← Table of contents
Geschiedenis der Europeesche Volken

De Engelschen en hunne eilanden. (continued 2)

Reading edition

Datzelfde laat zich ook van den bouwstijl hunner architecten zeggen. Terwijl deze overal daar, waar voor eene nuttige levens-behoefte gezorgd moest worden, bij voorbeeld in hunne bekoorlijke cottages, de volkomenste doelmatigheid en eenvoudigheid met den bevalligsten vorm en de liefelijkste elegance weten te verbinden, is voor het overige hunne ornamentiek plomp en log. Alle Engelsche praal-gebouwen van Wren, de beroemde St. Paulskerk, en ook de nieuwe parlements gebouwen, missen naar het oordeel van kenners het wezenlijk aesthetische, en alle publieke kunstmonumenten dezer groote natie, met de standbeelden van hunne Koningen en van Wellington aan het hoofd, maken een armzalig figuur.

Wanneer men nagaat wat zij in deze en andere schoone kunsten voortgebracht hebben, wanneer men hen, waarvoor zij in den nieuweren tijd eene zoo groote neiging opgevat hebben, zelf zingen en musiceeren hoort, dan zou men het bijna betreuren, dat John Bull zich ooit met deze zaken heeft ingelaten, en dat hij niet liever alleen voortgegaan is, door zijn solide geld, door bezoldiging der talenten en den aankoop der producten van andere volken, den bloei der kunsten op zijne wijze te bevorderen.

Vele grootschere monumenten dan in metaal en marmer, die in den hun klimaat eigen vochtigen nevel en in den steenkolendamp hunner steden zoo gemakkelijk roesten en zwart worden, hebben de Engelschen in eene lichtere stof, die echter Horatius aere perennius (duurzamer dan metaal) noemt, opgericht. Hunne taal en literatuur geven het ondubbelzinnigste bewijs voor de kracht van hunnen geest. Ofschoon de Engelsche taal niets minder dan eene oude taal is, veel meer in nog hoogere mate dan het volk zelf, uit de bontste, vreemdste elementen ontstond, zoo is zij toch eene der rijkst ontwikkelde en dichterlijkste idiomen van het nieuwere Europa.

Men verwijt den Duitschers het opnemen van vreemde woorden, en vindt de schoonheid hunner taal daardoor benadeeld. De Engelsche taal bestaat, even als de Markuskerk in Venetië, bijna uit louter samengeroofde en in elkander gevloeide Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Fransche en Celtische elementen, en toch heeft de energieke geest der natie, deze elementen zoo versmolten en verwerkt, dat, even als bij de Markus-kerk, een verwonderlijk fraai gebouw ontstaan is.

Zij imponeert ons door hare energie en kortheid, en door de uitdrukking van mannelijkheid die aan ieder woord eigen is, en ook bij hunne uitspraak aangetroffen wordt. Daar zij uit vele andere talen en dialecten schepte, zoo heeft zij voor bijna ieder begrip verschillende woorden, en is zij in staat, ter aanduiding der fijne nuancen dezer begrippen, nu van den eenen dan van den anderen taalschat te leenen. “Alles wat Duitschers, Franschen en Romeinen in hunne talen kunnen uitdrukken, staat, om er bij gelegenheid gebruik van te kunnen maken, nauwlijks ergens gelukkiger bij elkander dan in het Engelsch woordenboek.”

Daar de Engelsche taal ook tegenwoordig nog altijd voortgaat, zich gemakkelijk vreemde uitdrukkingen toe te eigenen—zij bezit die, om zoo te zeggen uit alle streken der Aarde—daar zij in hare woordvoeging en in haren grammaticalen bouw zeer eenvoudig is, zoo schijnt zij meer dan eenige andere taal geëigend eene wereldtaal te worden.

Inderdaad heeft zich ook in de laatste eeuw geene tweede taal zoo over de Aarde verbreid als deze. Zij is de taal van groote, nieuw ontstane beschaafde volken, aan de uiteinden van den aardbol geworden. Zij heerscht op beide oceanen. Ook in Europa heeft geene taal de vroeger hier algemeen heerschende Fransche taal meer afbreuk gedaan, dan de Engelsche. Niet alleen zijn in den laatsten tijd eene menigte Engelsche uitdrukkingen in alle Europeesche talen overgegaan, maar de kennis der Engelsche taal is ook bijna algemeen op de scholen en bij de opvoeding, een tak van het onderwijs geworden.

Even als de Engelschen in de trans-oceanische wereld, de buitengewone bloei hunner rijke literatuur te danken hebben aan hunne zeevaarders, kooplieden en kolonisten, zoo hebben de Engelschen bij ons, deze gunstige uitkomst aan hunne uitstekende dichters en schrijvers te danken.—Ook deze literatuur is in hare verschillende takken weder eene afspiegeling van den geest, die de natie bezielt. Zij is een prachtig ontwikkelde boom, vol sappige, genietbare en voedzame vruchten.

Maar de tuinier-schaar der kunst heeft aan dien boom weinig gearbeid. Hij is tamelijk onregelmatig en geheel uit eigene natuurkracht opgegroeid. Noch de dramatische, noch de lyrische gedichten der Engelschen, hebben zich aan zoo strenge regelmaat en vorm onderworpen, als die der Franschen en Italianen. “Vrij en ongedwongen vliet de stroom hunner dichterlijke geestdrift, zelfs op het gevaar af, de grenzen van den goeden smaak somwijlen te overschrijden.” Daarentegen waren zij gevrijwaard voor de kunstenarijen en spelingen, waarin de vers-kunstenaars der Italianen, Spanjaarden en andere Romanen zich zoo gemakkelijk verloren. In meer dan één opzicht zijn de Engelschen natuurdichters. “Geen dichter heeft de natuur onvervalschter in zich opgenomen en getrouwer voorgesteld, geen het werkelijke leven, met meer vrijheid van geest en meer oorspronkelijkheid, binnen den tooverkring der poëzie gevoerd, dan de Engelsche Shakespeare, bij wien de innerlijke waarheid even bewonderenswaardig is, als de diepte en de kracht van gevoel, en de groote mate van phantasie, waarvan zijne werken overvloeien, ofschoon hij zooals bijna alle Engelsche dichters, zeer ver verwijderd is van hetgeen men klassieke correctheid en kunstsmaak noemt.

“Krachtig en vrij, als de geest en het vernuft van een Shakespeare en andere Engelsche dichters, is ook de natie zelve. Fijne toespelingen, zooals men in Frankrijk kent, worden in Engeland in het leven, even als in de poëzie en in de literatuur bijna niet verstaan. De Britten houden niet van sierlijke zwakheid. Hardheid, als zij van een geestig hoofd uitgaat, vindt bij hen bijval. Veel, wat de Engelschen, om de kracht die er in gelegen is, bewonderen, noemen de Franschen plomp. En het oorspronkelijke, het vreemde, dat in het schoolsche, correcte Frankrijk niet bevalt, maakt dikwijls in Engeland zijn fortuin, zoowel in de literatuur, als in het dagelijksche leven.”

De waarheidlievende Engelschen billijken het, wanneer men zich geeft voor hetgeen men is; de Franschen en Duitschers verlangen bescheidene zelfverloochening en schikking. De Engelschman stelt er somwijlen eene eer in, bij zekere gelegenheden met een zekeren overmoed te toonen, dat hij als een vrij man dicht, denkt en leeft, en dat het verwijt van zonderlingheid en vreemdheid hem weinig schelen kan. Dezelfde eigenaardigheden en belachelijkheden, die iemand in Engeland soms tot het voorwerp eener algemeene opmerkzaamheid, tot een lieveling bij het fashionable publiek en bij het hof gemaakt hebben, zouden voldoende geweest zijn om hem in Frankrijk en in Duitschland, als een gek uit alle goede gezelschappen te verbannen.

In Frankrijk dienen beleefdheid en voorkomendheid dikwijls ter verontschuldiging van vele fouten en gebreken. In Engeland staat de waarheid zoo hoog aangeschreven, dat zelfs grofheid en ongemanierdheid, als iets pikants, dikwijls in den smaak valt. Den hoffelijken en voorkomenden mensch behandelen de Engelschen zelfs met een zeker wantrouwen, den brutalen daarentegen dikwijls met toegevendheid.

Als een krachtig, gezond en kernachtig volk met vrije staats-instellingen, gevoelen de Engelschen zich aan de oude Grieken en Romeinen verwant. Vandaar het verschijnsel, dat de oude classici bij geen modern volk meer populair geworden zijn dan bij hen. De geleerde Duitschers hebben wel die schrijvers der oudheid het beste verklaard en geëmendeerd; de Franschen hebben zeer ijverig hunne kunstscheppingen nagebootst, maar de Engelschen hebben Homerus, Thucydides, Tacitus en Juvenalis het meest in vleesch en bloed opgenomen. Reeds vroeg begonnen zij de werken dezer schrijvers te vertalen, en ze in gemoderniseerden vorm, zelfs onder hunne nationale schrijvers op te nemen. Zelfs den staatslieden en den redenaars in het parlement, ja dezen minder dan anderen, vergeeft men niet, weinig vertrouwelijk te zijn met de mannelijke, krachtige, frissche ouden, waarmede de Engelschen intusschen toch slechts, om zoo te zeggen, eenerzijds, namelijk bij voorkeur door karakter, verstand en politiek, saamgegroeid zijn, en bij wie zij, zooals reeds aangemerkt is, wat kunst en smaak betreft, zeer verre achter staan.

Het naastebij zijn zij hun gekomen door hunne staatsregeling en door hunne daden, die de wereld deden dreunen, en op het gebied der literatuur met hunne historici, bij wie reeds sedert de vroegste tijden van het bestaan dezer literatuur, een bijzonder gezonden zin, een opvallend duidelijke voorstelling en begrip te bespeuren is. Even als zulks bij de Romeinen en Grieken het geval was, hebben ook deze Engelsche historici bij voorkeur zich bezig gehouden met de beschrijving der geschiedenis van hun eigen land. En van alle buitenlandsche geschiedenissen, hebben zij geene meer en beter behandeld dan de Grieksche en de Romeinsche. En als in de schilderkunst hun smaak viel op de karakterbeelden en het portret, zoo ook hebben zij op het gebied der geschiedenis, dikwijls en met voorkeur de biographie behandeld. Hunne historische literatuur is overrijk aan uitstekende levensbeschrijvingen.

Maar hun historische zin, hunne voorliefde voor karakterschildering, heeft als ’t ware niet genoeg aan de werkelijkheid. Om aan dien zin te voldoen, ontstond bij hen de verdichte geschiedenis, de historische roman en de familie-roman, beide om zoo te zeggen soorten van wezenlijk Engelsche vinding. Er zijn volken, die in dit soort van literatuur opvallend arm gebleven zijn. De Engelschen echter overtreffen daarin allen. Hunne roman-schrijvers Fielding, Smollet, Scott, Boz, Thackeray, hebben de wereld met hunne even leerrijke als onderhoudende voortbrengselen overstroomd, en hebben nevens hunne Shakespeare’s, Gibbons en Macaulay’s er het meeste toe bijgedragen, om de Engelsche taal, de Engelsche zeden en beschouwingen in het buitenland bekend en populair te maken. Men heeft ze in Duitschland zoowel als in Italië, in Rusland zoowel als in Spanje ijverig gelezen en nagevolgd.

Napoleon heeft de Engelschen voor een bekrompen kramersvolk uitgescholden, maar dit was wel zeer ten onrechte. Wanneer zij tot in hart en nieren kooplieden zijn, zij zijn toch ook door en door poëtische naturen gebleven. Eenige hunner kooplieden hebben, naast hunne lords, de eerste plaatsen op den Engelschen Parnassus ingenomen. Ten bewijze daarvan herinner ik aan den in geestdrift ontstoken schilder van Italië, den koopman Rogers, en aan den koenen onderzoeker van Griekenlands geschiedenis, den Londenschen bankier Grote. Niet weinig beroemde politici en staatslieden zijn uit hunne, in ieder geval grootsche koopmanschap voortgekomen. Langen tijd waren Britsche kooplieden de regenten van een der grootste rijken der wereld, van geheel Engelsch-Indië. Een hunner handels-corporatiën, de zoogenaamde Hudsons-Bay-Company, regeert nog heden het geheele Noorden van Amerika. George Canning en Sir Robert Peel waren zonen en kweekelingen van kooplieden.

De oude Romeinen, die zoo weinig aanleg voor den handel hadden, dat zij zich bij hunne zaken meestal van de Grieken bedienden, waren hartstochtelijke landbouwers. De Engelschen, die zoo’n groote voorliefde hebben voor het aan de steden geketende handelsverkeer en de in haar welig tierende industrie, hebben zich toch niet minder ijverig dan de Romeinen toegelegd op de ontwikkeling van den grond, en op het landleven. Bij al hunne voorliefde voor fabriek- en handelspeculatiën, zijn zij toch tegelijk echte landbouwers, en verscheidene zaken in hun karakter en hunne zeden laten zich uit hunne voorliefde voor het landleven verklaren; zooals zich bij andere volken, vooral bij de gezellige Franschen en moderne Italianen, vele eigenaardigheden als steedsche gewoonten en eigenschappen laten beschouwen. Van de Engelschen kan men zeggen, dat zij in de steden alleen hunne zaken doen, maar dat zij, als warme vrienden der natuur, op het land wonen en het leven genieten. Geen volk vóór hen, heeft eene zoo innige samensmelting van stad- en landleven gehad. Ook in dit opzicht zijn wij begonnen hunne zeden na te volgen, en dat wij met onze familiën, meer en meer uit de oude pakhuizen en magazijnen in de vrije natuur gekomen zijn, is grootendeels eene verdienste en het werk van de ons daarin voorgegane Engelschen. Al onze steden hebben sedert eene halve eeuw eene hervorming ondergaan, aan welke de steden en de manier van wonen der Engelschen tot model schijnen gediend te hebben.

De practische landbouw staat nergens hooger dan in Engeland, en zij is het voorbeeld en het model van den landbouwkundigen vooruitgang voor geheel Europa geworden. “Zij hebben ieder landbouw-werktuig, iederen ploeg, ieder tuinmes de doelmatigste gedaante gegeven.”—Het glanspunt hunner landhuishoudkunde is de veeteelt. Er valt nauwlijks een nuttig dier te noemen, waarvan de aankweeking door hen niet met voorliefde werd beproefd. Zij hebben de zoo ongeschikte en ruwe dieren, het paard, het rund, het schaap, het hoen, de duif enz., zooals de natuur ze leverde, ter hand genomen en hebben ze door kunst, om zoo te zeggen, zoo verwerkt, als het meest geschikt was voor het doel, dat de menschen er zich mede voorstelden, en van Engeland uit, worden voortdurend eene menigte dier veranderde rassen, over ons geheel vasteland verspreid.

Van even grooten invloed zijn zij op onzen, met de landhuishoudkunde nauw samenhangenden tuinbouw geweest. Vóór hen, werd deze kunst hoofdzakelijk door de Italianen en Franschen, dat is, door stadsche volken beoefend, en dien ten gevolge had zij iets stadsch, iets architectonisch. Ik herinner slechts aan de Italiaansche tuin-terrassen, aan de Fransche boom-poorten, loof-pyramiden en bladen-wanden. De Engelschen voerden de natuur in den tuin terug, en bevrijdden de sierlijke gewassen van de pijnbank der tuin-messen en scharen. Een Engelsch landschapschilder Kent was de schepper der moderne tuinbouwkunst. Na hem namen de boomen, de koninklijke eiken, de majestueuse linden en beuken der Engelsche parken, die natuurlijke bevalligheid, die ongekunstelde schoonheid en vrijheid van wasdom aan, die alleen een Engelsche tuinman aan de gewassen te geven of te laten wist, en die met de zeden en de vrije instellingen van dit krachtige volk in zoo groote harmonie staan. De Engelsche smaak in het aanleggen van tuinen heeft zich in den laatsten tijd over geheel Europa uitgebreid, en de Engelschen, wier vaderland op een natuurlijken tuin gelijkt, zijn oorzaak, dat nu ook de vriendelijke natuur met hare licht- en kleurenpracht, met hare Dryaden en Najaden, in onze vroeger zoo sombere steden binnengedrongen is.

Er bestaat in Noordelijk Europa geen land, waarvan het zoo gematigde, om zoo te zeggen neutrale klimaat, voor zoo velerlei soort van planten zoo gunstig is, en waarheen het zoo gemakkelijk valt, de kinderen der Flora uit het afgelegenste Zuiden, naast de planten van het hooge Noorden te plaatsen. Dien ten gevolge—en ook ten gevolge zijner uitgebreide connecties—is Engeland de stapelplaats van alle planten der wereld, en voor ons Europeanen het land van aankomst en doortocht dier planten geworden. Van daar uit worden onze broeikassen gevuld, en er zijn weinige in den laatsten tijd beroemd geworden bloemen, sierplanten of planten van nut, wier verbreidingsgeschiedenis door Europa, ons niet naar de Engelsche tuinen en broeikassen, als tot hare bron, terug voert.—Met de planten zijn ook Engelsche tuiniers, onder wie vooral de Schotsche uitmunten, de wereld doorgetrokken. Men treft ze tot in de verste deelen van Rusland en Amerika aan, en zelfs bij ons staan zij dikwijls aan het hoofd van tuinbouw en bloemkweekerij.

Eene zoo eminente natie als de Engelschen, die door haar vast karakter, hare macht, haren rijkdom, hare literatuur geheel Europa ontzag inboezemde, moest ten slotte ook wel in andere minder wezenlijke zaken geacht en nagevolgd worden, en zoo kwamen langzamerhand niet alleen hare taal, hare dichtwerken, maar ook hare kleeding en keuken bij ons in de mode, en in beiden is haar invloed een zeer weldadige geweest.

Even als bij andere zaken, zoo hebben de Engelsche ook bij hunne kleeding altijd het doelmatige en tevens het nette voor oogen gehad. Van oudsher zijn hunne nationale-kleederdrachten minder sierlijk en prachtig, dan wel gemakkelijk en met het menschelijk lichaam overeenkomende geweest. Hunne gemakkelijke overjassen, hunne wijde, breedschouderige wandeljassen van solide stoffen, die wij bijna algemeen aannamen, hebben ons ten deele uit de ketenen der engsluitende Fransche kleeding bevrijd.

Er zijn volken in Europa, die in het geheel geen of slechts een geringen invloed op de kleedij der bewoners van ons werelddeel gehad hebben, zooals bijvoorbeeld de Duitschers, die nooit recht wisten, hoe zij zich kleeden wilden of moesten. De Engelschen hebben na de Franschen den meesten invloed op modezaken. Wij dragen verscheidene kleedingstukken, die, zooals de “Macintosh,” het “Spencer,” hunne namen aan Engelsche individuën ontleenden, die ze het eerst in zwang brachten.

Denzelfden geest, hetzelfde streven naar het natuurlijke, naar het substantieele en voedzame, die uit het wezen der Engelschen overal tot ons spreken, ontmoeten wij ook in hunne keuken. Hier, even als in de inspiratiën hunner Muzen, verwaarloozen zij den smaakvollen vorm, maar letten zij des te meer op kracht van stof en goede hoedanigheid van het voedingsmiddel.

De producten hunner kookkunst hebben geheel het solide en krachtige, soms eenigzins kolossale, dat ook de scheppingen hunner bouwkunst en men kan zeggen alle openbaringen van hunnen geest eigen is. Hunne vleeschspijzen, die zij, om er maar weinig van de natuurlijke kracht aan te onttrekken maar zeer kort aan den verterenden invloed van het vuur blootstellen, is een soort heroën-kost, hun drank, bij voorbeeld het porter-bier, is een vloeibaar voedsel.

In nieuweren tijd is ook van deze kracht en natuurlijkheid der Engelsche kookkunst veel in onze keukens overgegaan, en misschien zou het voor ons zeer heilzaam wezen, wanneer wij (met eenige beperking) nog meer aan dien invloed toegaven.

Met deze opmerking ben ik dus, in eene vluchtige schets van den Engelschen nationalen-geest, tot het laagste departement hunner nationale huishouding, in keuken en kelder afgedaald. En ofschoon ik den lezer nog door talrijke andere afdeelingen van een zoo uitvoerig labyrinth, als het wezen van een onzer grootste ontwikkelde volken aanbiedt, zou kunnen voeren, wil ik hiermede besluiten, en door een achterdeur van dit souterrain, eene verdere uitweiding van dit onuitputtelijk thema trachten te ontkomen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings