidene mazen voorzien net samengeweefd—bergketenen, heuvellandschappen en daar tusschen gevoegde vlakten en dalen. Het is, zoowel in geographische als in geologische beteekenis, het bontste stuk van Duitschland. Ook de cultuur-planten, koren, wijn enz. wisselen hier menigvuldig op de kleinste oppervlakte af. Daar praedomineert geen groote, alles vereenigende stroom, geen uitgestrekt dal-bekken. Talrijke rivieren hebben daar hare bronnen, en zelfs de groote Rijn is daar in het midden van zijn loop, zich op engere baan en meer verbrokkeld tusschen rotsen door slingerende, dan in zijn verder Zuidelijk bekken en in zijne Noordelijke Nederlanden.
In overeenstemming hiermede zijn de Duitsche stammen en dialecten—hier in het midden nog meer dan ergens anders—uit elkander gegaan, en voor “de vorming van kleine staten en voor particularismus is het hier het ware land.” Hier zijn de bergtoppen te vinden, van wier kruinen men tegelijkertijd zes of meer Duitsche staten binnen ziet. Hier is ook het land der kleine of middelmatige Duitsche steden, die er talrijker zijn dan in eenig ander gedeelte van Duitschland. De groote Duitsche steden Berlijn, Hamburg, Weenen, Praag, München enz. vallen in de uitgestrekte vlakten, de groote, hooge plateaux en de breede hoofddalen aan de eene of de andere zijde van dat centraal-gebied.
Trots deze verbrokkeling, laat Midden-Duitschland zich als een geheel samenvatten, en kan men, als iets wat al zijne bewoners met elkander gemeen hebben, aannemen, dat zij allen met elkander tot de groote Hoog-Duitsche familie behooren, maar toch wederom van de Zuidelijke Opper-Duitschers, de Schwaben en Beieren, merkbaar verschillen, en in taal en bloed een overgang en gemengd gebied vormen, tusschen deze en de Neder-Duitschers.
Even als de Duitschers van het Zuiden, zoo hebben ook de stammen van het midden, van den Rijn als hunne basis, naar het Oosten gewerkt. Deze Rijn is de eenige der groote rivieren, die in het leven van alle drie hoofdafdeelingen van het Duitsche volk, dus ook in het hart van allen ingegroeid is. De Donau gaat bijna alleen de Zuid-Duitschers aan. De Wezer, Elbe en Oder zijn in hunne voornaamste gedeelten Noord-Duitsch. Van den Rijn daarentegen hebben de Zuid-Duitschers het bovenste gedeelte, de Neder-Duitschers het onderste gedeelte en de Midden-Duitschers de rest in bezit. Aan zijne oevers hoort men alle Duitsche hoofd-dialecten. En daaruit laat zich gedeeltelijk de liefde van alle Duitschers verklaren voor hunnen “Vader Rijn,” wiens gebied de geographische basis hunner geheele ontwikkeling is, en wiens verheerlijking door de ontwikkeling van het volksleven van alle stammen heentrekt.—De Midden-Duitschers bezitten wel het schoonste stuk der rivier, alle bekoorlijke landschappen aan zijne oevers, van af Carlsruhe tot aan Bonn, en aan zijne door natuur, kunst en geschiedenis zoo rijk gesierde voorname zijrivieren Main, Moezel enz.
De Romeinen vonden in deze streken verscheidene Duitsche stammen, die zij ten deele afhankelijk van zich maakten, terwijl zij aan den Rijn de vestingen Mainz, Coblenz en andere bouwden, en ook den Italiaanschen wijnstok daarheen verplantten.
Vroegtijdig, reeds tijdens het begin van het verval van het Romeinsche rijk, ontstond aan den beneden-Rijn, onder den naam van “Franken” (“Vrijen”), een machtig bondgenootschap van Neder-Duitsche volksstammen. Na de 4de eeuw splitsten deze zich in twee groote afdeelingen, de zoogenaamde “Salische” en de “Ripuarische Franken.” Gene veroverden, van den Neder-Rijn en de Schelde uit, het Noordelijk Gallië, waarop zij hunnen naam (Frankrijk) overbrachten, terwijl deze naam in Noordelijk Duitschland geheel verloren ging. De Ripuarische Franken zetten hunne veroveringen, aan de oevers van den Rijn, opwaarts voort, vereenigden de volken aan den midden-Rijn, en werden vervolgens met de groote, door hunne Salische broeders gestichte Frankische monarchie vereenigd. Bij de oplossing van het Karolingische wereldrijk, traden zij in het Oost-Frankische of Duitsche Koningrijk als “het Frankische Hertogdom,” dat tamelijk wel het voornaamste stuk van het geheele Midden-Duitschland, van den Rijn tot de bronnen van den Main en tot aan het Thuringerwoud, bevatte.
Hieruit trad Koning Conrad I, en later na de Otto’s, het geslacht der zoogenaamde “Frankische Keizers,” op. De Rhijnsche Franken waren ten tijde dezer Keizers (in de 11de eeuw) weder het eerste volk in Duitschland.—Uit hen werden de Duitsche Koningen gekozen, die ook meestal in hun land, aan den Midden-Rijn, resideerden.
Toen zich het Hertogdom Franken aan den Rijn, in eene menigte kleinere gebieden oploste, trok zich de eens in Duitschland zoo groote naam der Franken enger te samen. Sedert de 14de eeuw ging hij zelfs aan den Rijn geheel verloren. Alleen het Main-land heeft dien ten slotte bewaard. Hiertoe beperkte zich ook in het wezenlijke der zaak, de door Keizer Maximiliaan georganiseerde “Frankische Kreits.” Frankisch bloed, Frankische stamverwantschap en taal, zijn daarbij ook de fundamenten van het wezen der bevolking aan den Midden-Rijn, Zuidwaarts tot aan de Neckar, Noordwaarts tot aan de Sieg en Westwaarts aan de Moezel opwaarts tot aan de Saar, en tot in de nabijheid van Metz, gebleven.
In het Oosten en het Noorden der Rijn-landen, woonden aan de bovenste takken der Wezer, Fulda, Eder en Werra sedert oude tijden de “Katten” of “Hessen.” Ook zij, evenals bijna iedere Duitsche stam, hebben eene periode van ouden roem en vroegere grootheid gehad.
Zij moeten eens ver om zich heengegrepen hebben. Want de Batavieren, de voorvaders der Nederlanders, leiden van hen hunnen oorsprong af, en aan de Romeinen verschaften zij bijna even veel werk, als hunne nakomelingen aan de zee, de Batavieren. Reeds Tacitus prijst de dapperheid van het Hessische voetvolk, dat altijd, even als eens tegen de Romeinen zoo ook in den nieuweren tijd in Amerika, waarheen zij toch slechts door hunne Vorsten verkocht werden, er maar in het blinde op los sloeg en zich dien ten gevolge het roemrijke epitheton, de “blinde Hessen” verwierf.
Staatkundig gingen zij in verschillende tijden, in de door hunne machtige en talrijke naburen, de Franken en de Thüringers gestichte Hertogdommen op, maar hebben zich ten allen tijde met een groote taaiheid en vastheid in hunne oude woonplaatsen gehandhaafd en hunnen naam bewaard; sedert de 14de eeuw brachten zij ook weder hunne eigene Vorsten voort, die echter helaas! in den nieuwsten tijd bijna nooit landsvaders voor hen geweest zijn.
Een oud Duitsch vers zegt van Hessen, “men heeft daar groote schotels maar weinig te eten; hooge kroezen maar zuren wijn: wie zou gaarne in Hessen willen zijn.” Den bewoners is ook iets van de schraalheid van het land eigen geworden. Zij zijn ernstiger, nuchterder en achterhoudender van aard, dan de vroolijke bewoners van het Rijn-land en de levenslustige Thüringers, hunne naburen aan weerszijden.
Menig degelijk edel Duitscher, b.v. Ulrich von Hutten, vele vlijtige groote geleerden, b.v. de Grimms, weinige dichters en kunstenaars zijn uit het arme “Hessenland” voortgekomen.
“Zij zijn hunne oude gewoonten zoo trouw gebleven, dat bij hen nog heden ten dage de oude Duitsche haverbrij, in plaats van koffie als morgendrank dient.” De weinige behoefte, die zij hebben, blijkt uit het spreekwoord, “waar Hessen versterven, kan niemand voedsel verwerven.” Van hun geduld, zoowel als van hunne volharding in vrijheid en recht, hebben zij als hoogst lankmoedige Duitsche leeddragers bewonderingswaardige bewijzen gegeven, door onvermoeiden strijd tegen een Vorsten-geslacht, dat reeds sedert eene eeuw, zoo merkwaardig productief aan despotische en hebzuchtige Vorsten en slechte regenten is geweest, en dat eerst de nieuwste tijd gelukkig op zijde geschoven heeft.
Van het Fichtelgebergte af, gaat in Noord-Westelijke richting de hoofdrug van het Thüringer-woud, schuin door Midden-Duitschland heen, en deelt het in zijne beide hoofdhelften, de Westelijke of Frankisch-Hessische en de Oostelijke of Thüringsch-Saksische.
Reeds de Romeinen kenden, in deze deelen van Midden-Duitschland, het volk der “Duren” of “Hermunduren,” waarvan men later “Thüringers” gemaakt heeft. Omstreeks de vijfde eeuw valt de tijd der vroege staatkundige grootheid van dezen stam, die toen, tusschen Elbe en Main, tusschen Bohemen en den Harz, het groote “Thüringsche Koningrijk” stichtte, van welks lotgevallen wij intusschen niet veel weten.
Aan dit Koningrijk maakten de Franken even zoo een einde, als aan het Allemannische, maar gedurende de geheele middel-eeuwen bleef een “Thüringsch Hertogdom,” later “Landgraafschap” bestaan: wèl onderging dit gebied menige verandering, maar had toch in hoofdzaak het oude Thüringerland, namelijk de streek tusschen den Harz en het Thüringer-woud, aan de bovenste takken der Saale, tot kern.
Even als geheel Duitschland zijne met elkander mededingende dubbel-Keizers, zijne verbrokkelingen in verschillende rijken, zijne tusschenregeeringen en zijne dertigjarige oorlogen gehad heeft, zoo hadden ook de Thüringers dikwijls hunne dubbel-Hertogen, hunne splitsingen in verschillende stammen, hunne Thüringsche opvolgings-oorlogen, hunne provinciale tienden- en Graven-twisten, die ook dikwijls 30 jaren lang het land verwoestten.—Daarbij kwamen nog de eeuwen lang voortgezette oorlogen met de “Soraben,” die het Oostelijk deel van het oude “Hermunduren-land” waren binnengetreden. Grootendeels van Thüringen uit, werden deze Slawen van Midden-Duitschland overweldigd, gedoopt, met Duitsche kolonisten en steden voorzien en ten laatste geheel tot Duitschers gemaakt.
Het Meisznische land, het tegenwoordige Koningrijk “Saksen,” ofschoon het zijnen naam ontving van de Neder-Saksische Vorsten, die de mark Meiszen stichtten, kan men in hoofdzaak als eene Thüringsche kolonie beschouwen. Uit deze Thüringsche volkplanting groeide langzamerhand het groote Keurvorstendom Saksen, dat ten slotte bijna het geheele oude Hermunduren-land en al zijne koloniën, aan deze en aan gene zijde der midden-Elbe, omvatte.
Door de beroemde land-verdeeling onder Albert en Ernst, de zonen van den Keurvorst Frederik den Zachtmoedige, en door vele op deze volgende verdeelingen en splitsingen in verschillende Vorsten-liniën, zoomede later in nieuweren tijd door de verbrokkeling van Keur-Saksen, kwam langzamerhand de Thüringsche stam onder eene menigte Vorsten en Staten.
“In hun eigenlijk oud stamland, doen de Thüringers zich als een degelijk, eerlijk, goedhartig en poëtisch Duitsch volk voor.” Zij zijn zachter en vroolijker dan de ernstige Hessen, bekwamer dan de Neder-Saksers aan gene zijde van den Hartz, degelijker dan hunne kolonisten in “Meiszen”, de tegenwoordige “Opper-Saksers”, gematigder dan de levendige Franken aan den Rijn. “Een kostbaar kleinood van den Thüringschen stam is hunne gezonde en levenslustige gemoedelijkheid, hunne vertrouwdheid met poëzie, muziek en zang, die reeds in oude tijden bleek, uit den bij hen gevierden zangerswedstrijd op den Wartburg, en waarvan ook het wijd en zijd bekende spreekwoord: “in twee huizen, drie violen,” getuigt.
Uit hunnen schoot is menig Duitsch man van gewicht voortgekomen. In de allereerste plaats Dr. Martin Luther, wiens ouders, even als zijn degelijk karakter en zijn vroolijke zanglust, uit Thüringen afstammen. Ook de Luther der muziek, Sebastiaan Bach, was uit Thüringen geboortig. Lang na den Wartburg-strijd bloeide bij hen nog eens, ten tijde van Karel August, een Duitsch Athene, het onvergelijkelijke muzenhof te Weimar op.—Ook heeft deze stam vele edele Vorsten-geslachten opgeleverd, van welke in nieuweren tijd het Saksen-Coburg-Gotha’sche huis aan buitenlandsche volken, de Belgen, Engelschen en Portugeezen, Vorsten gegeven heeft.
Bij de nakomelingen der uit Thüringen Oostwaarts getrokkene kolonisten, de bewoners van het land Meiszen en van het tegenwoordige Koningrijk Saksen, mist men het flinke hunner stamvaders in Thüringen. Zij zijn oppervlakkiger, zachter en weekhartiger. In geest en in werkzaamheid van het verstand echter, staan zij nog boven de Thüringers, en buitenslands hebben zij zich, zoowel in oorlog als in vrede, door hunne humaniteit en welgemanierdheid bemind gemaakt. Allerlei takken van kunst- en fabriekwezen bloeien door hun geheele, langs den Noordelijken voet van het Ertzgebergte gelegen, land, “met betrekking tot nijverheid het toonbeeld voor Duitschland.” Hunne beide groote steden Leipzig en Dresden munten uit, de eene door hare commercieele en industrieele ondernemingen en als middelpunt van de literarische markt der Duitschers, en de andere “het Duitsche Florence”, als Vorstelijke residentie door hare kunstschatten, en als verzamelplaats van vele beschaafde kringen uit alle landen.
Wat poëzie en humor betreft staan deze zoogenaamde “Opper-Saksers,” die men liever “Nieuw-Thüringers” noemen moest, bij alle andere Duitsche stammen ten achter. Daarentegen hebben zij en hunne vroegere Vorsten zich een blijvenden roem in de Duitsche geschiedenis verzekerd, door den ijver waarmede zij tot de, op hunne hoogescholen het eerst geproclameerde, kerkhervorming van Luther toetraden, en de bescherming die zij haar verleenden, zoo mede door de verstandelijke ontwikkeling en het, in hun land overal verbreide, schoolonderwijs en de algemeen verspreide kennis.
Wanneer al anders niets, dan zou reeds de omstandigheid, dat zulke groote denkers en zulke ontwikkelde koppen, als Leibnitz, Lessing, Fichte, aan den voet van het Ertzgebergte geboren werden, voldoende bewijzen welke groote begaafdheid ook dezen stam eigen is. Een groot gedeelte der Opper-Saksers, is sedert 50 jaren met Pruissen vereenigd, en heeft sedert dien tijd, als met Pruissischen nationalen geest vervuld, meermalen eene tegenstelling gevormd, met zijne oude stamgenooten in Oud-Thüringen en in Opper-Saksen.
Silezië vormt het Oostelijk uiteinde van Midden-Duitschland. Even als Saksen is het grootendeels een kolonie-land van Thüringen, op Slawischen onderbodem, maar ook Neder-Duitschers, Franken, Beieren, Oostenrijkers, zijn toegestroomd om die streken te bevolken. “De Sileziërs deelen met alle Midden-Duitschers, de hoofdtrekken der taal, zeden en denkwijze,” ofschoon zich alles bij dit aan den boven-Oder geplante Duitschdom, dat andere lotgevallen deelachtig werd, eerst onder den invloed van Polen, en later van Bohemen en Oostenrijk kwam en door dezen beheerscht werd, naar de eigenaardigheden van het land natuurlijk wijzigde. Zij hebben in taal en wezen iets zuidelijks behouden.
Ofschoon de Silezische Duitschers, nu bijna drie millioen sterk, langen tijd eigenlijk niet tot het Duitsche rijk behoorden, en eerst door Pruissen staatkundig bij den Duitschen bond ingelijfd werden, zoo namen zij toch sedert de 14de eeuw deel aan al het lijden en aan al den vooruitgang van het Duitsche volk. Even als in geheel Midden- en Neder-Duitschland, vond de hervorming hier grooten bijval. Ook is het opmerkingswaardig, dat het deze, aan het einde van het Duitsche vaderland wonende en met Slawen vermengde, Sileziërs geweest zijn, die in hunne beide beroemde dichter-scholen, in de 17de eeuw, de eerste hervorming in den poëtischen smaak der Duitschers te weeg brachten. Dit intelligente en ondernemende volk, maakt nu een hoofdpilaar van het gebouw der Pruissische monarchie uit; om hunne annexeering werden, door de grootste Pruissische Koningen, drie groote oorlogen gevoerd.
Het bovengezegde geldt intusschen vooral voor de bewoners van het benedenste en middelste gedeelte des lands. Want de “Opper-Sileziërs,” in de hoogte aan de Moravische en Boheemsche grenzen, in de Sudeten en in het Reuzen-gebergte, vormen een heel ander slag menschen, dat van eene zeer oude, wellicht nog uit de tijden der volksverhuizing dateerende grondbevolking afkomstig is. Men rekent hen en hunne taal, tot het zoogenaamde Opper-Silezische- of Sudeten-dialect, niet tot de Midden-Duitschers, maar tot de Zuid-Duitschers, en wel tot den grooten Beiersch-Oostenrijkschen tak.
In de oudste tijden schijnt het geheele vlakke Noord-Duitschland, van Holland tot Rusland, door Duitsche stammen bewoond te zijn geweest. De Cimbren en Teutonen, die in het Jutsche schier-eiland woonden, zijn waarschijnlijk van dit Noorden uitgegaan, even als de Longobarden, wier oorspronkelijke woonplaatsen men aan de Beneden-Elbe zoekt, alsmede de Vandalen in Mecklenburg en Pommeren, de Gothen in het tegenwoordige Pruissen, de Bourgondiërs, de Herulers en andere aan den Beneden- en Midden-Oder en Weichsel.
Bij de volksverhuizing verlieten deze en andere Noord-Duitschers hun land, om in het Zuiden rijken te stichten, en in hun vaderland, dat door de uit het Oosten opdringende Slawen en Lithauers bezet werd, bleven weinige sporen van hen over. Meer dan de helft van het oude Noord-Germanië, Westwaarts tot aan de Elbe, werd Slawisch. Alleen in het Noord-Westelijk gedeelte, tusschen Elbe en Rijn, bleef het Duitsch. De Romeinen leerden in dien hoek de Batavieren, de Friezen, de Chauken, de Cheruskers, Brukteren en meer andere Neder-Duitsche stammen kennen.
Echter werden de meeste hunner, in den loop der gebeurtenissen, onder één naam, dien der Saksers, vereenigd, welke naam, ten gevolge der onder zijne banier volbrachte daden, ten slotte in het geheele Noorden zoo beroemd werd, dat men (soms nog zelfs wel in de 12de eeuw) met den naam “Sakser-land”, de geheele Noordelijke helft van Duitschland betitelde, en dat nog heden ten dage, zoowel de Celtische Ieren in het afgelegen Westen, als de Finnen en Esthen in het verre Oosten, met de woorden “Saksen” en “Saksisch”, ongeveer hetzelfde bedoelen, wat wij Germaansch of Duitsch noemen.
Het oorspronkelijk vaderland dezer “Saksers”, zou in het Cimbrische schiereiland, in het tegenwoordige Schleeswijk-Holstein en Jutland, gezocht moeten worden. Van daar uit verbreidden zij zich, het eerst naar het Zuiden en Westen en vereenigden de boven opgenoemde, met de hun verwante stammen aan de Wezer, onder hunnen naam. Een gedeelte van hen trok met de Jüten en de Friezen de zee over, en maakte Engeland tot een “Saksisch” land, dat echter zijne eigene lotgevallen volgende, weldra met het moeder-volk (dien ten gevolge ook wel Oud-Saksen genaamd) weinig meer te maken had.
Tot aan de 8ste eeuw, leidden deze Oud-Saksers, onder hunne Vorsten, als heidensche, de vrijheid lievende barbaren, een van de andere Duitschers afgescheiden leven. Deze waren, aan den Rijn en aan den Donau, reeds lang Christenen geworden en met het groote Franken-rijk vereenigd.
In eene reeks bloedige oorlogen temde Karel de Groote gene eerst volkomen. Hij lijfde ze in bij de Frankische monarchie en bij het, zich hier uit vervolgens ontwikkelende, Duitsche rijk. De buitengewone energie, waarmede de Saksers zoolang aan de Franken weerstand geboden hadden, bewerkte, dat zij aanvankelijk eene zeer voorname plaats in dit rijk innamen.
Behalve de Hertogdommen Allemannië en Beieren in Zuid-Duitschland, en naast het door Midden-Duitschland gaande Hertogdom Franken, ontstond ook een groot “Hertogdom Saksen,” dat geheel Noord-Westelijk Duitschland, tusschen Elbe en Rijn bevatte. Na het uitsterven der Karolingers en na Konrad I, viel zelfs den Saksers en hunnen Hertogen de Duitsche Keizerskroon toe, die hun Vorstengeslacht gedurende eenige generaties behield. Zij hebben het Duitsche rijk eenige zijner degelijkste en roemrijkste Keizers, Hendrik den Vogelaar en de Otto’s gegeven. Maar later is de Duitsche Keizerskroon—tot op den allernieuwsten tijd—niet weder blijvend aan Noord-Duitschland gekomen.
Ook heeft de Saksische of plat-Duitsche taal van dien Keizer-glans geene winst gehad. Hunne Otto’s, welke die taal spraken, konden haar den voorrang boven de reeds veel ontwikkelder Opper-Duitsche dialecten niet doen verwerven. Niet Zuid-Duitschland te leiden, maar veeleer het geheele vroegere Noord-Duitschland Oostwaarts weder te herstellen, het daar diep doorgedrongene Slawendom terug te werpen, en langs de Oostzee tot aan Rusland eene reeks nieuwe of vernieuwde Duitsche landen en volken te stichten, werd de eerste taak der Saksers.
Slaat men, bij een kort overzicht dezer scheppingen der Saksers, het eerst den blik op hunne vroegste woonplaats, het land ten Noorden van de Elbe, het zoogenaamde “transalbingsche Saksen,” dan mag men wel zeggen, dat de Neder-Saksische stam daar steeds eene bijzondere degelijkheid bewaard heeft, en dat zijne geschiedenis dikwijls roemrijk, ofschoon ook tevens vooral weder in den laatsten tijd, dikwijls vol lijden geweest is.
De Neder-Saksers, ten Zuid-Westen van de Elbe, waren in drie hoofdstammen verdeeld, de “Engern,” de “Oostfalen”, en de “Westfalen,” wier ligging en woonplaatsen hoofdzakelijk door de Wezer bepaald werden. “Engern” noemden zich de Saksers in het dal van de Wezer zelf, “Oostfalen,” die ten Oosten van de Wezer wonende, en de “Westfalen” waren de Saksers ten Westen van de Wezer, tot aan den Rijn en de Eems toe.
De namen Oostfalen en Engern zijn verdwenen. Hunne nakomelingen werden in den loop der tijden onder vele Vorsten en Staten verdeeld. Ten slotte echter vereenigde de Luneburgsche tak van het oude Saksische Hertogelijke huis, het een langen tijd gelukkige “Huis Hannover”, het grootste gedeelte der voormalige Neder-Saksische Engern en Oostfalen, door erfenissen en verdragen, tot een staatkundig geheel; zijn Koningshuis trachtte onder de stam-verwante, het toegevallene, bevolkingen, een Hannoveraansch volk en nationaal-gevoel te voorschijn te roepen; gelijk het Beiersche Koningshuis bij de, het toegevallene, Duitsche deelen, een Beiersch volks- en nationaal gevoel trachtte op te wekken. Gelukkig is, ten gevolge der jongste gebeurtenissen, dit proces aan de Elbe en de Wezer evenzoo gestoord geworden als dat aan den Donau, en in beide gebieden hebben ruimere sympathiën en neigingen eene plaats gevonden. Pruissen heeft ze weder in den grooten schoot hunner moeder geplaatst.
De “Westfalen” hebben tot op den huidigen dag in weerwil van alle scheidingen van stammen, en trots de verschillende heerschappijen waaronder ook zij geraakten, hunnen naam en ook in hooge mate hun oud karakter en zin bewaard. Zij wonen aan de Westelijke rivieren van de Midden-Wezer, aan de bronnen der Eems, en aan de groote vlakte tusschen de Rijn- en Wezergebergten, waaruit de Roer en de Lippe naar den Rijn stroomen.
Reeds de vroegste voorouders der Westfalen die ons genoemd worden, de dappere Brukteren boden aan de Romeinen een hevigen wederstand. Op Westfaalsch gebied werden de Varus-slagen gestreden. Later, toen de naam “Hertogdom Saksen” reeds verdwenen was, bestond er nog geruimen tijd een groot “Hertogdom Westfalen,” evenals na de verdeeling van het Duitsche rijk in kreitsen, een even groote “Westfaalsche kreits.” Ook Napoleon weder, maakte gebruik van den ouden beroemden volksnaam, om zijn, gelukkig slechts kort bestaan hebbend, “Westfaalsch Koningrijk,” in het Midden- en Opper-Wezerland te doopen.
“De Oud-Saksische vastheid van karakter, waardoor de Westfalen van oudsher uitmuntten,” is zeker de hoofdreden van den langen duur van hunnen naam en roem geweest. Het lange menschenras, heeft nu nog veel overeenkomst met de, door de Romeinen beschrevene Germanen. Hunne manier van wonen en hunne zeden zijn overoud. Bijna de geheele stam is nu bij den Pruissischen staat ingelijfd.
Ook in de landstreek, die het Rijndal van Wezel tot aan Keulen en Bonn vormt, zijn stam, bloed en taal der Neder-Saksers verspreid geworden. Maar het daar gebruikelijke dialect, “het Neder-Rijnsche” bewijst, dat ook afwaarts van den Rijn, reeds Opper-Duitsche elementen uit Franken of Midden-Duitschland, zich met hen vermengd hebben.
Hoe de Neder-Duitsche stammen, nog verder naar het Westen doordringende en zich met de Friezen en Batavieren vermengende, de bevolking van België en Nederland gevormd hebben, heb ik reeds vroeger trachten aan te toonen en ik zal dus nu overgaan tot de behandeling der later gevolgde uitbreiding der Neder-Saksers, over het Oostelijk gedeelte der Noord-Duitsche vlakte.
De oorlogen der Saksers met hunne Oostelijke Slawische naburen hadden vermoedelijk reeds lang geduurd, maar zij begonnen eerst invloed te hebben op de geschiedenis der ontwikkeling, en tot blijvende veroveringen te leiden, toen de Saksers sedert het einde der 8ste eeuw het christendom aangenomen hadden, en nu met den doop, met het stichten van kerken en kloosters, met monniken en kruisridders tegen de Slawen optrokken.
Een gedeelte der Slawen was zelfs Westwaarts over de Elbe in het tegenwoordige Luneburgsche en Maagdenburgsche doorgedrongen, en kwam het eerst met den naar het Oosten terugkeerenden Slawen-vloed in aanraking. Zij werden reeds ten tijde van Karel den Groote onderdanig aan de Saksers, en reeds toen begon de bloei der bij hen gestichte stad Maagdenburg, die het lievelingsoord van den Saksischen Keizer Otto I werd, en die met hare aartsbisschoppen en haar, overal in het Oosten tot diep in Polen nagevolgd, stadsbestuur, een zoo grooten invloed op de Zuid-Baltische Slawenlanden zou uitoefenen.
In het gebied der Slawen, aan deze zijde der Elbe, ontstond onder Hendrik den Vogelaar, de Duitsche kolonie de Altmark, de wieg van den Keur-Brandenburgschen staat. Zoo betrekkelijk snel het Slawische in politiek en heerschappij ineenstortte, zoo langzaam is het—op sommige plaatsen ten minste—in taal en zeden verdwenen. Nog in het einde der vorige eeuw predikte en sprak men aan deze zijde der Elbe, Slawisch; en nog heden ten dage vindt men in het Lüneburgsche, midden in Neder-Saksen, eene streek, het “Wendland” genoemd, waarin Slawische kleeding, bouwtrant en gebruiken nog in zwang zijn.
Ook de Slawische stammen (Sorben), die over de Midden-Elbe tot naar Thüringen doorgedrongen waren, overstelpten de Saksers en hunne Koningen met doop en oorlog, en de Saksische Keizers stichtten hier aan weerszijden der Elbe, verscheidene Markgraaf-schappen en Bisdommen (Merseburg, Meiszen, de Lausitzen enz.) waarmede zij in de 11de eeuw, een beroemden Neder-Saksischen Vorstenstam, de Graven von Wettin, beleenden.
Door dit Saksische Vorstenhuis, dat zijn oorsprong van den ouden Sakser Wittekind afleidde, en het stamhuis aller tegenwoordige Saksische Vorsten-familiën geworden is, werd de naam “Saksen” op dit Duitsche kolonie-land, ten Noorden van het Ertz-gebergte, overgedragen, ofschoon, zooals boven reeds aangemerkt is, de kolonisten dezer streek, de Duitsche edellieden, stad- en landbewoners, voor het meerendeel niet van de Noord-Duitsche Neder-Saksers maar veeleer van de Midden-Duitschers en Thüringers afkomstig waren; hiervan was het gevolg, dat ten laatste de naam “Saksers,” die in het eigenlijke vaderland der Saksers uitstierf, ten laatste aan een Midden-Duitsch volk verbleef, dat van de Saksers in hoofdzaak niets dan de eerste Vorsten ontvangen had.
Ook in het Slawenland Oostwaarts van de Midden-Elbe, drongen de Saksers reeds vroeg binnen onder Karel den Groote en Koning Hendrik I. Eerst omstreeks het midden der 12de eeuw grepen zij hier ver en belangrijk om zich heen, onder hunnen Hertog Albrecht den Beer, die van de Altmark uit, de oude Slawische Vorsten-residentie “Brennabor” (Brandenburg) veroverde, of voor altijd heroverde en haar tot het middelpunt van een Markgraafschap maakte, dat in vervolg van tijd de voornaamste provincie en de grondslag van een machtig Koningrijk geworden is, en wier bewoners, als nakomelingen van koene, door zucht tot het verrichten van groote daden en door strijdlust gelokte immigranten, ten allen tijd een krijgshaftigen geest bewaard hebben.
In het midden van het zandige land der oude Slawische Havellers, Wilzen en Ukriers, groeide de hedendaagsche Koninklijke en kerkelijke residentie op, waarin zich het verstandige maar ietwat harde, meer kritische dan poëtische, het heldere, intelligente, bedrijvige, werkzame en scheppende karakter en geest van het “moderne Markerdom,” dat zich op het met groote moeite tot groote beschaving gebrachte Brandenburgsche zand, om Berlijn heen ontwikkelde en concentreerde.
Minder oorlogzuchtig en gewelddadig, dan de verduitsching der Brandenburgsche Marken, schijnt die van het land der Obotriten aan de Oostzee, geweest te zijn. De inheemsche Slawische Vorsten hebben zich daar, kort na de bloedige oorlogen van Hendrik den Leeuw, die hunne macht braken, tamelijk goedschiks naar het Duitschdom gevoegd, hebben het Christendom aangenomen, Duitsche geestelijken, burgers en kolonisten tot zich geroepen, en de Duitsche taal bevorderd. Ook zijn zij zelfs reeds vroegtijdig, als Duitsche rijks-vorsten in het rijksverband opgenomen en hebben ook aan het land zijnen tegenwoordigen naam Mecklenburg gegeven, die afkomstig zijn zou van een oud Slawisch Vorsten-slot “Mikilin-burgt.”
Hieruit laat het zich verklaren, dat Mecklenburg, ofschoon in den loop der tijden met betrekking tot de taal, geheel verduitscht, nu nog ongeveer denzelfden omvang heeft, als de oude Obotriden-Vorsten het gegeven hebben, zooals ook zijn adel voor een groot deel van Slawischen oorsprong is, alsmede dat de boeren daar nu nog in eene groote afhankelijkheid smachten, en over het algemeen de geheele wetgeving en ook de sociale toestanden van het land, nog zooveel ouderwets bewaard hebben.
De Pommeranen, een Slawische stam, wiens naam zooveel beteekent als “bewoners van de oevers der zee,” leefden aan weerszijden van den Beneden-Oder aan de Oostzee, onder hunne inheemsche Hertogen, die echter reeds omstreeks het einde der 12de eeuw Duitsche rijks-Vorsten werden, tot aan de 17de eeuw toe, toen deze oude Slawische Vorstenstam in Pommeren uitstierf, en zijne rechten en landen door erfenis op de Vorsten van Brandenburg overgingen.
Slawische taal en zeden zijn daar langzamerhand in het Duitsch opgegaan. Reeds in de 14de eeuw, was het, door de het land binnengetrokkene West- en Oostfalen, ingevoerde Neder-Saksisch (plat-Duitsch), de volks- en rijkstaal in Pommeren geworden, en de oude Wendische adel, met de daarheen verplante Duitsche adellijke geslachten, versmolten.
Vele Pommersche steden, Stettin, Colberg enz. schoeiden hun bestuur en hunne wetgeving op denzelfden voet als de Neder-Saksische stad Lubeck, wier wetten langs de zeekusten over eene even groote uitgestrektheid werden nagevolgd, als die van het eveneens Saksische Maagdenburg in het binnenland.
De Duitsche Pommeranen worden door hun ouden kroniekschrijver Kantzow, reeds voor drie honderd jaren met de volgende woorden geschilderd: “zij zijn een oprecht, trouw, stilzwijgend volk, dat alle vleitaal haat; zij zijn meer goedhartig dan vriendelijk, meer eenvoudig dan verstandig, niet lichtzinnig, ook niet vroolijk, maar eenigzins grof en zwaarmoedig. Zij plegen altijd met hunne naburen overhoop te liggen. Zoodra echter de eerste toorn voorbij is, schijnt die zich spoedig weer te stillen. Zij verzoeken gaarne gasten bij zich en komen op hunne beurt ook gaarne weder bij anderen te gast.” Hunne “grofheid” heeft zich, in vele veldslagen die zij tegen de Franschen en anderen vochten, goed bewaard, en zij hebben den roem behaald, de kern van het Pruissische leger uit te maken.
Met Pommeren in het Oosten van den Oder, werd de samenhangende uitbreiding van den Neder-Saksischen stam afgebroken; want hier bij de monding van den Weichsel, heeft het langen tijd machtige Polen een dwarsstreep gemaakt. Door het Oostelijke Pommeren of het zoogenaamde “Pomerellen”, gaat eene breede strook, nog heden ten dage niet-Duitsch, Slawisch gebied, het land der zoogenaamde Kassuben, dat de Poolsche Koningen, met de geheele Weichselmonding en de stad Dantzig, langen tijd onder hunne macht gehad hebben.
Die Duitsche kolonie, die tamelijk geïsoleerd van het lichaam van het overige Duitschland, aan het Frische en het Kurische Haf in het land der Lithauers gesticht werd, had bij haar eerste ontstaan weinig met het oude land en volk der Neder-Saksers te maken. Zij werd op verzoek van in het nauw gebrachte Poolsche Vorsten, en op aansporing van den Paus, door de orde der Duitsche ridders, die hare bezittingen in geheel Duitschland had, en hare leden zoowel uit Noord-, als uit Midden- en Zuid-Duitschland trok, gesticht.
De edellieden, die deze orde aan de monding van den Memel en het Kurische Haf overbrachten, hadden hunne voorvaderen bij alle Duitsche stammen.—De officieele taal dezer kolonie, werd dus ook niet de Neder-Duitsche, maar de Hoog-Duitsche. Ook altijd zijn daarheen kolonisten en immigranten uit alle deelen van Duitschland, soms uit Thüringen, van het Ertz-gebergte, uit Boheme en later zelfs uit Salzburg, in dit land der ridders van de Duitsche orde gekomen. Wel trok de orde de nieuwe kolonisten, tot wederbevolking van het door haar veroverde land, waarin zij de oude Lithauïsche oorspronkelijke bevolking uitroeide, uit alle landstreken, maar bij voorkeur bezigde zij daartoe de bevolking der dichtbij gelegene Saksische provinciën. Ook kwamen de burgers en kooplieden der Neder-Saksische Hanze-steden langs de zeekusten, en bevolkten de handelsteden der orde, Elbing, Dantzig en andere. En zoo kreeg dan ten slotte ook deze Oost-Duitsche kolonie, langzamerhand eene hoofdzakelijk Neder-Saksische tint en eene plat-Duitsche taal tot heerschend dialect.
Daar deze kleine orde, zich intusschen in het groote land te zwak gevoelde, zoo sloot zij zich bij de orde der Duitsche ridders in Pruissen aan, en erkende het opper-bestuur van deze. In de 14de eeuw was deze Duitsche orde op het toppunt harer macht. Zij beheerschte toen een groot land, dat met Duitsche steden versierd en in het bezit van Duitsche grondeigenaars was; welk land van de Weichsel tot in de nabijheid der Newa reikte, “en een tijdlang een der bloeiendste en best bestuurde rijken van Europa was.”
De opperhoofden van dit rijk, de grootmeesters, hadden zitting en stem, in den Duitschen rijksraad, en de politieke invloed van den Duitschen naam strekte zich toen hooger noordwaarts uit, dan ooit vroeger of later. Sedert het midden der 14de eeuw zonk de zedelijke tucht, en daarmede ook de macht der edele orde-ridders. Hun Duitsche kolonie-staat werd verbrokkeld en kwam onder vreemde opperheerschappij.
De Polen, die reeds vroeger met de Duitschers om het bezit dier streken gestreden hadden, veroverden bijna alle aan de orde behoorende landen, eerst West-Pruissen als eigen land en Oost-Pruissen als leen, daarop in de 16de eeuw Lijfland als eigen land en Koerland als leen.
In die provinciën had echter het Duitsche wezen zoo diepe wortelen geschoten, dat bij alle wisselingen van bestuur en bij alle verbrokkelingen, overal, zelfs in Lijfland, waar in de laatste 200 jaren, Poolsche, Zweedsche en Russische opperheerschappen elkander afgelost hebben, het is blijven bestaan.
In Oost-Pruissen, dat in de 16de eeuw, door de keuze van Albrecht van Brandenburg tot grootmeester der Duitsche orde, en daarna door de erfelijk-verklaring van dit Hertogdom, in het Hohenzollernsche huis met Brandenburg verbonden werd, heeft zich eene samenhangende Duitsche grondbevolking over de helft van het land uitgebreid. Niet te min werd of bleef de naam van dit Hertogdom, en van den grooten met hem ten slotte verbonden Duitschen staat “Pruissen”, helaas! niet Duitsch; veeleer ontleende men dien aan de oude Lithauïsche bewoners van die streek.
In Oost-Pruissen (“Pomerellen”), dat nog lang Poolsch bleef, en eerst in het jaar 1772 (zijne hoofdstad Dantzig eerst in 1793) met Pruissen verbonden werd, is de Duitsche grondbevolking minder talrijk. In de afgelegene provinciën Lijf-, Koer- en Esthland, waarheen de Duitschers nooit in groote menigte kwamen, heeft zich de vreemdsoortige grondbevolking op het land staande gehouden, terwijl in de talrijke sloten en steden, nog heden Duitsche burgerlijke en adellijke geslachten bloeien.
Daar bij de verovering door de Duitsche ridders, de ingeborene Slawen, Polen, Lithauers, Lyven en Esthen, hunnen oorspronkelijken adel geheel verloren, en Duitsche geslachten het land onder elkander verdeelden, zoo is dien ten gevolge de oorsprong van den adel dezer landen zuiverder Duitsch, dan b.v. die in Pommeren en Mecklenburg, waar zooals reeds aangemerkt is, de Wendische adel door zijne Vorsten in massa, en slechts langzamerhand verduitscht werd. Men vindt daarom noch in de rollen van den adel in Oost-Pruissen, noch in die van Koer- en Lijfland zooveel Slawische “ows”, “tzows”, “itz” en “plitz”, als in de landen, nader bij Duitschland gelegen.
Ook onder de burgers der steden bleef de aangeborene Duitsche nationale geest in hoogen graad bestaan. De Duitsche geest heeft daarom ook daar vele krachten opgewekt, en Duitsche ontwikkeling heeft ook, van die Noord-Oostelijke koloniën, geene geringe opwekking en steun ontvangen.
Wij behoeven ons slechts de philosophische zadelmakers-zoon uit Koningsbergen, den grooten Kant, te herinneren. Ook de groote Herder en later de scherpe denker Arthur Schopenhauer, zijn den Duitschers uit die Noord-Oostelijke provinciën geworden, even als zij reeds vroeger den grooten Copernicus, uit een Westfaalsch geslacht, hebben voortgebracht.
Zelfs Koer-, Lijf- en Esthland hebben aan de Duitsche literatuur en wetenschap, menigen geleerden onderzoeker en dichter geschonken. Ik moet hier ook opmerken, dat de hoogere standen uit die streken, een bijzonder welluidend en aangenaam klinkend Duitsch dialect spreken, daar zij geene onontwikkelde Duitsch-sprekende klassen onder zich hebben, door wier dialect zij hunnen tongval bederven kunnen.
In de steden Riga, Libau, Reval is bij de geringere volksklasse, nog tot op onze tijden toe, een eigendommelijk plat-Duitsch in gebruik geweest.
Ook de meer dan 60.000 zielen tellende Duitsche bevolking der Russische Keizerstad Petersburg, welke stad een Duitschen naam draagt, is vooral uit den schoot van Noord-Duitschland voortgekomen, de kooplieden en burgers uit de Hanze-steden en uit de Pruissische zeeplaatsen, de adel uit de kreitsen der Oostzee-provinciën. Men kan haar eenigermate als de alleruiterste Noord-Duitsche of Neder-Saksische kolonie in het verre Noord-Oosten beschouwen.
Hoe talrijk en menigvuldig naar het boven gezegde, de stammen en stammetjes verschijnen, waarin ten allen tijde de Duitschers verdeeld waren; hoe ver zich de natie ook verbreid en verstrooid heeft, zoo hebben zich toch ten allen tijde zekere karakter- en gemoedseigenschappen geopenbaard, die hun allen van den beginne af eigen waren en gebleven zijn. Reeds de Romeinsche schrijvers hebben veel gemeenschappelijks bij de Duitschers ontdekt, en hebben gezegd dat men daaruit wel de gevolgtrekking kon maken, dat zij allen van denzelfden stam en hetzelfde bloed, dat zij broeders waren.
De Duitsche natie heeft het zeldzame voorrecht gehad, reeds toen zij nog in de wieg lag, door een Tacitus in haren natuurlijken aanleg bestudeerd, met meesterhand geportretteerd te worden. De Duitschers zijn daardoor, wat niet bij alle volken het geval is, in staat, het bestaan en de geschiedenis van dien, al de Duitschers in hooge mate eigen zijnden aanleg, eigenaardigheden in geest en in zeden, tot zeer hoog op na te gaan.
Het beeld, dat Tacitus van die voorvaderen der Duitschers ontwerpt, is nog heden in hoofdtrekken waar. Weinige eigenschappen, die hij hun toekent, zijn bij de Duitschers verloren gegaan. In vele aanduidingen, die in zijn kleinen ethnographischen katechismus voorkomen, erkent men de kiemen en zaden der later daaruit voortgekomene, en ten deele eerst in onze dagen gerijpte vruchten. En ofschoon deze katechismus reeds zoo oud is, kan men den inhoud er van nog steeds zeer goed bezigen, als grondslag eener algemeene karakterschildering der Duitschers.
In de eerste plaats en boven alles, prijst Tacitus de huiselijke gewoonten en het familie-leven der oude Duitschers. “Heilig,” zegt hij, “is bij hen de band des huwelijks; hunne vrouwen, afstand doende van alle verdere verwachtingen en hoop, bezitten even als een lichaam en leven, ook slechts één echtgenoot, die het laatste doel harer gevoelens en gedachten is.—Zij zijn de eenige onder de barbaren die slechts ééne vrouw nemen.”
Is men niet bijna geneigd te gelooven, dat de oude heiden Tacitus, de grondregels en geloften, waarmede onze jonge christelijke paren zich aan elkander verbinden, in deze woorden geformuleerd heeft. Die opmerking van den Romein alleen, is reeds voldoende om te bewijzen, hoe ontvankelijk deze barbaren van den beginne af aan, voor het christendom en zijne zuiverder zedeleer geweest zijn.
“De vrouw,” zegt Tacitus verder, “staat bij de Duitschers in hooge achting. Zij verachten hare raadgevingen niet, en gelooven zelfs, dat er iets heiligs, iets profetisch in de vrouwen woont. Men heeft voorbeelden gehad, dat eenige onder haar, onder anderen de Duitsche Vorstin Veleda, als heiligen vereerd zijn geworden.”
Eene dergelijke meening omtrent het schoone of zwakkere geslacht bij barbaren, is eveneens iets zeer ongewoons; het was iets, dat de Duitschers bijzonder kenmerkte. Zelfs te midden der hitte van twisten en oorlogen, luisterden zij naar hunne vrouwen. “Het is wel bij de Duitschers voorgekomen,” zegt Tacitus, “dat hunne vrouwen door beden en vermaningen de reeds geslagene mannen naar het tooneel van den strijd terugvoerden, en dat deze, in de vrees dat hunne vrouwen den vijand in handen mochten vallen, de overwinning bevochten.”
Deze vereering der vrouwen, is door alle tijden heen, den Germaanschen volken eigen gebleven. Niet zeer lang, nadat zij van het Romeinsche rijk bezit genomen hadden, en tot het christendom toegetreden waren, geraakte in het geheele, in meerdere of mindere mate gegermaniseerde, Europa, de vereering “onzer lieve vrouw”, van moeder Maria, tot eene te voren nooit gekende hoogte. Ook ontwikkelde zich bij alle volken, bij welke een oorspronkelijk Germaansche adel de kern uitmaakte, de romantische en ridderlijke vrouwen-dienst, die zich gedeeltelijk met de aanbidding der maagd Maria vermengde. De diep zedelijke hoogachting, die de Engelschen voor de vrouwen hebben, en die ook den Noord-Amerikanen eigen geworden is, hebben zij aan het vaderland van Veleda te danken.
Vooral stonden bij de Duitschers de vrouwen in hoog aanzien, ter wille harer kinderen. Hare zuigelingen brachten zij aan eigen boezem groot, en lieten zij niet, zooals in de Romaansche landen nog heden even als ook reeds ten tijde van Tacitus, dikwijls het gebruik is, aan minnen en bedienden over. “Hare knapen,” zoo meldt Tacitus verder, “spelen onder het opzicht der moeders tusschen de huisdieren op de deel en het erve rond, en groeien tot stevige knapen op.”
Het huiselijk geluk, de liberale inrichting der huishouding, het daarin ingevoerde stille medebestuur der vrouwen, de vrijere beweging en opvoeding der kinderen, zijn zoovele heerlijke gaven, die de donkere wouden van Germanië aan het nieuwe Europa geschonken hebben, en die ook nog heden ten dage, vooral in de Germaansche landen op hoogen prijs gesteld worden: in Duitschland, waar zooveel over huis, huiselijkheid, familie en opvoeding gephilosopheerd, gedacht en geschreven is, en in Skandinavië en in Engeland, waar de woorden “home”, “hjem”, even hoog staan als in Duitschland het zooveel zeggende “daheim”.
Een der schoonste getuigenissen, die Tacitus van de Duitschers geeft, is vervat in deze weinige woorden: “niemand lacht bij hen om de ondeugd.” Dit woord van Tacitus zou men tot tekst kunnen nemen voor eene lange lofrede op het Duitsche wezen, dat zich in den regel afkeerig betoonde van het lichtzinnige, en daarentegen het ernstige gaarne ernstig opvatte; dat een vijand was van vergoelijking, en het woord “frivolité” niet eens in zijne taal teruggeven kon. Den spot te drijven met heilige zaken, is den Duitschers van oudsher eene afkeurenswaardige handeling geweest, en zij verschillen in dezen karaktertrek niet weinig van het spotachtiger en lichtzinniger karakter hunner naburen, de Franschen.
Ook wat Tacitus zegt over de wijze, waarop de Germanen hunne dooden beklagen, schijnt een Duitscher recht uit het hart gesproken te zijn. “Klagen en weenen,” zegt hij, “geven zij spoedig op, smart en treurigheid zeer laat,—zij gedenken.”—Moet men niet gelooven, dat Tacitus een diepen blik geslagen heeft in het wezen der Germaansche psyche, die niet van hartstochtelijken aard is, die niet verlangt zich naar buiten te openbaren en de gevoelens van het hart openbaar te maken; die haar leed in zich zelve verbergt; die geen “smartkreet” kent, en geene Grieksche of Iersche zich zelve pijnigende klaagvrouwen, maar alleen slechts “leeddragers.” “Zij gedenken,” zegt Tacitus. Wie eens gelegenheid gehad heeft, de wijze, waarop onze Germaansche broeders, de Engelschen en Nederlanders, treuren—om van ons zelven te zwijgen—gade te slaan, dien zal de waarheid dezer opmerking van den Romein, over het karakter der Germanen niet weinig opgevallen zijn. Reeds alleen de woorden “Eingedenk”, “Erinnerung,” waaraan de Duitsche dichters zooveel strophen wijdden, doen eene snaar in ons binnenste trillen.
Ook op eenige andere eigenaardigheden der Duitschers, waarvan twijfelachtig zou kunnen zijn, of men ze deugden moet noemen, wijst Tacitus ons. Zoo, bij voorbeeld, is het zeer merkwaardig, dat hij bij zijne ruwe Germanen ook reeds eene hun aangeborene gehechtheid aan hunne Vorsten ontdekt heeft. “Bij hunne Vorsten de eerste plaats in te nemen,” zegt hij, “is bij alle Duitschers eene zeer begeerige zaak, waarop zij allen ijverzuchtig zijn. Zij rekenen zich vooral verplicht, hunne Vorsten te verdedigen en te beschermen, ja zelfs hunne eigene daden tot den roem van dezen te rekenen, en het schijnt hun zeer vernederend en voor het geheele leven onteerend toe, na den val van hunnen Vorst levend uit den slag teruggekeerd te zijn.”
Als Tacitus gezien had, wat de Duitschers al niet voor hunne Vorsten gedaan en geduld hebben, en welk een machtige spoorslag, zelfs nog bij hunne jongste heldendaden, hunne liefde en toewijding aan hunne Vorsten geweest is, dan zou hij geene redenen gevonden hebben iets van die uitspraak terug te nemen.
Ook op menige der nationale ondeugden en gebreken der Duitschers, die nog heden bij hen opgemerkt worden, op hunne overmaat in het drinken en eten, op hunne speelzucht, op hunne neiging tot bijgeloof, heeft Tacitus reeds gezinspeeld. Van den lust tot drinken der Duitschers spreekt hij bijna op dezelfde wijze, als wij over die der Indianen in Amerika. “Zij zijn daarin,” zegt hij, “zoo onmatig, dat, wilden wij deze neiging ondersteunen, en hun zooveel geven als zij begeeren, zij gemakkelijk het onderspit voor ons zouden moeten delven. Geen volk geeft zich hartstochtelijker over aan feestmalen en aan de genoegens van drinkgelagen, dan zij.”
Dit gebrek heeft zich bij eene vroegere gelegenheid, reeds vóór Tacitus, bij de Duitschers geopenbaard. Reeds Cesar klaagde er over, dat zijne Duitsche ruiters, die hij mede nam naar den slag van Pharsalus, op den dag van den strijd niet strijdvaardig waren, omdat zij niet nuchter waren. En van af dezen slag bij Pharsalus, hebben de Zuidelijke volken bij al hunne ontmoetingen met de Duitschers, geklaagd over dit gebrek, dat ook Luther veroordeelde, toen hij in zijne aanmerking op den 10den psalm schreef: “daar nu eenmaal ieder land zijn eigen duivel hebben moet, zoo heeft Duitschland als zoodanig een wijnzak gekregen.”
Volgens Lichtenberg heeft de Duitsche taal meer dan 50 uitdrukkingen voor de verscheidenheden en graden, van den met behulp van Bacchus verhoogden geestes-toestand, waarvoor de andere talen betrekkelijk arm zijn. De Duitsche taal duidt met die uitdrukkingen zelfs gevoelens en sensaties aan van geheel verschillenden aard, en spreekt b.v. van “een roes van genot”, van “dronken van wellust”, van “dorst naar daden”; schenkt in stede van waarheid zuiveren wijn in, en verklaart van een mensch met wien niets aan te vangen is, dat “Hopfen und Malz an ihm verloren sei” (dat het met hem den moriaan geschuurd is), in het oorspronkelijke Duitsche spreekwoord heeft men zich de ziel van den onverbeterlijken mensch, als bierstof gedacht. De Duitsche dichters zingen zelfs: “wer niemals einen Rausch gehabt, der ist kein braver Mann” (die nimmer een roes aan gehad heeft, die is geen braaf man), en verklaart hem “für einen Narren, der nicht liebt Wein und Gesang” (voor een gek, die niet bemint wijn en gezang). Inderdaad, geloof ik: het zou te wenschen zijn, dat de helft van alle wijn- drink- en punschliederen uit de literatuur der Duitschers, en de voorliefde tot het daarmede verwante, uit hun wezen kon weggewischt worden.
Eenige andere eigenaardigheden, die Tacitus aan de voorvaderen der Duitschers berispt, schijnen echter eene eigenaardige wending genomen te hebben. Hij schildert hen als ware dagdieven. “In het zweet huns aanschijns iets te verdienen, wat zij door geweld verkrijgen kunnen,” zegt hij, “houden zij voor zwakheid. Zij waren bezwaarlijk zoo gemakkelijk te overreden het land te bebouwen als wonden te verdienen. Als zij niet ten oorlog of op de jacht gaan, is bij hen zelfs de dapperste werkeloos. Dan leven zij, geheel overgegeven aan ledigheid en slaap, in trage rust.”
Zou men het kunnen gelooven, dat uit die luie beerenhuid-hoeders van Tacitus, met den tijd het werkzaamste volk der wereld geworden is; menschen, die zich door hunne spreekwoordelijk gewordene vlijt in alle landen welkom maken, die meer in de ware beteekenis van het woord dan eenig ander volk, het gebod vervullen: in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen;—bij wie de lust tot den arbeid zelfs tot geluk in arbeid geworden is.
Niet tevreden met de bebouwing van de oppervlakte der Aarde, hebben de Duitschers ook vlijtig den bodem doorgewroet, en het moeielijkste aller werkzaamheden, de bergbouw, is een echt Duitsch nationaal-handwerk geworden. In alle bergwerken der wereld bedient men zich het liefst van de ijverige, onvermoeide steenbrekers en ertsklovers, en zij zijn in dezen kunsttak overal onontbeerlijk en toonaangevend.
Het bebouwen van het land, het woelen, het kloven, het graven naar schatten voor een karig loon, is zoozeer eene eigenschap der Duitschers geworden, ook bij hunne letterkundigen en geleerden, die overal in verborgen schuilhoeken zoeken, ziften, verzamelen, schrapen, als in bergwerken arbeiden en goudkorrels aan het licht brengen.
Wanneer Tacitus, met betrekking hierop, ook al geen profeet was, zoo merkte hij daarentegen, van de godsdienstige beschouwing zijner Germanen, weder iets op, wat als echt Duitsch bewaard is gebleven. “De Germanen houden het,” zegt hij, “de grootheid der Godheid onwaardig, dat men haar binnen muren insluit of haar eene menschelijke gedaante verleent. Zij aanbidden hunne Godheden in bosschen en wouden, die bij hen geheiligd zijn en waarin zij iets geheimzinnigs met eerbied aanschouwen.
Van dezen, door Tacitus met zulke opmerkelijke bewoordingen geschilderden natuur-godsdienst, is den Duitschers, zelfs nadat zij Christenen geworden waren, altijd nog veel eigen gebleven; eene groote liefde voor Gods heerlijke schepping, die ook zeer goed overeenstemt met de godsdienstleer van hem, die sprak: “ziet de leliën op het veld, hoe zij groeien.”—Op alle wegen der natuur ziet hij (de Duitscher) het spoor eener Godheid. Meer dan de helft van alle door Duitschers gedichte liederen, bevatten eene verheerlijking der natuur, zijn lente- herfst- of winterliederen, nacht-, morgen- of avondliederen, en bezingen op honderdvoudige wijze den wind, de zee, de rozen, de viooltjes, de vogelen en alles, waarin slechts de wereldziel ademt, geurt, suist of ruischt.—En wat meer in het bijzonder de door Tacitus vermelde geheimzinnige bosschen en wouden aanbelangt, zoo heeft geen volk eene zoo innige vereering en heilighouding voor hen bewaard, dan de Duitschers. Voor “dat, wat het woud vertelt,” voor de “eenzaamheid des wouds,” voor “droomen des wouds” enz. hebben hunne dichters steeds het meest opene oog en oor gehad. Duizende uitdrukkingen in de Duitsche taal, en tallooze thema’s van Duitsche gedichten zijn aan het woud ontleend, en de bosch-cultuur is eene lievelings-wetenschap en kunst der Duitschers.
“De tempeldienst en de vorm der kerken is den Duitschers nooit zoo diep in het vleesch gedrongen, als den Romaanschen volken.” Hunne philosofen zijn de universeelste en meest omvattende der wereld geweest. Hunne Keizers hebben altijd tegen de priesters en Pausen gestreden, die daarentegen in Frankrijk verdedigers vonden. De, den Duitschers door Rome opgedrongen, beeldendienst hebben zij laten varen, toen, ten tijde van Luther, hun oude, vrije, godsdienstige geest, “die geene muren en beelden voor de Godheid wilde,” die reeds in den heidenschen tijd geene Druïden-kasten, zooals die bij de Galliërs bestonden, duldde, zich weder verhief. Dat deze godsdienstige vrijheid den Duitschers een diepe, nationale ernst was, is wel ten duidelijkste daardoor gebleken, dat hunne kerkhervorming de echte, en voor langen tijd de eenige omwenteling geweest is, die zij vast en duidelijk, zelfstandig en alleen voor zich, en ten bate ook van andere Germaansche stammen, doorgezet hebben, terwijl zij in hunne staatkundige omwentelingen bijna altijd—tot op onze dagen—den spoorslag van buiten ontvangen hebben en bijna niet dan navolgers geweest zijn.
Maar in de menschelijke borst ligt naast ieder goeds, iets kwaads. “Dezelfde ruimhartige, de wereldziel in al hare openbaringen bespiedende Duitscher, neemt niet zelden eene geheele tegenovergestelde richting aan,—wordt erge, ongeneeslijke twijfelaar, die tusschen geloof en ongeloof heen en weer geslingerd wordt, die nu eens met het hart zijne overtuigingen opbouwt, dan weder met het verstand zijn eigen werk verwoest, en bij deze wankelmoedigheid niet tot stellige zekerheid en vastheid komt.—De schrik voor dezen, onder de Duitschers zoo veelvuldig voorkomenden ziels-toestand, is door eene geheele eigenaardige Duitsche sage, op afschuw-inboezemde wijze verzinnelijkt, en Goethe heeft deze stof gekozen tot het onderwerp van zijn meest afgewerkt en meest nationaal Duitsch kunstwerk, waarin het van een geretene van deze zijde van het Duitsche karakter, op klassieke wijze blootgelegd en vereeuwigd geworden is, en waarin duivelbezweringen en heksenkunsten, naast natuur-philosophie en het gevoelen van het bestaan van eenen wereldgeest, eene even groote rol spelen, als zij het in de geheele geschiedenis der ontwikkeling van het Duitsche volk doen.
Wanneer nu de Duitsche schrijvers melding maken van de contrasten, die tusschen hunne landslieden en andere Europeesche volken bestaan, dan hoort men hen meermalen spreken over hetgeen zij “romaansch formalisme” noemen. Zij willen daarmede wijzen op den bepaald aangewezen vorm van het wezen, de scherp afgeteekende nationaal-physionomie der geheele uiterlijke verschijning, der zeden en der denkwijze van de Franschen, Italianen, Spanjaarden enz., zoomede ook op de geneigdheid dezer volken, om den innerlijken inhoud, terwille van den uiterlijken vorm, over het hoofd te zien. In overeenstemming daarmede valt onzen Romaanschen naburen hunnerzijds bij ons Duitschers, in al onze uitingen en uiterlijkheden, eene groote mate van vormloosheid op. Zij vergelijken zich zelven somwijlen met slakken, die zich een hecht en lief huisje bouwden, en ons—ietwat dichterlijk—met weekdieren zonder huis, figuur of schaal.
Een zeer duidelijk bewijs er voor, dat “formalisme” den Duitscher niet in hart en nieren zit, ziet men daarin, dat zij allen zoo weinig overeenstemmen in hunne uiterlijke of lichamelijke gedaante. Het is bij de Duitschers moeielijker dan bij eenig ander volk, eene nationaal-physionomie en een familie-type duidelijk aan te geven. Er zijn volken, waarin ieder individu onmiskenbaar den stempel van den geheelen stam op het gezicht draagt. De Israëlieten zien er allen uit als broeders van een zelfden stam. De Armeniërs, als waren zij gezamenlijk in éénen vorm gegoten. Ook bij de Britten is het bijna onmogelijk zich te vergissen. De Italianen en Spanjaarden hebben zeer scherpe, duidelijk denzelfden stempel dragende, trekken. De uiterlijke nationaal-physionomie daarentegen, heeft even als de geographie van dat “indécise Allemagne”, iets zeer onzeker en vaags. Van de Adriatische zee tot aan den Eider, vindt men de meest afwijkende wijzigingen in lichaams-grootte, tint, kleur van het haar, vorm van het gelaat, ja! in iedere Duitsche provincie, in iedere stad en in elk stadje stooten de waarnemers op de meest bonte variëteiten en schakeeringen. Het komt iemand meermalen voor, als had ieder Duitscher zijn eigen individueel uiterlijk voor zich.
Hoe onzeker en onvast de Duitsche vorm is, kan men onder anderen daaraan waarnemen, dat hij zich onder vreemden zoo gemakkelijk verandert. Duitschers, die lang buiten hun vaderland gewoond hebben, of hunne kinderen die in het buitenland geboren zijn, herkent men later dikwijls niet meer. Zij hebben zeer spoedig geheel en al de trekken van het vreemde volk aangenomen. Bij vele andere volken (moet ik weder de Israëlieten noemen—ik kan even goed van de Engelschen of de Franschen melding maken) valt het kenmerk van het ras nog bij de laatste kindskinderen duidelijk in het oog.
Evenals in het lichamelijk omhulsel, zijn de Duitschers ook in hunne zeden, in hunnen omgang, in het geheele gezellig verkeer, veel vormloozer, veel minder gebonden dan andere volken. “Elders, niet alleen in Frankrijk maar ook in Engeland, en zelfs bij de republikeinsche Noord-Amerikanen, treft men eene bepaalde regeling aan in den omgang, het gesprek, den briefstijl, in alle onderdeelen en uiterlijkheden; eene regeling, die den Duitschers dikwijls eene tyranieke keten toeschijnt, ofschoon zij, wanneer men er zich eens aan gewend heeft, veel gemak oplevert.”
Ook in de hoogere sfeeren van het menschelijke kunnen en voortbrengen, ook in de voortbrengselen van den geest, der poëzie en literatuur, spreekt bij de andere volken duidelijk hun zoogenaamd “formalisme” evenals bij de Duitschers hun gebrek aan vaste en conventioneele vormen. In de dichtkunst hebben de Romanen zich gewoonlijk meer dan de Duitschers, gehouden aan de wetten der bekoorlijke en kunstrechterlijke vormen. Bijna alle in Europa van kracht zijnde metrische en prosodische soorten en regels, zijn afkomstig van de Grieken, Italianen, Spanjaarden en Franschen. De poëtische voortbrengselen der Duitschers hebben meer hunne zwakke zijde in gebrek aan bevallig uiterlijk, dan wel in het innerlijk gehalte. De treurspelen der Duitsche dichters bezitten zelden het rechte effect, den kunstigen vorm. Hunne verhalen, novellen en romans, ontbreekt het ook maar al te dikwijls aan den bondigen vorm en aan een goed slot. Ook die hebben iets van dat indécise Allemagne, iets breeds, vaags en vervloeiends. De Franschen en Engelschen hebben (echter meer vroeger dan tegenwoordig) aan de Duitsche geleerden verweten, dat zij geene boeken wisten te maken, dat zij hunne werken niet recht wisten te rangschikken en af te ronden. Al de voortbrengselen van hunnen geest, schenen hun toe in zekere eigenaardig nationale wolken te drijven. Ook ontbrak het hun, evenals het Duitsche familie-gelaat, aan duidelijke omtrekken en aan vorm.
Datzelfde gebrek aan figuur, vorm, slot, bondigheid en kenmerkenden stempel heeft zich niet slechts in zulke, diep uit den volks- en menschelijken geest te voorschijn tredende, openbaringen getoond, als gedichten en literarische producten zulks zijn, maar ook in oogenschijnlijk van geen wezenlijk belang zijnde kleinigheden, zooals b.v. in kleeding en nationaal kostuum.—Bij vele Europeesche volken heeft men in den loop der tijden, zoowel voor man als vrouw een, wat snit en maaksel betreft, zeer eigenaardig fatsoen van kleedingstukken gemaakt. De Hongaren, de Polen, de Russen, ja schier alle Slawische stammen, bezitten zeker, dikwijls zeer schilderachtig, nationaal-kostuum, waaraan zij met voorliefde vasthouden, en bij het gebruik waarvan zich hun vaderlandsch gevoel evenzeer opgewekt gevoelt, als het poëtische bij den toon-meester Arion, wanneer hij zegt: “alleen in tooi, verrukt Apollo mij.” Verscheidene dezer volken, hebben zelfs aan hunne nationale kleedingen zoo vast gehouden, dat zij daar moeielijker afstand van deden, dan van hunnen godsdienst, hunne taal, zeden en al het overige hunner nationaliteit. Ik herinner, ten bewijze daarvan, slechts aan de Altenburgers in Thüringen, de nakomelingen der Serben, die zich nu nog op zijn Oud-Slawisch kleeden, ofschoon zij voor het overige geheel Duitsch geworden zijn.
Eenige volken hebben zelfs, als zij tot invloed kwamen, aan het geheele overige Europa, meer of minder hunne kleederdracht opgedrongen. Zoo b.v. eens de Spanjaarden, een ander maal de Zweden, het langst de Franschen, ten deele ook de Engelschen. De Duitschers hebben zoo iets nooit tot stand gebracht. Menig kostuum en kleedingsLuk van deze of gene natie, is geheel of gedeeltelijk in de geheele Europeesche wijze van zich te kleeden overgegaan. Wilde men de geheele kostumeering van alle klassen der Europeesche maatschappij analiseeren, zoo zou men vinden, dat bijna alle volken van ons werelddeel nu en dan daartoe een of ander stuk hebben bijgedragen. Op de rekening der van uiterlijkheden weinig werk makende Duitschers, zou daarbij wel het kleinste gedeelte komen.
“Als wij,” zegt Falk, “de Duitsche kostumes, van de herders en herderinnen uit het Berner-Hoogland af, tot aan de Friezen en Hollanders toe, van den Rijn tot aan den Memel, onderzoeken, dan zullen wij bijna overal, in de vormen dezer zoogenaamde Duitsche volks- en landsdrachten, niets dan de verboerschte representanten van het kostuum-tijdperk van een Lodewijk XIV en XVI, of misschien ook nog een overblijfsel van den Slawischen volksdracht vinden.
Den Duitscher heeft dus op het veld der kostumeering, en over het geheel in alles, wat op het uiterlijke betrekking heeft, nooit iets recht goed willen gelukken. De kracht van het Duitsche genie was naar eene andere zijde gekeerd.
Een geestig schrijver vergelijkt, terwijl hij eene parallel maakt tusschen de constellatie onzer groote Europeesche volken-groepen en ons planetenstelsel, de Franschen en andere Romaansche volken met Mercurius en Mars, die zich dicht bij de zon bevinden, en langs bepaalde, sluitende, nauwe, duidelijke banen loopen; Engeland, dat zich vooral op het poëtische toelegt, geeft hij het teeken der Aarde. De Slawen vergelijkt hij met Uranus en Saturnus. Zij verspreiden evenals deze sterren een mat licht, zijn schemerdonker, ver verwijderd en bewegen zich slechts langzaam,
De Duitschers echter, deelt hij in bij de kometen, daar zij dikwijls even als deze, ver van de aardsche zon verwijderd, naar de onmetelijke ruimte henen zweven, en dan eens door verlangen gedreven weder naderen, terwijl zij zich krachtig en roerig in het licht dringen. Dit komeetachtige in den Duitschen aard, de in hun geheele wezen ingewevene lust tot reizen, hangt innig met hun geheelen verderen zin en karakter samen. Overal, in hunne geschiedenis zoowel als in hun dagelijksch leven, werken en denken, ontmoet men het.
Evenals dwaalsterren, spatten eens in de jeugd der natie hunne stammen uit elkander, en verspreidden zij zich naar alle uiteinden van ons werelddeel. Als kometen drongen eeuwenlang, hunne Keizers en rijkslegers zuidwaarts Italië binnen, versmolten en verdampten daar in het eene jaar, en zonden in het volgende nieuwe slachtoffers van dien lust naar buiten, waardoor onder anderen bewerkt werd, dat van oudsher in Duitschland eene talrijke menschenklasse, die der zoogenaamde ruiters en voetknechten, bestond, die bereidwillig iederen wenk in de verte gevolgd zijn.
Ook in nieuwere tijden is in geen land een vreemden legioen opgericht, dat men niet juister een Duitsch-legioen had kunnen noemen. Alle naburen hebben steeds bij Duitschland gerekruteerd, de Nederlanders en Engelschen voor hunne Oost-Indische bezittingen, de Franschen voor hunne Afrikaansche veroveringen.
Geen oorlogskreet is in eenig vreemd land geslaakt, waaraan niet de reislustige en avontuurlijke Duitschers deelgenomen hebben, en zelfs niet zelden bij beide tegenover elkander staande partijen.
Aan beweeglijke en op avonturen uitgaande figuren van anderen aard, aan reizende handwerkslieden, rondtrekkende scholieren of speellieden en reizigers van allerlei soort, hadden de Duitschers van oudsher grooten overvloed. Hunne schilders, kunstenaars en geleerden begeven zich allen op reis, niet alleen, zooals de Engelschen en Franschen, om een bepaald nationaal of op hunne zaken betrekking hebbend doel te bereiken, maar uit bloot poëtische lust tot reizen, evenals de trekvogels de onmetelijke ruimte ingedreven worden, alleen ter wille der schoonheid van de groote schepping en om algemeene aesthetische of wetenschappelijke doeleinden na te jagen.
En dergelijk zwerven en dweepen, van even als duiven uitvliegende toeristen, van afwisseling zoekende badgasten, van voetreizen makende jeugd, van over den Rijn en de Belt bedevaarten doende studenten-gezelschappen, zooals men iedere lente in Duitschland ziet ondernemen, kent men noch in Italië, noch in Frankrijk of Spanje.
Zooveel liederen die betrekking hebben op den reislust, zooveel “Oden” aan de wolken, de stuurlieden der lucht, aan de trekvogels, de kraanvogels van Ibicus,—“wandelaars nachtliederen”,—lofzangen op eene wandeling, op eene herfstreis of een wintertocht—op herberg—verblijf of tehuiskomst, op scheiden en vertrekken,—zooveel poëtische vragen aan den bruisenden wind, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat,—aan de eenig landschap doortrekkende bronnen en rivieren,—als in de Duitsche literatuur voorkomen, vindt men bij geen ander volk. De helderblauwe lucht, de zich bewegende zon, maan en sterren, de groote eindelooze horizon—de schemerende verte—zijn zaken die bij de Duitsche dichters eene niet minder opmerkelijk groote rol spelen.
De reis-novelle is eene nieuwere literatuur-soort, die door de Duitschers en hunne Engelsche broeders met voorliefde beoefend wordt, en bij de Franschen en Italianen nauwelijks bekend is. Reisverhalen hebben de Duitschers met de Engelschen, die als Germanen den lust tot reizen met dezen deelen, meer geproduceerd en gepubliceerd dan alle andere volken te samen. Verzamelingen van nieuwe en merkwaardige reizen te land en te water, heeft geen volk zoo veel en uit zoovele boekdeelen bestaande, als de Duitschers.
En toen de Engelschman Defoe, de lotgevallen van den eiland-bewoner Robinson Crusoë, in zulke aantrekkelijke vormen schilderde, toen werd dit boek in geen land zoo ijverig en zoo algemeen als in Duitschland, 150 jaren lang, bewonderd, in honderde uitgaven gelezen en nagevolgd. Zelfs in de laatste tien jaren, hielden eenige der beste Duitsche teekenaars zich onledig, het met nieuwe teekeningen te versieren. Naar het model van dien wilden Robinson van het eiland Juan Fernandez, ontstonden bij de Duitschers ook Silezische, Thüringsche, Schwartzwalder, Westfaalsche en Harts-Robinsons. De massa’s navolgingen van dien roman, bij de Duitschers, wien een ver afgelegen woest eiland, een eenzaam leven in de vrije natuur en in het woud, zoo bijzonder aanlokkelijk toescheen, werd zoo groot, dat de Robinsonaden bij hen een afzonderlijke tak van literatuur uitmaakte.
Ook de pen der Duitsche geleerden toefde altijd gaarne, zoowel in het Oosten en in het Westen, als in het hooge Noorden en het heete Zuiden; zij haalden de stof voor hunne werken van verre af, om partij te trekken van alles wat vreemd was. Even als bijen zijn zij overal heengevlogen en hebben zij van alle kanten honig aangehaald. “De Duitschers doorzoeken de geheele wereld. Zoo ver de zonnestralen schieten en de winden waaien, willen zij naar buiten om alles te zien, te leeren, te begrijpen, en te erkennen; om de talen, gewoonten, eigenaardigheden, kunsten, te leeren en zich toe te eigenen.”—Veel vond bij de Duitschers alleen daardoor ingang, dat het “uit de verte” kwam.