← Table of contents
Geschiedenis der Europeesche Volken

De Engelschen en hunne eilanden.

Reading edition

De beide groote, rijk bedeelde eilanden met hunne kleine naburige eilanden, die wij onder den naam Groot-Brittanje en Ierland samenvatten, zijn het centraal-lichaam van ons vasteland, als een lang uitstekende arm, op dezelfde wijze in Noord-Westelijke richting bijgevoegd, als het Italiaansche schiereiland in Zuid-Oostelijke richting.—Het is een der schoonste landen, die de natuur den Europeanen tot woonplaats gegeven heeft. De voordeelen van een gematigd klimaat, van een dankbaren bodem, en een overal openstaan voor de zee, dat men als iets kenmerkends voor geheel Europa, in tegenstelling met de andere werelddeelen aangemerkt heeft, bezit Groot-Brittanje in vergelijking met het overig Europa in hooge mate.

Schotland
Schotland

Schotland

Men zou zijne natuur eene bij uitstek Europeesche kunnen noemen. De eilanden liggen midden in de zachte aanademing der uit de tropische gewesten terugkeerende Zuid-Westen winden, even als ook midden in de branding van de deze winden vergezellende groote zeestrooming, die wij golfstroom noemen en die, Zuidelijke vruchten en verwarmde lucht met zich voerende, zich aan de kusten van Schotland en Ierland verdeelt.—Deze wind- en zeestrooming ontnemen zoowel aan den winter als aan den zomer, hunne onaangename zijde, en zijn oorzaak, dat bijna het geheele jaar door een klimaat heerscht, dat noch door te drukkende hitte verslapt, noch door te scherpe koude verstijft, en dat de geheele oppervlakte des lands, met een altijd bevochtigd, altijd frisch en altijd groen planten-tapijt bedekt doet schijnen.—Tacitus heeft met een paar woorden, het klimaat van Engeland zeer treffend geschetst. Hij zegt er van, dat zijn wezen is: “vroeg ontkiemen, laat rijpen.” Het schijnt, dat Tacitus daarmede tegelijkertijd, op fijne profetische wijze, ook den geheelen geest van de nationaliteit had willen aangeven, die zich in den loop der tijden op deze koele eilanden ontwikkelde.

De oppervlakte van den bodem is overal matig boven het niveau der zee verheven. Zij zinkt noch zoo diep, dat de mensch zich, als in Nederland, door een langdurigen strijd met de elementen, woonplaatsen moest verwerven, noch verheft zij zich zoo hoog in de ruwe luchtlagen, dat, zooals in Skandinavië, door sneeuw en gletschers, aan geheele aanzienlijke gedeelten des lands alle bewoonbaarheid ontnomen werd. Ook hebben hier (gedeeltelijk om dezelfde redenen) nooit zulke uitgestrekte moerassen als in Polen, zulke dichte bosschen van naald-boomen, zulke groote woeste zandvlakten als in Noordelijk-Duitschland bestaan. Alles is van nature om zoo te zeggen, met een evenredigen en netten snit bewerkt. De bosschen, meestal vriendelijk loofhout zijn, liefelijk tusschen de van nature bestaande weiden verstrooid; vruchtbare landstreken zijn overal rijkelijk verspreid. Wel treft men, bij wijze van uitzondering, hier en daar een naakten rotsbodem of een onbegaanbaar turfveen, of een melancholiek en dor heideveld aan, maar nergens vindt men zulke groote, dorre vlakten, als b.v. op de plateau’s van Spanje, nergens zulke treurige, woeste, eindelooze rotslabyrinthen als in het Illyrisch-Grieksche schiereiland. Zeer spoedig daalt men, zelfs in Schotland, van den smallen rug van het onhuiselijk bergland, weder in den boezem der vriendelijkste dalen neder.

Ook de rivieren van Groot-Brittanje bezitten dit uitnoodigende, vriendelijke, alles behalve Titansche karakter. Zij gaan bijna nergens in wilde en woeste watervallen over. Veeleer hebben zij nagenoeg allen een zeer kalmen loop, zonder te groote snelheid, wel zonder schilderachtige en hoog-romantische oevers, maar ook zonder rotsige ondiepten, die door de schippers zoo gevreesd worden. Ook voeren zij niet zooveel van de bergen afgerolde steenen en zand met zich, en vormen daarom ook nergens zulke onherbergzame steenvelden, als b.v. de Alpenstroomen van Beieren, of zooals de Rhône aan hare monding. Zij zijn redelijk diep ingesnedene en liefelijk kronkelende natuurlijke kanalen, die (bijna altijd tot aan den rand gevuld) de weiden en beemden doorstroomen. In den zomer droogen zij nooit zoo geheel uit als de berg-stroomen van Italië, en in den winter en het voorjaar zijn zij nooit zoo bovenmatig gezwollen, zoo gevaarlijk en verwoestend, als de groote stroomen van verscheidene andere landen van Europa.—Zij doorstroomen in één woord het lichaam des lands, zonder bijzonder hevige opbruisingen en toch met een meestal vollen ader, even als het bloed in het organisme der koudbloedige schepselen. Zij zijn allen in hooge mate bevaarbaar, en de meesten vereenigen zich met den Oceaan, op eene den handel zeer voordeelige wijze. De zee komt de rivieren tegemoet, dringt overal met diepe, havenachtige bochten het land binnen, en neemt daar in den kalmen boezem, de binnenwateren en de schepen gemakkelijk in zich op.

Tweemaal daags stort de zilte vloed de boezems, mondingen en kanalen binnen, zuivert deze en komt hunne verzanding en verslikking voor. Er is geen tweede land in Europa, dat door het water der zee, zoo van alle kanten tot in zijn hart toe, doorspoeld en verfrischt wordt, als Groot-Brittanje. De geringe hoogte zijner bergen, de vele dalen, insnijdingen en verzakkingen, die geheel anders dan b.v. in het door eene enkele steile, hooge rotsmuur, verdeelde schiereiland Italië, van oceaan tot oceaan het land in de breedte doorloopen, hebben het maken van kanalen en wegen in alle richtingen mogelijk gemaakt.

De natuurlijke producten van het land zijn niet zulke schitterende zaken, dat zij de hebzucht of de phantasie der menschen in den regel bijzonder opwekken. Albion, dat weinig of in het geheel geen zilver, of goud bezit, heeft nooit, zooals eens Andalusië, de rol van een Europeesch Peru gespeeld. Daarentegen, als men zich eens zoo mag uitdrukken, munten al zijne producten uit door nuttigheid en bruikbaarheid. Het bezit een grooten overvloed van ijzer, lood, koper en andere mineralen, die de industrie bij voorkeur noodig heeft. Het is zeer rijk aan tin en werd daardoor het eerst met de beschaafde wereld in verbinding gebracht. Steenkolen noemt het zijne “zwarte diamanten.” De Europeesche weidekruiden en graansoorten groeien voortreffelijk tot in de verst afgelegene punten der eilanden.

Even als zijne mineraliën en planten, hebben ook zijne dieren over het algemeen weinig treffends. Van oudsher heeft het weinig wild, geene kostbare pelsdieren, zooals Skandinavië en Rusland, gehad: Nu moet het zelfs de vossen voor zijne jacht aankweeken of uit het overig Europa aanvoeren. Daarentegen is het van oudsher beroemd geweest, door de voortreffelijkheid zijner runderen, paarden en schapen, en in nieuweren tijd heeft het deze den landbouw dienstige dieren, in grootere volkomenheid en meerder verschil van soorten aangekweekt, dan eenig ander land ter wereld. In de richting van het Europeesche vasteland, in het Zuid-Oosten heeft het zijne fraaiste weiden en bouwlanden, zijne grootste en bevalligste vlakten en het zachtste klimaat. In Westelijke en Noord-Westelijke richting, dus gekeerd naar den grooten Oceaan, bevindt zich alles wat het aan gebergten, rotspartijen en woestenijen bezit.

Het lijdt wel geen twijfel, of een zoo gevormd eiland moest, als het eens ontdekt was—en zijne ontdekking was zeer gemakkelijk—alras en spoedig bevolkt worden, en dus moet het begin van de geschiedenis van de Britsche bevolking in het duister der voortijden gezocht worden. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk, dat de eersten die het land binnentrokken er droogvoets binnen marcheerden. Het hoofd-lichaam van Groot-Brittanje is namelijk nu op ééne plaats (tusschen Dover en Calais) slechts weinige mijlen van het vasteland verwijderd. De geringe diepte der zee op die plaats, de gelijkheid in geologischen bouw der tegenover elkander liggende kusten en andere omstandigheden, maken het bijna zeker, dat beide landen hier eens, door een vasteland-brug, verbonden waren.

Het is zelfs waarschijnlijk dat deze brug, even als de landengte tusschen Spanje en Afrika in de straat van Gibraltar, in eene betrekkelijk late periode, misschien eerst, nadat reeds dier- en menschengeslachten van het vastland er over heen getrokken waren, door de zee weggespoeld werd. Maar ook, als dit niet het geval geweest is, dan nog ligt de geheele kustzoom van Zuidelijk Engeland langs “het kanaal” zoo dicht bij het vasteland van Europa, dat zijn wit en groen schijnende rand, zonder moeite van uit Frankrijk en Nederland gezien, ontdekt en zelfs door een barbaarsch volk bereikt kon worden. Daar het in het Oosten door eene grootere zee (de Noordzee) en in het Noorden en Westen door den onmetelijken Oceaan begrensd wordt, zoo is het bijna aan geen twijfel onderhevig, of de vroegste bevolking is in massa uit het Zuiden, uit de naburige streken van Gallië en de Nederlanden gekomen.

Hier, waar Groot-Brittanje het dichtst het vaste land nadert, is het einde eener lijn, die in het Rijndal het Noord-Oostelijk van het Zuid-Westelijk Europa scheidt. Dit was van oudsher eene grens- en scheidingslijn van vijandelijke bevolkingen. In de alleroudste duistere tijden hebben hier waarschijnlijk de Finsche stammen, de oorspronkelijke bevolking van het Noord-Oosten, en de Iberische volkeren, de oorspronkelijke bewoners van het Zuid-Westen, als naburen, nevens elkander gewoond. Later, in historischen tijd, stonden hier Celten en Germanen, Romeinen en Duitschers tegen elkander over.

Groot-Brittanje, dat in de voortzetting dezer strijd-linie, als aan de monding dezer volken-bewegingen en wrijvingen lag, zal dus weldra in dien maalstroom zijn getrokken en van den beginne af, even als de andere langs deze linie opgestelde gemengde gebieden (België, Lotharingen, Helvetië) zijne bevolking van twee kanten ontvangen hebben. Misschien ontving het oorspronkelijk reeds even als Skandinavië Finsche stammen, tegelijk misschien ook, als Spanje en Frankrijk, Iberiërs.

Reeds Tacitus heeft opgemerkt, dat de bevolking van Groot-Brittanje in het Zuiden en Westen, iets Iberisch heeft, en het is overbekend, dat over de Biskaïsche zee ook steeds (reeds sedert de tijden der Pheniciërs) tamelijk intieme betrekkingen tusschen dit gedeelte van Groot-Brittanje en het Iberische schiereiland bestonden. Ierland heeft veel betrekkingen met Spanje gehad. Ptolomaeus beschrijft dit eiland als “tegenover de Spaansche kusten liggende.” Van de visschers aan hunne Westkust beweert men nog heden, dat zij van Spanjaarden afstammen.

Dat echter in menige streek van Engeland, Finsche stammen de primitieve bevolking uitmaakten, is door de nieuwere kranioskopische onderzoekingen zeer waarschijnlijk geworden. De schedels uit de oudste grafsteden van Engeland toonen het Finsche of Mongoolsche type, dat eerst in latere graven geheel verdwijnt.

Toen de woeste Celten, die de Iberiërs volgden, naar Europa kwamen en de nabijgelegen Fransche kusten bezetten, toen moesten zij ook weldra het smalle kanaal oversteken en het groene eiland overstroomen, en al wat reeds voor hen aan Finsche of Iberische bewoners aanwezig mocht geweest zijn, verdringen, vernietigen en verdrijven.

In hoofdzaak kwamen naar Engeland, even als naar Frankrijk, twee verschillende groote Celtische stammen. Ten eerste de zoogenaamde “Gaelische” of “Gadhelische” Celten, en vervolgens na hen als hunne veroveraars en onderdrukkers de “Kymrische” of “Britsche” Celten, die hen uit het vlakke Oosten van het land naar de Westelijke bergen en eilanden verdreven. Tot de “Gaelische” Celten behooren de tegenwoordige Ieren en de Hoog-Schotten, tot de “Kymrische of Britsche,” de bewoners van Wales en Cornwallis. Daar de Britten, toen de Romeinen aankwamen, in geheel Engeland de bovenhand hadden, zoo kreeg het land naar hen den naam “Brittania.” Zij worden als een naar lichaam en geest boven de andere Celten uitmuntend volk geschilderd. Hunne druïden moeten in dien tijd zoo beroemd geweest zijn en zoo hoog in aanzien gestaan hebben, dat jongelieden uit Gallië naar Brittanje reisden, om te studeeren.

Even als in geheel midden-Europa, voornamelijk langs genoemde Rijn-linie, zoo kwamen de Celten vermoedelijk ook reeds spoedig in Groot-Brittanje, dat zooals reeds gezegd is het hoofd dezer linie vormt, met de na hen Europa binnentrekkende Germanen in botsing. Met Kymrische Celten vermengd, stonden de Germanen reeds lang voor de tijden der Romeinen, in België even nabij het Britsche eiland, als de Galliërs zelven. Ook bewoonden zij reeds lang de oevers der niet zeer breede Noord-Zee, die gemakkelijk overgevaren kon worden. De Romeinsche schrijvers (ten tijde voor Christus geboorte), beweren ook vrij stellig, dat niet alleen in Zuidelijk en Westelijk Engeland onder de Celten “Belgen,” dat wil zeggen met Germanen vermengde Celten, maar ook in Schotland menschen met blauwe oogen en blond haar, met Germaansche zeden en gewoonten gewoond hebben.—Daaruit, en uit andere omstandigheden, wordt het dus vrij waarschijnlijk, dat reeds lang vòòr de Romeinen, van Nederland, Jutland en Skandinavië, Germanen te scheep naar Engeland gekomen zijn, en dat wij het begin van dat merkwaardige vermengings-proces, waaruit de tegenwoordige Engelschen onstaan zijn, ver vòòr de aankomst der zoogenaamde Anglo-Saksers in de 4de eeuw na Christus geboorte moeten dagteekenen. Zeker had daarbij aanvankelijk het Celtische element nog de bovenhand, even als later het Germaansche.

Even als de Celten, zoo staken ook de Romeinen van Gallië uit (onder Cesar) het Kanaal over. Zij onderzochten, veroverden en bebouwden in het verloop van 300 jaren, een groot deel van het eiland-rijk, en voeren het tot zijne uiterste uiteinden om. Daar zij echter dit afgelegene land, deels later bereikten dan de andere streken van Europa, deels ten gevolge van het verval van hun rijk, weder vroeger verlaten moesten, zoo hebben zij daar niet zulke diepe en onuitwischbare sporen hunner aanwezigheid achtergelaten, als elders.—Zij hebben in Engeland verscheidene fraaie steden gebouwd, Londen, York, Chester en andere, die gedeeltelijk nu nog voorzien zijn van de door de Romeinen opgetrokkene muren, en nog dezelfde, slechts eenigzins veranderde, namen dragen. Zij hebben wegen en verschansingen, dwars door het geheele land heen, aangelegd, en hebben uit de Britten meermalen rekruten getrokken, die zij in hunne Britsche legioenen inlijfden en somwijlen buitenslands voerden. Ook is daarbij Romeinsche taal, zeden en beschaving, en ten laatste ook het Christendom, in de Zuid-Oostelijke vlakke streken van Engeland onder de Celtische grond-bevolking verbreid geworden.—Niettemin is dit alles echter niet zoover gegaan, dat daaruit, zooals in Spanje, Frankrijk of in de landen der Walen in België, en der Walachyers aan den Donau, een geromaniseerd volk met romaansche taal ontstaan zou zijn. Verreweg de meeste nu nog waar te nemen Romaansche elementen, die het volk en de taal van Engeland ontvingen, zijn hun niet door de Romeinen zelven, maar eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen toegevoerd geworden.

De Romeinen lieten, toen zij het land ruimden, de ras-verhouding er tamelijk even zoo achter als zij die bij hunne aankomst gevonden hadden. In het door hen nooit veroverde Ierland, in Wales en de grootste helft van Schotland, hebben zij de Celtische nationaliteit ter nauwemood aangeroerd, en zelfs in Engeland kon het vertrek der Romeinen niet plaats grijpen, zonder vergezeld te worden door opstanden en een weder opkomen der nu bevrijde Celtische grondbevolking. Niet de Romeinen, die zoovele Zuidelijker volken hun stempel voor eeuwige tijden opdrukten, maar hunne doodsvijanden, de Germaansche barbaren, die anders in zoovele der door hen veroverde landen weder verloren gegaan zijn, waren bestemd, aan de bewoners van Albion, hunne, tot op onze dagen geblevene physionomie te geven.

Gedurende de, op de Romeinsche heerschappij volgende “volksverhuizing”, toen alle stammen van het groote Germanen-volk, naar verschillende streken West- en Zuidwaarts trokken, kwamen ook de in het Noord-Westelijke punt en aan de uiteinden van het oude Germanië wonende Jüten, Angeln en Saksers in beweging en wilden hun aandeel hebben aan de overblijfselen van het samenstortende wereldrijk. Eerst zeilden zij, op goed geluk af, slechts met weinige schepen, onder aanvoering van hunne door de sage dus genaamde aanvoerders Hengist en Horsa, over de zee. Vervolgens kwamen zij, daartoe uitgenoodigd door de Britten, die door onderlinge tweedracht en oorlogen in het nauw gebracht waren, en ook op eigen aandrang meermalen en met meer manschappen terug.—Zoo verzamelde zich ten slotte in de geheele naar Duitschland gerichte Oostelijke helft van Groot-Brittanje, eene talrijke Duitsche bevolking, waartoe intusschen de eerste grondslag, zooals ik boven zeide, waarschijnlijk reeds in vroegeren tijd gelegd was.

In den bloedigen strijd, dien de Duitsche kolonisten met de Celtische inboorlingen begonnen, behielden gene overal de overhand. Het eene gedeelte van Engeland vóór, het andere nà, werd naar Duitsche wet, in een Saksisch, Anglisch of Jütisch Koningrijk veranderd, en daarbij verdween een groot gedeelte der Celtische grondbevolking. Op hunne overblijfselen ontstond een ander volk. Onder alle vreemde landen, die de Germanen met de “volksverhuizing” binnentrokken, is Engeland het eenige, waarin hun de schepping eener nieuwe en voor alle tijden blijvende nationaliteit, in groote mate gelukt is. In Frankrijk, even als in Spanje, in Lombardije, in het Grieksche schiereiland en in Afrika, hebben zij wel langer of korter durende heerschappijen gesticht, maar deze zijn in de grond-bevolking weder opgegaan. Overal is daar het Romaansche, of Celtische of Thracische element, onder hunne voeten weder uit den grond opgekomen en heeft het Germaansche element weder verdrongen.—Dat het in Engeland anders was, mag men gedeeltelijk uit de eigenaardigheden der hier op elkander stootende nationaliteiten, gedeeltelijk uit andere omstandigheden verklaren. In Italië, Spanje en Afrika, was het warme klimaat den kinderen van het Noorden van oudsher zeer verderfelijk. In Engeland bevonden zij zich, om zoo te zeggen, op hun eigen breedtegraad, en als wij ook al niet gelooven kunnen, dat de Angel-Saksers in veel grooter getal over de zee kwamen, dan de Gothen over de Alpen en Pyreneën, of de Franken over den Rijn, zoo kon zich hun aantal in het met hun vaderland zoo overeenkomende land toch beter handhaven en vermeerderen.—De hoofdzaak echter lag wel in het verschil der ontwikkelings-toestanden, die de Germanen in de verschillende landen aantroffen. In Italië, in Frankrijk enz. stieten zij op eene dichte bevolking van hoog beschaafde maar ontzenuwde Romeinen, die zich gemakkelijker en in massa onderwierpen. Daar werden de barbaren door de beschaving hunner talrijke onderdanen aangestoken en overvleugeld. Zij namen sneller hunne buigzame zeden, en wat het wezenlijkste was, hunne ontwikkelde taal aan.—In Groot-Brittanje daarentegen was, zooals gezegd is, de Celtische grondbevolking nooit in hooge mate gebroken en geromaniseerd geworden. Verscheidene gedeelten van het land hadden de Romeinen in het geheel niet volkomen veroverd of gekoloniseerd. De Britten boden, nadat zij zich van de Romeinen bevrijd hadden, den nieuwen indringers nieuwen wederstand op leven en dood. Na een enkelen verloren slag, gaven zij het land niet zoo maar op, als de Italianen en Galliërs. Zij weken slechts voet voor voet. De veroveringsoorlog was langduriger, schier eindeloos, en dien ten gevolge verwoestender en verdelgender. Er ontbrandde een rashaat, die nog heden ten dage in de harten der Celtische volksoverblijfselen in Engeland tegen de “Saksers” gloeit, en die zich zoo onverzoenlijk in de Franken- en Gothenlanden niet getoond heeft.

Als men den oorlog der Saksers tegen de Britten een bloedigen verdelgingsoorlog noemt, dan moet men dit waarschijnlijk zoo verstaan, dat zij het zeker wel in hooge mate geweest is, maar dat daarbij toch altijd nog eene menigte oud-Britsche of Celtische elementen onder de Saksers bleven bestaan, die met hen samensmeltende er veel toe bij brachten, om het Saksische wezen, karakter, ras, taal, van den beginne af te wijzigen, en het eigenaardige product, dat wij in de tegenwoordige Engelschen voor ons zien, hielpen voorbereiden.

De toestand van halve beschaving, waarin wij de Saksers, spoedig na hunne verovering in Engeland zien, en waardoor zij uitmuntten boven hunne oude vaderen en broeders in Duitschland, die Karel de Groote 300 jaren later nog als geheel heidensche barbaren aantrof; deze toestand alleen zou reeds voldoende zijn om dit te bewijzen. Zij ontvingen uit de handen hunner Britsche tegenstanders het Christendom. Zij trokken daar, zoo al niet vele, toch eenige der door de Romeinen gebouwde en goed georganiseerde steden binnen, zooals zij in hun vaderland nog nooit bezeten hadden. Ook was het geheele land in den regel beter ontwikkeld dan hun vaderland. De rest der Britten, die zij na hun bloedbad genade geschonken hadden, leefde op de akkers en in die steden voort, al ware het dan ook in dienstbaarheid, en bij eene langzamerhand plaatshebbende vrijwording, versmolt zij met de Saksers, en gaf aan de nationaliteit van dezen eene van de oude Britten uitgaande tint.

Dat deze terugwerking niet zoo geheel zwak moet geweest zijn, laat zich onder anderen uit eene opmerking opmaken, die van een geleerd Engelschman en van den beroemdsten Europeeschen taalkenner, den grooten Mezzofanti, afkomstig is. Deze beide heeren houden zich overtuigd, dat zekere merkwaardige onregelmatigheden in de uitspraak, die het Engelsch in zoo hooge mate van alle andere Europeesche talen onderscheidt, eene eigenaardigheid der Celtische of oud-Britsche taal is, en dat die uitspraak der Engelschen dus niet van Duitschland herkomstig, maar door de oorspronkelijke bewoners van het land hun eigen geworden is. Verscheidene voor de Duitschers moeielijk uit te spreken woorden, hebben de Engelschen met de Celtische Britten gemeen. Ook spreken de hedendaagsche Celtische inwoners van Wales, het Fransch of andere vreemde talen met hetzelfde accent en denzelfden toon als de Engelschen. Het schijnt dien ten gevolge, dat de tegenwoordige Engelschen eene taal spreken, die van die der Celtische Britten verschilt, maar dat zij dezelfde uitspraak, denzelfden “timbre” hebben als deze. Men meent Celten te hooren, die wel Duitsch (Anglo-Saksisch) spreken, maar het met de hun eigene tong, gehemelte en lippen voordragen, en die niemand, wien deze organen niet aangeboren zijn, hen zoo kan naspreken. Zij hebben zich, om zoo te zeggen, dus de spreekwerktuigen der oude Britten eigen gemaakt. Men begrijpt gemakkelijk, dat zoo iets niet geschieden kon, zonder dat aan het Anglo-Saksische ras, eene aanzienlijke hoeveelheid van het inheemsche bloed medegedeeld werd.

Waarschijnlijk zouden wij, even als in de uitspraak der taal en in de spraakwerktuigen, ook in den overigen lichaamsbouw, in de physionomie en in het karakter der hedendaagsche Engelschen, nog veel oorspronkelijk Celtisch kunnen aanwijzen, wanneer de oude Britten in der tijd reeds door physiologen en phrenologen scherp waargenomen en door goede schilders geportretteerd waren geworden. In stede van een zoodanig ons ontbrekend schilderij, kunnen ons echter eenige gezegden van oude schrijvers van dienst zijn.—In een tijd, toen nog geene “Anglo-Saksers” naar Engeland gekomen waren, vervaardigde de Romein Martialis een epigram op eene schoone Britsche dame Claudia Rufina, die hij bij deze gelegenheid ook “blauwoogig” noemt. Men meent in zijne schildering eene Engelsche schoone van onzen tijd te herkennen. Ook Seneca noemt de Britten blauwoogig. En de Griek Strabo deelt mede, dat hij in Rome jonge lieden uit Brittanje gezien heeft, die zoo lang en slank van lichaamsbouw waren, dat zij wel een halve voet grooter waren dan de grootste Romein. Hun geheele lichaamsvorm, en hunne lange armen en beenen zijn niet fraai gevormd geweest. Daarnaar te oordeelen schijnt het, dat zij het zelfde slag van menschen geweest zijn, waarvan Keizer Frederik II, die met eene Engelsche Prinses gehuwd was, een duizendtal jaren later zong: “zij zijn van zuiver bloed geboren: hunne handen zijn wit, hunne vingers lang.” De eigenaardige groote lichaamsgestalte, de lange ledematen, de blauwe oogen en blonde haren, zijn dus wel niet eerst met de Saksers naar Engeland gekomen. Veeleer onderscheidden zich daarin, naar het schijnt, de oude reeds met vroeger het land binnengetrokkene Germanen vermengde Britten, van de overige Celten. “En dien ten gevolge,” zegt een geleerd Engelschman terecht, “is menigeen onder ons, die zich voor een afstammeling der Saksers houdt, inderdaad minstens voor de helft, niets dan een spruit der oude Celtische Britten.” Ook vele zeden en gebruiken der hedendaagsche Engelschen zijn nog van het oude Celtendom afkomstig, b.v. de vereering der op oude eiken groeiende, bij de oude Druïden heilige, misteltakken, en de daarop betrekking hebbende bijgeloovige gebruiken en spelen. Naar dit alles kunnen wij het dan ook onder anderen aanwijzen, hoe, trots de hun aangeborene vijandschap met de Celten, het oude Britsche patriotisme nog heden somwijlen onder de Engelschen te voorschijn komt, hoe zij zich niet zelden met hunne Celtische voorgangers identificeeren, en zich b.v. in hunne volksliederen dikwijls met voorliefde niet “Saksers”, maar “Britten” noemen: “Britons never will be slaves”—of “Rule Britannia, rule the waves” wat zij even dikwijls in den mond hebben, als hun “Old England for ever.”

Ook in hunne taal namen de Anglo-Saksers veel Celtisch op. Zoo behielden zij onder anderen bijna al de oude Celtische uitdrukkingen voor plaatsnamen, namen van steden, rivieren, bergen, velden en bosschen. De aardrijkskunde van Groot-Brittanje bleef grootendeels Celtisch, evenals bijna de geheele geographie van Spanje tot op den huidigen dag Iberisch gebleven is. Nog heden ten dage noemen de Engelschen hunne Cheviot-heuvels, hunne Pennigants-toppen meest met Celtische namen. Ook hunne rivieren “Theems”, “Severn”, “Trente”, “Ouse” hebben oude Celtische namen, die zoowel de Romeinsche en Anglo-Saksische, als alle latere veroveringen en omwentelingen van het land, overleefd hebben. Gelijken oorsprong hebben de namen van vele hunner steden en graafschappen: Canterbury, Devon, Cambridge, Kent en vele anderen. Zij verschijnen op de Romeinsche landkaarten slechts met Romeinsche eindsyllaben, en op de Anglo-Saksische slechts met Duitsche stembuiging.

Eindelijk is ook een niet onbeduidend gedeelte van het Celtische volk, zelfs tot op onzen tijd, op het eiland blijven bestaan. Uiterst langzaam, stuksgewijze—ieder eeuw om zoo te zeggen een stukje—zijn de oude Celtische stammen in den Anglo-Saksischen smeltkroes gevallen. Lang nog bleven zij in het Noorden (in “Cambria” of “Cumberland”) onafhankelijk, langer nog in het Zuid-Westelijk uiteinde van “Cornwallis”, en het langst weerstonden zij de Saksers in het voor een gedeelte van de zee geïsoleerde en door bergen doorsneden Wales.

De Celtische Kimren of Britten in Wales, waarmede de strijd voor anderhalf duizend jaren begon, hadden nog tot de 13de eeuw hun eigene Vorsten, hun zelfstandig leven. Eerst in het jaar 1284 onder Koning Eduard I, werden zij eene Engelsche provincie. Maar ook onder Engelsche opperheerschappij en na den ondergang hunner politieke zelfstandigheid, hield het Celtische ras van Wales noch op te bestaan, noch ook op de beschaving van Engeland, ja van geheel Europa in te werken. Hun langdurige, heldhaftige strijd tegen de Anglo-Saksers, schijnt in het overig Europa deelneming en bewondering, en daardoor ook hunne poëzie en traditiën navolging gevonden te hebben. Wales was de zetel der sage van dien heldhaftigen Koning Arthur en zijne mythische tafelronde, en deze sage, die zich ver verspreidde, werd de bron van tallooze verhalen, heldendichten, balladen en romances in Engeland, Frankrijk, Duitschland enz. Al de beroemde, bij ons zoo populaire namen der Koningin Génevra, van Percival, Lancelot, Titurel, Lohengrin, Tristan en Isolde, zijn Celtische namen van helden, die het wegstervende Wales aan onze phantasie overgeleverd heeft.

In het Noorden (in Cambrië) en in het Zuid-Westelijke uiteinde (in Cornwallis) heeft het Celtisch een sneller en een nu volledig einde genomen. In Cornwallis is het in het jaar 1778, onder de regeering van Koning George III, met eene, nog Cornisch sprekende, in haar 102de jaar gestorvene vrouw, ten grave gedaald.

De nieuwe Anglo-Saksische en de oude Britsche nationaliteit hadden bijna 400 jaren lang, zonder van buiten eenige stoornis van gewicht te ontvangen, het proces van hun wederzijdsche strijd en samensmelting voortgezet; toen, tegen het einde der 8ste eeuw, uit het Noord-Oosten eene nieuwe volksoverstrooming, het land en zijne beide vijandig tegen elkander overstaande volksstammen, kwam bestormen. De laat in beweging gekomene Noordsche Germanen uit Denemarken en Skandinavië scheepten zich, even als eens de Duitschers uit het land der Saksers, naar het Zuiden in, om het toen overal in tweedracht verkeerende Europa te plagen.—Zij vonden Groot-Brittanje op hunnen weg, dat als een Zuidelijk gelegen naburig land hunne roof- en veroveringszucht bijzonder opwekte.

Daar zij zich hoofdzakelijk, en meer dan ooit eenig Europeesch volk voor hen, op den Oceaan versterkten, zoo grepen zij het overal door de zee omgevene Groot-Brittanje, dat zij van iedere zijde konden aanvallen, om zoo te zeggen aan alle kanten aan. Het werd gedurende meer dan 200 jaren het voornaamste doel van de rooftochten der Deensche en Noorweegsche Zee-Koningen of Wikinge, en toen vervolgens deze avonturiers zich in hun eigen vaderland, aan de opperheerschappij van een algemeenen Koning onderwierpen, werd zelfs Engeland tijdelijk eene provincie van het Skandinavische rijk der groote Koningen Sven en Kanuth.

De Anglo-Saksers waren bij het verschijnen der Deensche Zee-Koningen reeds niet meer de ouden. Zij waren, door de beschaving en door de volheid van levensgenot, die hun deel was geworden, verweekelijkt. De roofzuchtige, op buit beluste, heidensche mannen uit het Noorden, vielen met nog onvermengde Germaansche kracht, als wolven op hen aan, en nu ontstond er tusschen de beide verwante rassen een dergelijke langdurige strijd, als vroeger tusschen de Anglo-Saksers en de Celten.

Dat het resultaat van dezen nieuwen volkenstrijd intusschen niet gelijk was aan dat van den vroegeren, dat daarbij geen oud ras geheel veranderd, dat Groot-Brittanje nu niet in dezelfde mate geskandinaviseerd werd, als het vroeger Anglo-Saksisch geworden was, dat het in wezen ook voor vervolg van tijd Anglo-Saksisch gebleven is, laat zich gemakkelijk uit de volgende omstandigheden verklaren: ten eerste hadden de zeevarende Skandinaviërs den geheelen Oceaan tot veld hunner werkzaamheid. Zooals reeds gezegd is, bepaalden zij zich niet alleen tot Engeland, maar trokken zij ook tot naar de Middellandsche Zee en elders.—Bij de geringe bevolking van hun vaderland zullen zij, voor een enkel land hunner groote roof-domeinen, niet veel krachten beschikbaar hebben gehad. De Anglo-Saksers hadden in hunnen tijd niet verder dan Engeland kunnen komen, omdat toen de overige wereld reeds door andere sterke broeder-barbaren weggenomen was. Hunne oogen waren dus uitsluitend op Engeland, als op een nieuw vaderland gevestigd gebleven, en dat land had hen in eene compacte massa bijeen gehouden. Tijdens den inval der Denen maakten zij reeds een talrijk volk uit.

Het doel der Noordsche Wikinge, bepaalde zich aanvankelijk alleen tot het najagen van allerlei avonturen en het verkrijgen van buit. Even als de Saksers de akkers, zoo beploegden zij alleen den Oceaan. Ingevolge hunne neiging bleven zij bijna overal in de nabijheid der kusten, bij de havens, waar hunne schepen, die den behaalden buit inhielden en wegvoeren konden, ankerden, Zij hebben zich dus ongetwijfeld in vele kuststeden blijvend genesteld, en eenige plaatsen en kleine eilanden van Groot-Brittanje, zelfs geheel met Skandinavische bevolking gevuld.

In het binnenste des lands echter is hunne nationaliteit niet in massa doorgedrongen. Trots hunne barbaarsche en vijandelijke vernielingszucht, en al het wreede wat tusschen Saksers en Denen in Engeland voorgevallen is, werkten beide verwante natiën toch niet geheel afstootend en vernielend op elkander. En waar zij zich slechts aan de Denen onderwierpen, konden de Anglo-Saksers gemakkelijker nevens hen blijven bestaan, dan de zoo geheel verschillende Celten naast de Anglo-Saksers. Beide volken woonden onder den Anglo-Saksischen Alfred en zoo ook onder den Deenschen Kanuth (ten minste in de laatste zegenrijke helft zijner regeering) vreedzaam naast elkander. Daarbij namen de Denen zeker meer van de Saksers aan dan dezen van genen. Want de Anglo-Saksers vormden het, door zijne grootere beschaving, bovendrijvend element. Zij waren meermalen de onderwijzers der woeste Denen in Engeland even als in Duitschland, en deelden hun het Christendom mede.

Toen dus de Noordsche woede uitgeraasd had, toen de Noorwegers en Denen in hun eigen vaderland christenen geworden waren; toen zulke in geestdrift ontstokene Odins-helden, die door een soort fatalitisch Turkengeloof bezield geweest waren, niet meer als in ouden tijd opgevoed werden; toen later de Engelsche natie zich weder verhief, toen toonde zij zich als in wezen Anglo-Saksisch gebleven. Het Skandinavisme was, zonder een zeer overwegenden invloed uit te oefenen, in het wezen der Engelsche nationaliteit opgegaan.—Dit neemt echter niet weg, dat men dien invloed niet te gering mag schatten.

Wat den Engelschen nog tot op den huidigen dag van de Noorwegers en Denen is bijgebleven, laat zich in hoofdzaak in het volgende samentrekken:

In de Noordelijke gedeelten van Engeland, die het meest tegenover Denemarken liggen en die door de Noormannen het meest bezocht zijn, in Northumberland, York, enz., waar zij zich de grootste en meest blijvende bezittingen verwierven, verraadt het volk nog nu vele Skandinavische eigenaardigheden. Het provinciale dialect heeft daar zoowel in zijn woordenschat, als ook in zijne wendingen niet weinig Skandinavische bestanddeelen. Zelfs het orgaan toont zich half Deensch, b.v. in de eigenaardige weeke uitspraak van de zoo karakteristieke “r”. Ook zijn in het Noorden van Engeland steeds meer vrije en zelfstandige landeigenaars en boeren blijven bestaan, die overeenkomst hebben met die in Noorwegen—zelfs tijdens het latere leenwezen van een Willem den Veroveraar.

Daar de Noorwegers en Zweden, ook in het Zuiden van Engeland, als dienstknechten der Anglo-Saksische Koningen, als verwanten der Anglo-Saksische aristokraten, als vluchtelingen en binnendringers, dikwijls eene sporadische verbreiding vonden, en daar zij zelfs, zooals bereids opgemerkt is, eens onder hunne Koningen Kanuth en Sven, het geheele land verscheidene tientallen van jaren beheerschten, zoo heeft zich ook aan geheel Engeland, en aan geheel het Engelsche volk, veel Skandinavisch medegedeeld.

Niet zelden vinden wij op de Engelsche kaarten, even als in de Engelsche woordenboeken, plaatsnamen, die van Noorweegschen en Deenschen oorsprong zijn. Veel ook in de Engelsche uitspraak van Germaansche woorden, schijnt niet Saksisch of Duitsch, maar Skandinavisch te zijn. Zoo b.v. zeggen de Engelschen, niet zooals onze Neder-Saksers, de woorden “uhs” (ons) en “bloht” (bloed) op eene gerekte wijze uit, maar scherp, zooals de Skandinaviërs “oss” en “blodd”.

Verscheidene Skandinavische zeden hebben zich in het Engelsche familie- en huisselijk leven, het burgerrecht weten te verzekeren. Zoo wordt, om onder verscheidene voorbeelden één te kiezen, tijdens de kerstmis, in Engeland even als in Noorwegen het “Yule-blok” aangestoken, en ook de wilde-zwijnskop, die nog op den eersten Kerstdag met kruiden versierd in menige Engelsche huishouding ’s middags wordt opgedragen, moet iets gemeens hebben met het everzwijn der Noordsche Odin-helden in Walhalla.

Of gewichtiger gebruiken, die nu bij de Engelschen geheel inheemsch zijn geworden, en die zij onder de bolwerken hunner politieke vrijheid tellen, b.v. het rechtspreken door gezworenen, door de Skandinaviërs of door de Duitsche Anglo-Saksers het land der Britten binnengebracht zijn, wordt bestreden. Deze vraag wordt door Duitsche onderzoekers—en met recht—geheel anders beantwoord dan door de patriotsche Denen.

Een van de merkwaardigste gevolgen der ondernemingen van de Denen en Noorwegers was, dat zij voor de eerste maal, de uiterste Noordelijke en Westelijke gedeelten der Groot-Brittanje’sche eilandgroep, het oude Caledonië en Erin (Schotland en Ierland), mede in den kring van het Germaansche volkenleven trokken.—De allereerste grondslag tot een gegermaniseerd volk in het Noorden der Britsche eilanden, tot de tegenwoordige Schotten, werd wellicht reeds voor de tijden der Romeinen gelegd. Want, zooals gezegd is, hebben vermoedelijk reeds toen, invallen van Germanen naar Schotland plaats gehad, welke echter van geen beslissenden aard waren. Wezenlijk, bleef Schotland, tot aan de Skandinavische of Deensche Wikinger-tochten na den tijd van Karel den Groote, een Celtisch land. Zijne Celtische grondbevolking, door de Romeinen Caledoniërs genoemd, behoorde even als de oude Ieren tot den Gaelischen stam, en waren dus van de Celtische Britten of Kymren in Engeland en Wales, ofschoon aan hen verwant, zeer verschillend. Even als zijne inwoners, zoo had ook vroeger Schotland, vóór, gedurende en nog langen tijd na de heerschappij der Romeinen, veel met Ierland gemeen en deelde, als een afgelegen bergachtig Noord-Westelijk gebied, zijne lotgevallen. Van daar uit, van Ierland, ontving het zijne tegenwoordige namen. Een stam der Iersche Celten, de Scoten, verwierf zich in de 5de eeuw een groot overwicht over alle andere Celten in Erin, en ook in Caledonië (Schotland), dat het onderwierp. Naar dezen stam, werd zoowel dit land als ook Ierland zelf, gedurende langen tijd “Scotia” (het land der Scoten) genoemd. Later echter verloor zich deze naam in Ierland weder, en bleef voor eeuwige tijden alleen op Schotland rusten. Met deze Scoten ontving Schotland ook zijne oudste beschaving en poëzie uit Ierland. Want het schijnt nu vrij wel uitgemaakt te zijn, dat de oude zoo dikwijls bewonderde, door een Schot aan het licht gebrachte en door hem op vele plaatsen vervalschte Ossian’sche gezangen, oorspronkelijk op Ierschen bodem groeiden, op Iersche omstandigheden en gebeurtenissen betrekking hadden, en eerst van daar naar Schotland overgebracht werden. Insgelijks kregen in de 6de en 7de eeuw de Schotten het Christendom uit Ierland, van waar de zendelingen kwamen om de Caledoniërs te doopen, en op hunne rots-eilanden (Jona en andere) beroemde kloosters, en scholen voor oude monnikengeleerdheid, te stichten.—Door deze verchristelijking werden de Schotten voor het eerst eenigzins beschaafd en ook vereenigd. Want spoedig daarna in de 10de eeuw, schijnt het geheele land onder inlandsche Koningen gestaan te hebben, van welke Koning Duncan en zijn moordenaar en opvolger Macbeth, door nieuwere dichters de meeste bekendheid hebben verkregen.

Misschien zijn ook toen reeds, deels als krijgsgevangenen, deels als vrijwillige gasten, enkele Anglo-Saksers uit Engeland naar Schotland gekomen; in alle geval echter slechts in gering aantal en in ondergeschikte betrekkingen. Eerst toen de Denen Engeland begonnen te plagen, gingen de Anglo-Saksers herhaalde malen in groote massa’s naar Schotland, en verzamelden zij zich voornamelijk in de zoogenaamde Lowlands. Intusschen was bij de Anglo-Saksers het zeewezen niet zoo goed ingericht, dat zij gemakkelijk in al de eilanden en schiereilanden, waaruit Schotland samengesteld is, met eenig gevolg hadden kunnen binnendringen. Alleen de Denen, die op iedere baar een schip hadden, konden hier den ouden strijd tusschen het Celtische en het Germaansche ras, tot aan de uiterste uiteinden van het land voortzetten. Zij omspanden het geheele land der Pikten en Scoten met koloniën. Op de eilanden ten noorden van Schotland, de “Orkneys” en de woeste, zwak bevolkte “Shetlands” roeiden zij de oorspronkelijke Celtische stammen grootendeels uit, en zetten in hunne plaats Skandinavische kolonisten, die echter heden ten dage weder, sedert zij voor 400 jaar met Groot-Brittanje verbonden werden, in meerdere of mindere mate met Engelsche en Schotsche elementen vermengd zijn geworden.

Op den geheelen eilanden-krans, die Schotland ten Westen omgeeft, op de Hebriden, zuidwaarts tot aan het eiland Man, stichtten de Denen eene reeks kleine Koningrijken, die meer of minder lang bestaan hebben. Later verdwenen deze Koningrijken en zelfs de Noorweegsche taal en rassen gedeeltelijk weder. Op de Hebriden heeft, van uit het Schotsche hoogland, het Celtendom weder voet gevat, echter zeer vermengd met het Engelsche element. “Men kan bij deze eilanders dikwijls niet onderscheiden, wat Celtisch, Skandinavisch of Engelsch is.” Zij maken een arm, een ongelukkig leven leidend, volk uit, dat door de Engelsche regeering zeer verwaarloosd wordt, ofschoon het louter menschen van talent en energie zijn, en ofschoon men berekend heeft, dat, onder anderen een dezer Hebridische eilanden, het eiland Skije, dat door nauwelijks 25,000 menschen bewoond wordt, aan het Vereenigde Koningrijk sedert 50 jaren 10,000 man voettroepen, 600 majoors en kapiteins, 48 luitenant-kolonels, 21 generaals, 5 gouverneurs en gouverneurs-generaal van koloniën en verscheidene opper-rechters aan Engeland geleverd heeft. Zelfs is op het meest Zuidelijke van al die eiland-groepen nog menige instelling uit den Skandinavischen tijd overgebleven, zoo, om maar een enkel aan te roeren, op het eiland Man, het beroemde zoogenaamde Man-Parlement. Even als ten tijde toen dit eiland nog door eigene Vorsten van Skandinavische afkomst geregeerd werd, verzamelt zich ook nu nog de bevolking, volgens de Ständen, even als de Zweedsche Storething of Rijksdag, in een zoogenaamd “Thing” of eilandparlement, wiens leden het recht hebben, de besluiten van het groote Engelsche parlement te bediscussieeren en voor het eiland Man òf aan te nemen òf te verwerpen. Ook moet nog veel in het bestuur en het rechtswezen van het eiland Man, in het bloed, in de zeden en in het bijgeloof zijner bewoners, een mengelmoes van Celtische en Skandinavische elementen zijn.

Wat eindelijk het zoo geprezene smaragd-eiland Erin betreft, dit heeft tot op den tijd der Denen-tochten eigenlijk buiten alle betrekking met de Germaansche wereld gestaan. Noch Romeinen noch Anglo-Saksers hadden dit Celtische Westland bereikt. Zijne in verschillende deelen verdeelde stammen, behielden ontelbare eeuwen, hunne wilde, door de zee beschermde zelfstandigheid, en de vrijheid elkander onderling te bestrijden.

Geene volksverhuizing, geene nieuwe taal en ras schijnt dezen toestand tot op de Deensche periode gestoord te hebben. Zelfs het Christendom kwam zonder vreemde verovering en geweld, op zeer vreedzame wijze tot de Ieren, door stille zendelingen die uit Gallië overkwamen. Toen de Anglo-Saksers het geromaniseerde Engeland veroverden, vluchtte eene menigte beschaafde Celten, en vooral een groot deel der Latijnsch-Celtische geestelijkheid naar Ierland, en door dezen werd Ierland, namelijk in tegenstelling met het door de Anglo-Saksers weder heidensch gewordene Engeland, een bloeiende zetel der beschaving, een groot Christelijk zendelingsland, van waar uit nu geleerde en vrome zendelingen doopende en predikende naar Schotland, Engeland, België, Duitschland en Zwitserland togen. In dien tijd, toen het geheele overige Europa onder de invallen der Germanen zuchtte, had het door hen niet verontruste Ierland de glansperiode zijner onafhankelijkheid en ontwikkeling, en verwierf het zich den naam van het “eiland der Heiligen”.

De heidensche zeevaarders uit Denemarken en Noorwegen, die Ierland ontdekten, het aan alle zijden omvoeren en in ieder zijner golven binnendrongen, waren, zeide ik, de eersten, die aan dezen overouden toestand van politieke onafhankelijkheid van Ierland een einde maakten. Even als in Engeland en Schotland, nestelden zij zich in de kuststeden van Ierland vast, veroverden en koloniseerden van uit de havens, kleine landstreken, onder bestuurders, die met de zoogenaamde Koningen der ingeborene Celten, in verbinding en familiebetrekking traden. Daar de Denen hier, even als overal waar zij verschenen, ook kooplieden medebrachten en handel dreven; daar zij van Ierland naar Schotland, naar Engeland en naar Normandye in Frankrijk zeilden, zoo namen zij op deze wijze de Ieren, die even als de meeste Celten van oudsher weinig lust of geschiktheid voor zeevaart en handel hadden, om zoo te zeggen, in het verkeer-net van het overig Europa op.

Ofschoon de Denen en Noorwegers zich op den duur in Ierland niet konden staande houden, kan men toch wel zeggen, dat zij zich daar, in zekeren zin aan de spits van het Germanendom gesteld, en hunne andere Germaansche stamgenooten den weg daarheen gebaand hebben. De Engelschen volgden hen later op den voet; zij veroverden Ierland voor de eerste maal, slechts honderd jaren na de vernietiging der heerschappij der Denen. Eenige sporen van Deensche familienamen, geslachten en volksgebruiken, heeft men onder de Ieren nog tot op den jongsten tijd gevonden.

Zoover over den invloed der Denen en Noorwegers, op de geschiedenis der ontwikkeling en beschaving der Britsche eilanden.

Beide met elkander wedijverende en in geheel Groot-Brittanje met elkaar worstelende nationaliteiten, de Denen en de Anglo-Saksers, werden plotseling te midden van hunnen strijd, van uit Frankrijk andermaal door een inval getroffen. In het jaar 1066 kwamen onder Willem den Veroveraar, de Fransche Noormannen. Deze wonnen,—geheel anders dan de Saksers en Denen—geheel Engeland zoowat met éénen slag, door den vernielenden slag bij Hastings, en verdeelden het onder elkander.

Ofschoon aanvankelijk slechts een klein leger soldaten vormende, volgden toch gedurende vele jaren, een reeks van binnentrekkingen met vrouw en kind, van uit Normandye. De voorvaderen dezer zoogenaamde Noormannen, waren wel voor 300 jaren ook uit Skandinavië gekomen, maar hadden zich, vooral daar zij geene Noorweegsche vrouwen medebrachten en met Fransche vrouwen trouwden, in het Zuidelijke land snel veranderd. In den tijd, toen zij Engeland veroverden, hadden zij reeds lang Fransche taal en zeden aangenomen.

Hun ridderlijke geest, hun avontuurlijk, heldhaftig en ondernemend karakter, was wel nog een erfstuk uit het Germaansche Noorden, maar dit mocht slechts voor de officieren, den adel en de hovelingen van Willem den Veroveraar gelden. De massa zijner in Frankrijk gerekruteerde troepen, en de hun nakomende emigranten, waren zulke geromaniseerde Galliërs, als overal in Noordelijk Frankrijk woonden, Walen, Picardiërs, Bretons, dus met andere woorden, echte Franschen.—De uitbreiding dezer door den Noordschen geest bezielde Franschen en verfranschte Noormannen in Engeland, onder Willem den Veroveraar, is van ingrijpender en blijvender gevolgen voor de Engelsche natie geweest, dan de eveneens van uit Gallië bewerkstelligde Romeinsche verovering. De vroeger door de Romeinen zelven ingevoerde Romeinsche elementen hadden de Anglo-Saksers, toen zij het land binnentrokken, bijna geheel weder vernietigd. Het hun door de Fransche Noormannen ingeënte en aangebrachte Romanisme daarentegen, is den Engelschen voor alle tijden gebleven. Het heeft diepe wortelen in hun wezen geschoten, en uit de, in den loop der eeuwen tot stand gekomene, innige samensmelting van beide elementen, is hoofdzakelijk het tegenwoordige nationale karakter der Engelschen te voorschijn getreden. Een Engelsch schrijver zegt kort en veelbeteekenend: “The Norman conquest was the Making of England” (De verovering der Noormannen was de geboorte van Engeland).

Geen land is zoo dikwijls veroverd geworden als Engeland; aan geen volk is door toevoeging van buiten zoo lang gewerkt en veranderd geworden. Eerst sedert de verovering der Noormannen is het op eigene voeten gebleven. Van toen af aan heeft het geene nieuwe immigratie meer ontvangen, en de geheele vorming zijner nationaliteit is vervolgens, tot op onze tijden toe, een inwendig proces geweest, dat van buiten af geen wezenlijken invloed meer ontving. De gezamenlijke vreemde bijmengingen en toevoegsels, die Engeland in den loop der tijden ontving, behoorden tot het edelste bloed van Europa. Door de minder manhaftige en minder geniale stammen der Slawen is het nooit verontrust; door de Hunnen, Mongolen en Magyaren, die hunne strooptochten zelfs tot in Frankrijk uitbreidden, is het nooit bereikt geworden. Israëlieten of andere Aziatische stammen hebben bij hen nooit grooten invloed gekregen. Ook is het—en in dit opzicht kan het met zijn nabuur Skandinavië vergeleken worden—ontkomen aan verscheidene andere bewegingen en verontrustingen, die het overig Europa eeuwen lang kwelden, door invallen van Saracenen, Tataren en Turken.

In het begin der Noorman’sche of Fransche heerschappij, woonden nog alle in Engeland binnengedrongene elementen tamelijk onverwerkt naast elkander; verscheidene sedert onheugelijke tijden bestaande Celtische volken in Wales, Ierland en Schotland in geheele onafhankelijkheid; de rest der Denen in het Noorden van Engeland en elders verstrooid, ten deele nog langen tijd zelfstandig; de Anglo-Saksers in het Zuiden en Oosten de massa der bevolking uitmakende; en over hen allen was als heerschende stam nu die vreemdsoortige Fransche Noormannen als uitgeschud. Het waren meer dan een half dozijn verschillende volken, ieder met eigene taal, gewoonten en staatsregeling.—Uit de samensmelting der Noormannen met de Anglo-Saksers, moest eindelijk een heerschende toon, een domineerende kleur te voorschijn komen, die ten slotte bestemd was, het geheel tot staan te brengen en te vereenigen.

Eerst scheen het wel, als zou daarbij Engeland geheel verfranscht worden. De Anglo-Saksische adel werd door de hardvochtige Noorman’sche Koningen niet alleen van hunne bezittingen beroofd, maar zelfs gedeeltelijk uitgeroeid. Het onderworpene, vernederde en tot dienstbaarheid gebrachte Anglo-Saksische volk, zijne zeden en taal werden door de trotsche Noormannen in hooge mate geminacht. Voor de rechtbanken en in de wetgeving, zelfs in de scholen, werd de Fransche taal met geweld ingevoerd. Zij heerschte aan het hof, onder den geheelen het land binnengetrokken adel en bij alle hoogere standen van het rijk. Overal werd het Anglo-Saksisch onderdrukt en vernederd op zij gezet. Wie niet Fransch leeren en spreken wilde, werd tot het plebs gerekend. Er ontstond in Engeland eene eigene—de Fransch-Noorman’sche—poëzie, als ook een eigen Noorman’sche bouwstijl. Beiden ontvingen hunne bezieling uit Frankrijk. Want ofschoon beide volken, Franschen en Engelschen, toenmaals in het veld bloedig met elkander streden, was hunne literatuur- en kunstontwikkeling toch geheel dezelfde. En zelfs werden de toenmalige Engelsche helden, b.v. een Richard, Coeur de lion (Richard Leeuwenhart), die Fransch sprak en dacht, door de Fransche historie bijna geheel als Franschen beschouwd.

Daar niet alleen Normandye, maar nu eens een grooter dan weder een kleiner gedeelte van het overige Frankrijk, langen tijd met Engeland in politieke verbinding bleef; daar aanhoudend Fransche familiën naar Frankrijk, als ware het alles een en het zelfde land, trokken; daar de legers, om zoo te zeggen, jaar in jaar uit, in Frankrijk te velde waren, en in vredestijden ook de Engelsche ridders dikwijls aan het hof der Fransche Koningen verkeerden, zoo werden twee eeuwen lang steeds nieuwe Fransche elementen en zeden naar Engeland gebracht.

Dat deze elementen daar geene beslissende heerschappij verkregen, maar veeleer het Germaansche element bleef bestaan, is gedeeltelijk te danken aan de omstandigheid, dat de hebzuchtige en naar onbeperkte macht strevende Koningen, die van de Noormannen afkomstig waren, weldra hunne oude Fransche baronnen evenzeer onderdrukten, als de onderworpene Anglo-Saksers. Bij hunne oppositie tegen de heerschappij der Koningen, begonnen dien ten gevolge langzamerhand beide partijen gemeene zaak te maken. De vreemde Fransche adel bediende zich van de inboorlingen van het land tegen hunne Souvereinen. Daardoor kwam het Anglo-Saksische element, dat bij den eersten stoot bijna ter neder geworpen was, weder omhoog en geraakte het op nieuw in aanzien. In den loop der tijden verminderden de vooroordeelen der Noormannen, die het nieuwe land als vaderland even lief kregen als de Anglo-Saksers zelve. Verbroederingen, verbintenissen en huwelijken bouwden bruggen tusschen beide volken. Toen later ook nog, in verloop van tijd, de Engelsche bezittingen in Frankrijk, de eene na de andere verloren gingen, en eindelijk het Noormansch-Saksische volk geheel tot zijn eiland beperkt bleef, hield ook de vermeerdering en versterking van het Romaansch-Fransche element op, en zoo smolten langzamerhand beide volken samen.

Koning Eduard III schafte in het midden der 14de eeuw, het gebruik der Fransche taal bij de rechtspraak en in het parlement af. Echter zijn enkele Fransche phrasen tot op den huidigen dag, zoowel in het Engelsche parlement als in het rechtswezen in gebruik gebleven. Ook zekere protocollen over enkele bepaalde zaken, en benoemings-patenten bij het verkrijgen van zekere waardigheden, worden nu nog in denzelfden oud-Franschen kanselarijstijl als voor jaren, opgesteld. Ook de beroemde wapenspreuk der Engelsche Koningen “Dieu et mon Droit”, en ook het “Hony soit qui mal y pense”, zijn nog kleine Fransche overblijfselen of ruïnen uit dien Noorman’schen tijd.

Hoe langzaam echter die samensmelting van het Fransch met het Engelsch in zijn gang ging, kan men daaruit opmaken, dat de Engelschen nog zeer lang hunne taal met een Fransch accent spraken. Zoo b.v. legden zij nog ten tijde van Shakespeare, op Fransche wijze, den klemtoon op de eindsyllabe der woorden, en zeiden zij b.v. niet, zooals zij heden ten dage doen, afféction, maar affectión, niet afflíction maar afflictión.

Zeer veel hebben tot deze amalgameering, die eerst ten tijde van Koningin Elizabeth tot die hoogte gekomen is waarop zij nu nog staat, vermoedelijk ook de eindelooze binnenlandsche onlusten, de groote familie-oorlogen der Engelsche grooten en Konings-geslachten bijgedragen, die als het ware den bodem van het land openreten, de elementen tot gisting brachten en de oude Anglo-Saksische grondstof weder naar boven werkten.

Het opvallendst openbaren zich de soort en wijze dier reiniging van beide in het tegenwoordige Engelsche nationaal-wezen innig verbondene nationaliteiten, in de taal. Met behulp harer analyse kan men het aandeel van ieder bestanddeel tamelijk goed aangeven en, om zoo te zeggen, afwegen. Engelsche taalvorschers hebben berekend, dat onder de 100 Engelsche woorden, plus minus 60 van Anglo-Saksischen of Duitschen, 30 van Romeinschen of Franschen, en slechts 10 van Celtischen of anderen oorsprong zijn. Daarnaar te oordeelen, is het Duitsche element in de taal dubbel zoo sterk vertegenwoordigd als het Romaansche, en deze verhouding mag over het geheel voor de vraag, in hoeverre het Duitsche of Romaansche wezen bij de Engelschen de bovenhand heeft, als maatstaf dienen.

Verder is daarbij niet alleen de quantiteit van het uit beide bronnen geputte, maar vooral ook de qualiteit, voor de verhouding en het gewicht der beide elementen, zeer karakteristiek. De Engelsche taal heeft uit de Duitsche bron eene geheel andere soort van woorden en denkbeelden gehouden, dan zij aan de Fransch-Romaansche ontleende. Alles wat het huiselijk- en familieleven betreft, alle uitdrukkingen voor nauwe betrekkingen onder de menschen, voor liefde, vriendschap en bloedverwantschap, verder al de benamingen voor de meeste voorwerpen, die nauw verwant zijn aan het huiselijke en het volksleven, voor weide en veld, voor bosch, akker en tuin die de woning omgeven, voor de geheele natuur, voor het hart en de ziel van het volk, zijn Duitsch.

Alles daarentegen, wat beschouwd moet worden als een product van den geest en het verstand, van de kunst en eene hooge mate van ontwikkeling, wordt door Romaansche woorden aangegeven.—Aan den Staat gaven de veroverende Noormannen zijnen vorm. De onderwerpen van de politiek, de namen der verschillend bevoorrechte standen der maatschappij en der plaats-inrichtingen, even als deze inrichtingen zelve, (b.v. het parlement), stammen uit het geromaniseerde land, uit Frankrijk af. Maar op de onderste trappen van het groote maatschappelijke gebouw, in de dorpen, velden en beemden, bleven Duitsch karakter, Duitsche wetten en zeden wortelen.

Even als de nieuwe staatsvorm, zoo kwamen ook kunsten en wetenschappen met de Noormannen uit Frankrijk. Daaraan is het toe te schrijven, dat, terwijl alle ruwe zaken, alle inheemsche boomen, dieren en levenlooze stoffen, de oude Duitsche namen behouden hebben, en daar waar deze zaken door kunst veranderd en vervormd zijn, het Romaansche element in de plaats van het Duitsche treedt. Dit geldt b.v. zelfs van de meest materiëele aller kunsten, de kookkunst. De schapen, de koeien, de ossen blijven Duitsch—“sheep”, “cow”, “oxen”—zoolang zij onder de hoede der Anglo-Saksische herders op de weide grazen. Zoodra zij echter geslacht en in de handen der koks, die de Fransche Baronnen medebrachten, overgegaan zijn, verruilen zij hunne Duitsche namen tegen Fransche en worden “mutton” (mouton), “beef” (boeuf), “porc” (porc).—Men heeft met betrekking hierop de Engelsche taal en even als deze, ook het karakter der geheele Engelsche nationaliteit met een weefsel vergeleken, waarbij de grove grondstof of het haren doek Duitsch, het sierlijke borduursel er op echter Romaansch is. Men zou beiden ook met een gebouw kunnen vergelijken, waarvan het fundament en de hoofdmuren Duitsch, de koepels, torens, het beeldhouwwerk, de hoek- en randsteenen echter Romaansch zijn.—Het geheele beendergestel der taal, hare zenuwen en banden, de lidwoorden, voornaamwoorden, en alle kleine woorden die de groote tot volzinnen verbinden, zijn Duitsch; de bonte, gladde, het organismus bekleedende huid echter, de geheele ornamentiek, is Romaansch.

De Fransche Noormannen maakten, om zoo te zeggen, de Engelsche taal haar toilet; zij verfijnden en beschaafden haar. En even als de taal hebben zij ook in zekeren zin het geheele volk gekostumeerd, beschaafd en verfijnd. Ter nauwernood vindt men in Europa, behalve het Engelsch, een tweede taalmengsel, waaruit zich op eene tevens gemakkelijke en leerrijke wijze, de geheele geschiedenis van het volk laat lezen.—“De Fransche of Latijnsche woorden,” zegt een Duitsche taalvorscher, “staan naast de Duitsche, als trotsche Baronnen, geleerde bisschoppen en bekwame artisten, naast eenvoudige landlieden en herders.” En men zou er bij kunnen voegen, “ook naast kooplieden en schippers.” Want even als de uitdrukkingen bij den scheepsbouw en bij het geheele zeewezen, bij het handelsverkeer en op de markten gebruikelijk, zoo was en bleef bij de Engelschen ook de zeemans- en handelaarsondernemingsgeest, geheel en al een deel van het Germaansche wezen.—De oorlog en het militaire wezen daarentegen werden weder Fransch.

De Duitsche eik toont zich in de taal der Engelschen, nauw omslingerd door het Romaansche klimop. Maar niet overal is de slingerplant niets anders dan een uitwendig toevoegsel gebleven. Nu en dan heeft zij hare sterk kronkelende massa met het hout van den eik verbonden, en is in zekere mate zelf stam geworden. Het minst heeft zij hem in de hartader getroffen, maar zij stijgt met tallooze vertakkingen hoog in zijne kruin op. Dáár, in zijne kroon, neemt zij somwijlen de plaats der doode takken van den hoofdboom in. Meestal begeleidt zij ieder Duitsch takje met een duidelijk Romaansch twijgje, zoodat men dikwijls van den een op den ander overgaan, en zich in vele gevallen op tweeërlei wijze uitdrukken kan, òf door alleen oud-Saksische stamwoorden te gebruiken, òf door zich alleen van de Fransche en Latijnsche te bedienen.

Echter—en dit is het allermerkwaardigste—hebben de beide vreemdsoortige stoffen en naturen in haar wezen zich zoo innig doordrongen en vermengd, dat daaruit niet iets zwaks en verdeelds, maar een volstrekt geheel, ja zelfs, zooals bij een in elkander gedraaid ankertouw, iets nog sterkers ontstaan is.—Ook zijn beide volkselementen in Engeland nooit tot eene volkomene gelijkheid, tot eene bepaalde rust gekomen. Veelmeer hebben zij tot op de nieuwste tijden, zoowel op het gebied der taal als op dat der politiek, met elkander geworsteld en hard gestreden.—Uit deze omstandigheid, uit het nimmer rustende leven in den tweehoofdigen geest der natie, laat het zich verklaren, dat de Engelsche taal nog voortdurend met zoo groot gemak, zoowel uit de Romaansche talen, uit het Latijn, het Fransch enz., als uit het Duitsch, Nederlandsch, Skandinavisch, nieuwe woorden aanneemt en zich eigen maakt. Daardoor zijn haar van oudsher vele fijn genuanceerde uitdrukkingen, en niet weinige geheel eigenaardige poëtische schoonheden toegevloeid. En evenzoo laat zich daaruit het verschijnsel verklaren, dat de bloesems der Engelsche literatuur bijna altijd, om zoo te zeggen, eene tweevoudige kleur hadden. Er zijn namelijk Engelsche dichters geweest, die geheel en al uit de Duitsche ziel, andere die meer uit den Noormaansch-Franschen geest schijnen voortgekomen te zijn. In de aderen van den grooten Byron bijvoorbeeld, heeft wel gedecideerd Noormansch bloed gevloten. De natuurdichter Burns daarentegen is naar taal en gevoel een Duitscher. In Shakespeare herkent men, zooals Gervinus zegt, beide elementen even sterk. In de keus zijner groote romantisch-historische schilderingen, zoowel als in de drieste energie en kernachtige kortheid zijner uitdrukkingen, verraadt bij den Romaanschen Noorman, terwijl uit de vormloosheid, uit den breeden, dikwijls gekronkelden bouw zijner stukken, die eenige gelijkenis hebben met den Gothischen kerkbouw-stijl, de Duitscher tot ons spreekt. Over het geheel echter heeft bij hem, even als bij alle echte Engelsche volks- en nationaal-dichters, het Germaansch de overhand, hetgeen daardoor bevestigd wordt, dat nooit een buitenlandsch dichter in den vreemde zoo inheemsch is geworden als Shakespeare in Duitschland.

Even als bij afzonderlijke geniën en individuën, zoo heeft zich ook in verschillende perioden der Engelsche literatuur, nu eens eene voorliefde tot den Duitschen geest, dan weder eene neiging tot het Romanismus geopenbaard. Er zijn tijden geweest, waarin de Romaansche elementen der taal bij de Engelschen, om zoo te zeggen meer in de mode waren, waarin de dichters en schrijvers alles zooveel mogelijk met woorden aan den Franschen taalschat ontleend, uitdrukten; andere, waarin zij liever gebruik maakten van de kracht, in de Saksische taalwortelen liggende. En bijna altijd is er—even als in den strijd om het bestuur tusschen eene Noormansche adels- en eene Saksische volkspartij—ook op het veld der literatuur eene Romanistische en eene Germanistische schrijvers-coterie en richting geweest.

Even als de taal, zoo kreeg ook, door de zoo gelukkige Noormansche-Saksische samensmelting, de zoogenaamde nationale geest van het volk, eene gemakkelijkheid zich het bruikbaarste uit beide nationaliteiten eigen te maken. Zoo heeft men het, om behalve een voorbeeld uit de taal ontleend een ander aan te voeren, ook in de politieke wetgeving der Engelschen geroemd, dat zij eene eigenaardige toegevendheid en ontvankelijkheid verkreeg, waardoor zij in staat gesteld werd aan verschillende stelsels, aan het Koningschap, aan het leenwezen, de aristocratie en democratie, het beste en degelijkste te ontleenen en met elkander harmonisch te vereenigen.

Ten slotte echter mag men wel zeggen, dat even als de Spanjaarden sedert Ferdinand en Isabella steeds meer Iberisch, de Franschen sedert Hugo Capet steeds meer Celtisch, zoo ook de Engelschen nadat zij den eersten stoot der Noormansch-Fransche verovering te boven waren gekomen, weder meer Anglo-Saksers of Duitschers geworden zijn. Fransche historici beschouwen den langdurigen strijd der mindere klassen of van den derden stand in Frankrijk, tegen de Fransche Koningen en tegen den van Germaansche tijden dateerenden adel en zijn leenstelsel, als een strijd van de onderdrukte Romano-Celten tegen den Germaanschen nationalen geest. Volgens hunne meening drong van beneden, uit de Celtische boerenhutten en uit Celtisch-Romanische steden, in den loop der tijden het oude oorspronkelijk element van Gallië steeds invloedrijker naar boven, en in de Fransche revolutie, zooals ook in het door deze nivelleerende beweging voorbereide Imperialisme, zien wij eene laatste en volkomene overwinning van het Celten- en Romanendom over het Germanendom in Frankrijk.—Geheel gelijk hiermede, maar in omgekeerden zin, schijnt de voortgaande ontwikkeling der zaken, de gang der nationaliteits-verhouding in Engeland gebeurd te zijn.—Hier werd het feudaalwezen door Romanen gesticht, in een tijd, waarin zij het in Frankrijk pas van de Germanen ontvangen hadden. Het werd den onderworpen Duitschers (den Anglo-Saksers) op den hals geworpen, even als in Frankrijk den Celto-Romanen. De langdurige strijd der mindere standen tegen den adel, de leenheeren en de Koninklijke macht,—hunne eindelijke overwinning ten tijde van Cromwell, en vervolgens hunne latere overwinningen in onzen nieuweren tijd,—mogen eveneens als een worstelen en eene langzame overwinning der eene nationaliteit op de andere, der Anglo-Saksers op de Romanen beschouwd worden. De demokratische zoogenaamde rondhoofden uit de tijden van Cromwell, kwamen meest uit het Zuiden en Zuid-Oosten van Engeland opdagen, waar van oudsher de Anglische en Saksische bevolking de bovenhand gehad had. De ridders en Koningsvrienden waren meer uit het minder Duitsche Westen en Noorden afkomstig. Men zou misschien kunnen zeggen, dat Engeland des te vrijer en vrijzinniger geworden is, naar mate de oude Duitsche gedeelten van het volk, namelijk de burgerstand, weder naar boven kwamen, zooals Frankrijk steeds meer revolutionair en imperialistisch werd, hoe meer het oude Celto-Romanismus zich van het Germanendom afscheidde. Hoe zelfs in de uitspraak en in het accent van hun taaleigen, de Engelschen steeds meer Duitsch geworden zijn, daarop is boven reeds gezinspeeld.

Ook in de voorzichtige en langzame manier der sociale hervormingen, in het conservatieve, van alle plotselingheden en van het radikalismus afkeerige Engeland, die daar zelden tot uitersten oversloegen, is het duidelijk zichtbaar dat hier de voorzichtige, bedaarde en verstandige vrijheidsgeest der Germanen de banier droeg; terwijl omgekeerd in de hevigheid der, het op vernietiging en volkomene gelijkheid aanleggende, omwentelingen in Frankrijk de reeds door Cesar berispte teugelloosheid der Galliërs zich voldoende openbaart.

Bijzonder duidelijk heeft de dubbele aard van den Engelschen geest, als ook de bovenhand van het Duitsche zijn in hem, zich ook in de hervorming der kerk geopenbaard. Nauwelijks had Luther in Duitschland godsdienstige- en geloofsvrijheid geproclameerd, of zulks vond bij de Engelschen, even als bij andere Germaansche volken, den meesten weerklank. Even als het geheele Germaansche Noorden, zoo maakte zich ook met betrekking hiertoe, Engeland van de Romaansche wereld los.

Wel is Engeland in zijne kerkelijke hervorming—karakteristiek genoeg voor zijn half-Germanismus en voor zijne plaatsing op de scheidslinie van beide groote stammen—halverwege blijven staan. Evenals het Engelsche volk, als zijne taal, als zijne wetgeving, nevens den Duitschen grondtoon ook de bijgevoegde Romaansche tint in zich verwerkt en bewaard heeft, zoo heeft ook zijn godsdienst en kerk, om zoo te zeggen, een dubbel uiterlijk gekregen. Aan de eene zijde heeft zij zich sterk, ja beslissend tot de Duitsche beweging laten medetrekken, en heeft de nieuwe brug, die Dr. Martin uit het moederland naar de Saksers oversloeg, aangenomen. Maar zij heeft ook de oude verbinding met de Roomsche wereld niet geheel afgebroken, heeft veel van den Katholieken vorm en van het Romaansche priesterdom behouden.

Vele Engelschen gelooven dientengevolge zelfs, dat hunne Kerk ten gevolge dezer dubbele natuur, nog eens eene groote rol te spelen zal hebben bij de verzoening en vereeniging der verdeelde Christenheid die eens plaats zullen vinden, en dat zij, gemakkelijker dan eenige andere christelijke gemeente, deze zal kunnen tot stand brengen.

Het grootste en breedste stuk vlak land van het Britsche eilanden-lichaam, namelijk de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte, rondom welke men met een straal van 40 mijlen een cirkel kan beschrijven, was de landstreek, waarin zich na tallooze oorlogen en omwentelingen, die Normanno-Saksische volksgeest met zijne dubbele natuur,—die Romaansch-Duitsche literatuur,—die aristo-demokratische staatsregeling—die Roomsch-Protestantsche kerk,—welke nu de kern der Engelsche nationaliteit uitmaken, vormde en vastzette.

Even als de innerlijke vorming van het Engelsche nationaal-karakter zelf, zoo heeft ook zijne, langzamerhand van de genoemde vlakte van het Zuid-Oosten uitgaande, verbreiding door het geheele eiland-rijk,—de manier en wijze, waarop het de andere vreemde hem in den weg staande nationaliteiten boven het hoofd gekomen is en met zich vereenigd heeft, eene zeer langzaam rijpende natuur.

Men gevoelt zich bij eene beschouwing der Engelschen steeds geneigd, zich de beide woorden van Tacitus, die boven reeds vermeld werden: “vroeg ontkiemen, laat rijpen” te herinneren. Deze woorden schijnen zoowel te gelden voor de niets minder dan vroegrijpe individuën, als ook voor de langzame wijze waarop de geheele natie tot rijpheid en eenheid kwam, en voor de bemoeiingen van ieder hunner in het bijzonder. Overal in de Engelsche geschiedenis stoot men op langwijlige, diep wortelende en zich slechts langzaam baanbrekende processen. Men meent overal, waar men bij de hardnekkige rassen van dit eiland een dier werkingen nagaat, in het inwendige eener machinerie te zien, waarin de oude sterke raderen, slechts los in elkander grijpen, met moeite omdraaien, slechts langzaam op elkander werken, en dien ten gevolge ook niet zoo gemakkelijk afslijten en uitloopen.

Het duurde, zeg ik, zeer lang, voor het, in het Zuiden van Engeland gevormde Engelsche nationaal-type, van die genoemde vlakte uit in alle nabij- en afgelegene berglanden, en in alle min of meer geïsoleerde gedeelten van het eilanden-rijk, was binnengedrongen, en zich overal als heerschende en den boventoon voerende, had doen gelden.

Van de verandering bij het Celtendom in Wales en Cornwallis heb ik reeds, bij gelegenheid dat over de Anglo-Saksische verovering gesproken werd, het noodige gezegd. Het is hier de plaats, in het kort aan te toonen, op welke wijze en in welke mate het oude Celtische ras in Ierland en Schotland, door de nieuwgeborene Normanno-Saksische (Engelsche) nationaliteit aangetast werd.

Op het eiland der Erinach of Ersen werd, zooals reeds opgemerkt is, de strijd der Celten met de Germanen, door de Denen begonnen. Op hen volgden sedert het midden der 12de eeuw de Engelschen, wier Koning Hendrik II, tegen het einde der 12de eeuw, bijna geheel Ierland veroverde, het met het Groot-Brittanje’sche rijk vereenigde en het voor de Anglo-Saksische immigratie openzette.

Van dien tijd af, leven beide rassen in een 600 jarigen, nog niet geëindigden ras-strijd. Eene reeks van vreeselijke stuiptrekkingen, opstanden en reactiën heeft tot op onze dagen, in het met bloed en tranen gedrenkte land gewoed. Niettegenstaande de gruweldaden, de verschrikkelijke uitmoordingen, de overplantingen en verdrijvingen, die de ijzeren Cromwell, en zoowel nà als vòòr hem andere Engelsche Vorsten in het land hebben geroepen, niettegenstaande de voortdurende immigratie van Anglo-Saksische elementen, is deze brand nog niet geheel gebluscht.

In eenige streken van het land, de noordelijke en middelste, is de oude Celtische stam, door eene zuiver Anglo-Saksische en protestantsche bevolking vervangen. Deze immigratie uit Engeland duurt nog steeds voort, en grijpt nu nog telken jare meer om zich. Daarentegen wordt de Westelijke helft, al de vele land-armen en lang uitgestrekte rots-ruggen, waarin de Oceaan het land verdeeld heeft, nog bewoond door de oude, Celtische Ersen,—door die poëtische en bewegelijke, maar zonderlinge en onverstandige,—die talentvolle en geestige, maar wankelmoedige, onzelfstandige en weinig doortastende,—die grootmoedige maar verkwistende en achtelooze Ieren, die nagenoeg even zoo tegenover de koele, overleggende, nadenkende, werkzame en ver vooruitziende Anglo-Saksers staan, als de Franschman met wien zij—zoowel om de Celtische afstamming, als om den Katholieken godsdienst dien zij met dezen gemeen hebben, sympathiseeren—tegenover den Duitscher.

Hunne eigene oorspronkelijke taal, die voor 300 jaren in den tijd van Koning Hendrik VIII nog in het Iersche parlement gesproken werd, leeft ook nu nog, maar slechts in de armoedige aarden hutten van het Westen, waar zij nog door de boeren en visschers gesproken wordt. Er zullen nu zoowat een millioen menschen zijn, die het oude Celtische Iersch, of het Gaelische-Ersisch verstaan, en slechts nagenoeg 300.000, die zich uitsluitend van dit dialect bedienen. De Iersche O’Connel moest zijne philippica tegen Engeland in de taal zijner doodsvijanden inkleeden. Zelfs zingen de Ieren hunnen lievelingsdichter Thomas Moore, zijne Iersche melodiën, waarin hij zoozeer tot hun hart sprak, in de Engelsche taal na. De eigenaardige nationale geest van het volk daarentegen, leeft nog op het grootste gedeelte van het geheele groote eiland. Veel daarvan is zelfs op de geïmmigreerde Engelschen, die meermalen in Ieren ontaardden, overgegaan. Deze Celtische natïonale-geest der Ieren heeft ook buiten hun vaderland, zich van zeer grooten invloed getoond op de geschiedenis der ontwikkeling van andere moderne volken. Want sedert de vlucht der Israëlieten uit Egypte, heeft de wereld weinig emigraties beleefd, die zoo rijk aan gevolgen waren, als de uittocht der Ieren, uit hun altijd groene smaragden-eiland, naar alle deelen der wereld. Tot op den overwinnaar van Magenta toe, die van eene Iersche familie afstamt, hebben tallooze verbannen Ieren uitgemunt in de legers en in den staatsdienst der Spanjaarden, Franschen, Oostenrijkers en andere landen. Ieren, die hun land verlieten, hebben zich in groote menigte over de steden van Engeland en Schotland verdeeld, waar zij, bij de lagere volksklassen en ultra-demokraten, eene zeer opmerkelijke partij vormen.

In de nieuwe wereld, in de Vereenigde Staten, in Australië, waarheen zij in den nieuweren tijd bij massa’s met vrouw en kind verhuisd zijn, vormen zij een aanzienlijk deel der bevolking. Hunne talrijke nakomelingen, die over schier alle steden dier landen verspreid zijn, deelen de daar te huis behoorende bevolking in zekere mate hunne kleur, hunne gezindheid, hunne antipathie tegen Engeland mede. Men treft daar overal eene zeer sterke Iersch-Katholieke partij aan.

Wanneer men dit alles nagaat, mag men wel zeggen, dat deze Celtische Ieren nog altijd, en nu misschien nog meer dan vroeger, een hoogst opmerkelijk volk uitmaken, wiens merkwaardige eigendommelijkheden de geschiedschrijver der beschaving moet bestudeeren en nauwlettend gadeslaan. Waar zij in massa optreden en het overwicht hebben, heeft hunne onrustige, ongeduldige en overmoedige natuur, helaas! zelden veel goeds bewerkt. Daarentegen heeft men het algemeen erkend, dat zij daar waar zij zich met enkele personen onder de Engelschen nederzetten, waar zij in ondergeschikte betrekking zijn en de minderheid uitmaken, waar zij den toon niet aangeven maar ontvangen, waar zij door de Engelschen geleid worden, tot de beste planters en kolonisten behooren.

In Schotland heeft de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen der beide rassen van Groot-Brittanje, een nagenoeg dergelijk en toch ook weder ander verloop dan in Ierland genomen. Het wezenlijk onderscheid bestaat daarin, dat zich in Schotland onder de oude Celtische bevolking een geheel eigenaardig Germaansch kernvolk gevormd heeft, waartoe het in Ierland, dat verder van alle Germaansche volken verwijderd, en ook van Engeland door eene zee gescheiden is, nooit gekomen is.

Dit Germaansche volk in Schotland, kan men eigenlijk niet enkel en geheel als een dochter-volk der Engelschen aanzien, even als ook zijne Germaansche taal (het Schotsch) niet geheel als een dialect van het Engelsch beschouwd kan worden, ofschoon zij er veel overeenkomst mede heeft. De Schotsche nationaliteit ontwikkelde zich buiten en naast de Engelsche en gelijkloopend met deze. Zij berustte, zooals reeds gezegd is, waarschijnlijk op geheel eigenaardige en zeer oude Germaansche fundamenten. Hun Germanisme was zeer versterkt geworden door de binnendringende Denen, die als dappere houwdegens natuurlijk altijd eene groote rol speelden bij de Schotsche Koningen, als aanvoerders bij hunne onderlinge twisten. Toen de Noormannen tegen het einde der 12de eeuw Engeland veroverden, vluchtten weder vele Anglo-Saksers naar Schotland, en vermeerderden daar het aantal der Germanen. Ook haalden de Schotsche Koningen, die vervolgens eveneens oorlog voerden met de Noordsche beheerschers van Engeland, als vroeger met de Anglo-Saksische, vele krijgsgevangenen uit Engeland, die zij naar het Zuidelijke gedeelte van Schotland, de zoogenaamde Lowlands, overbrachten, en die met de oude Germaansche elementen die zij daar aantroffen, samensmolten. Daar de Schotten met de Engelschen—de eenige naburen die zij hadden—onophoudelijk twist hadden, daar hunne invallen in Engeland en vice versa de invallen der Engelschen in Schotland, eeuwen lang, om zoo te zeggen telken jare terugkeerend waren, daar verder ook de binnenlandsche onlusten in beide landen er meermalen aanleiding toe gaven, dat Engelschen in Schotland en Schotten in Engeland zich nederzetten en invloed verkregen, daar ook huwelijksverbintenissen tusschen beide naburige volken, zelfs tusschen hunne Vorsten-huizen meermalen plaats vonden, zoo was het natuurlijk, dat beiden met der tijd overeenkomst met elkander kregen. En vooral de Schotten moesten zich daarbij naar het voorbeeld der veel ontwikkelder, veel nader bij den zetel der Europeesche beschaving wonende, talrijker en machtiger Engelschen vormen.—De Schotten stonden in eene eenigzins gelijke verhouding tot de Engelschen als de Portugeezen tot de Spanjaarden. En evenals bij de Portugeezen, niettegenstaande de eeuwige vijandschap met hunne Spaansche naburen, zich toch door de macht der omstandigheden, alle betrekkingen naar het Spaansche model vormden, zoo hielden ook de Schotten meestal tegen wil en dank gelijken tred met de Engelschen.

Vooral werden zij, sedert het Noorman’sche tijdperk, dat zooals reeds gezegd is, de eigenlijke schepper van een machtig Engelsch nationaal-karakter was, steeds meer gelijk aan de Engelschen. Langzamerhand maakten zij alle ontwikkelingsphasen met hen door. Wat in Engeland mode was, kwam ook weldra in Schotland in zwang. De Romaansche poëzie, de Noorman’sche bouwstijl, die onder de nakomelingen van Willem den Veroveraar bloeiden, schoten ook in Schotland op. Wij lezen niets van uitdrukkelijke bevelen, waardoor in Schotland, even als in Engeland, de Fransche taal ingevoerd zou geworden zijn. Maar weldra sprak men aan het Schotsche Koningshof, even als aan het Engelsche, Fransch, en de Schotsche landstaal nam vervolgens, gelijktijdig met de Engelsche, Fransche woorden in zich op, reeds langen tijd vòòr dat de Engelschen als opperheeren naar Schotland kwamen.

Al die processen hadden echter bij de Schotten toch een eenigzins ander verloop dan bij de Engelschen, zoo b.v. werd het Schotsche volks-dialect niet in die mate geromaniseerd als de Engelsche taal, maar behield het veel meer een oud-Germaansch uiterlijk en stempel. Eenige der belangrijkste verschillen tusschen het Schotsche en Engelsche nationaal-karakter ontstonden daardoor, dat het Germaansch element zich in Schotland meer aan het inheemsch Celtische aansloot.

Het Celtisch element was in alle tijden in Caledonië het overwegende geweest. Zelfs de Romeinen hadden het niet, als in Engeland, gedecimeerd en gebroken. De aanvankelijk zeer weinig talrijke Anglo-Saksers konden er in Schotland niet aan denken, de oorspronkelijke bewoners, hoeveel antipathie zij ook tegen hen gevoelden, even als in Engeland uit te roeien. Zij hadden hunne vriendschap altijd tegen hunne vijandelijke broeders en naburen in Engeland noodig. Zij verbonden zich daarom met hen tot gemeenschappelijke ondernemingen. Zij leefden met hen op gelijken voet, met dezelfde rechten, onder dezelfde Koningen in eene gelijke staats-gemeenschap.

Onwillekeurig namen zij op deze wijze veel van de zeden en gewoonten der Gaelische landskinderen aan. Vooral ging, wat in Engeland niet gebeurd is, de oude Celtische verdeeling in Clans, meermalen op de Anglo-Saksische Schotten over. Zij leerden somwijlen ook hunne taal, ofschoon in meerdere gevallen de taal der sterkere Germanen, die sedert den tijd der Noormannen, de kern en het hart van den staat vormden, op de Gaelen overging.—Zoo is dus in Schotland eene soort verzoening tusschen het Celtische en Germaansche element tot stand gekomen, terwijl in Engeland het Germaansche tot uitsluitende heerschappij kwam, maar in Ierland het Celtische steeds vijandig de bovenhand bleef behouden.

Lang hebben de Engelschen vergeefs naar eene politieke annexeering van dit hun Schotsche broeder-volk gestreefd. Meermalen hebben zij de invallen der barbaarsche Pieten en Schotten, met even barbaarsche invallen beantwoord. Somwijlen gelukte het hun, in de tweespalt der Schotsche partijen een dergelijken invloed te verkrijgen, als de Spanjaarden in de Portugeesche wisten machtig te worden, en soms waren de Schotsche Koningen een tijdlang de vazallen der Engelsche.

Eindelijk (maar eerst voor 270 jaren) kwamen Schotten en Engelschen voor altijd onder één Vorst. Maar zelfs daarna duurde het nog lang, voor de verschillen tusschen beide nationaliteiten zich vereffenden, voor beide volken tot een harmonisch en verzoend geheel samengroeiden.

De verheffing van den Schotschen Koning Jacobus VI op den Engelschen troon, was aanvankelijk slechts eene vereeniging van beide kroonen op hetzelfde hoofd. Ook bewerkte zij, dat de Schotsche taal, die tot dien tijd hare eigene literatuur had gehad, tot eene lingua rustica, tot een patois afdaalde, terwijl nu het Engelsch de taal van het hof, der voornamen en geleerden werd. Toch was dit geene volledige samensmelting der beide natiën. Schotland behield nog langen tijd zijn eigen bestuur, zijn afzonderlijk parlement. Alle nationale ontwikkelingen, de hervorming der kerk, die niet zooals in Engeland door de Koningen, maar door mannen uit het volk tot stand gebracht werd, de vervorming van den staat en der sociale verhoudingen, geschiedde in Schotland langs een anderen weg dan in Engeland. Over het geheel kan men zeggen, werden daar kerk, staat en maatschappij demokratischer dan hier.

Verscheidene malen nog moesten de Engelschen de vereeniging der kroonen, door oorlog en geweld in stand doen blijven, en herhaalde keeren verklaarden zich de Schotten, ter liefde hunner oude zelfstandigheids-ideën, voor die kroonpretendenten, die in Engeland onttroond waren. Eene volledige vereeniging van beide volken, eene vereeniging hunner beide parlementen en bestuur, kon eerst onder de Koningin Anna in het jaar 1707 doorgezet worden, en een algeheele vrede tusschen Schotten en Engelschen bestaat eerst sedert nagenoeg eene eeuw, vooral nadat in het jaar 1745 de Engelschen, de overoude indeeling der Schotten in Clans, die deze uit de primitiefste toestanden der Europeesche volken overgehouden hadden, verbraken.

Er bestaat echter tusschen beide nationaliteiten ook nog ten huidigen dage een nagalm der oude ijverzucht. Thans nog gevoelt de Schot voor zijn bergland een geheel bijzonder, geheel particularistisch, vaderlandslievend gevoel, dat hij niet op het geheele Groot-Brittanje overdraagt. Ook ontdekken de Engelschen in de Schotten, in het hun eigenaardig oud-Frankisch dialect, in hunne neigingen en in hun geheele wezen, iets vreemds. De Schot maakt zoowel op den Engelschman als op den Ier, die beide ten Zuiden van hem wonen, den indruk van een Noordlander. Hij heeft eenige gewoonlijk voor algemeen Noordsch gehoudene eigenschappen, in nog hoogere mate dan de Engelschman. Zoo heeft bij hem het verstand en het nadenken nog meer de overhand op het gevoel en de phantasie, dan zulks bij den Engelschman het geval is. Alle bezigheden en zelfs vermaken, hebben bij de Schotten, in nog hoogere mate dan bij de Engelschen, betrekking op studie, wetenschap, handwerk. Hij heeft in zijn wezen en gedrag nog meer uiterlijke koele bedaardheid dan de Engelschman.

Bij den minderen man in Engeland geldt de Schot voor bijzonder listig en eigenwijs, schraapzuchtig, hebzuchtig, en als neringziek op alle mogelijke wijzen zijn geluk te beproeven, en dat niet altijd op zoo eerlijke, groothartige en edele wijze als de zuidelijke Brit. Die kalmte van de geaardheid des volks, blijkt bij de Schotten het duidelijkst uit den bij hen ingevoerden Puriteinschen godsdienst die, om zoo te zeggen, door de strengheid van het noordsche klimaat bij hen geheel ingevroren is. Meer dan ergens elders heeft het protestantisme bij de Schotten de kunsten achteruit gezet. Zij leveren daarin nog minder dan de Engelschen en zijn, trots hunne beroemde volksliederen, zoo mogelijk nog minder muzikaal dan de Engelschen. De tooneelspelers en over het algemeen de kunstenaars in Schotland, waren altijd Engelschen of Ieren, die daar niet zelden dezelfde rol speelden, als vroeger wel de Franschen en Italianen bij ons.

Door hunnen ijver voor de wetenschappen, hebben daarentegen de Schotten, voor verbreiding van het volks-onderwijs, in nieuweren tijd meer gedaan dan de Engelschen. De scholen zijn bij hen in beteren toestand, en naar evenredigheid vindt men bij hen meer goed onderrichte personen dan bij dezen. Eenige der scherpste denkers en philosophen kreeg Groot-Brittanje uit het Caledonische Noorden. In de philosophie bestaat eene afzonderlijke Schotsche school. Verscheidene der gewichtigste uitvindingen werden door de Schotten bedacht en volmaakt. De groote geschiedschrijvers David Hume, Robertson en Macaulay hadden Schotsche vaders en moeders. Ook werden verscheidene der uitstekendste nieuwere dichters van Groot-Brittanje, Walter Scott, Burns en andere aan den voet der Schotsche Hooglanden geboren. Geniën wier invloed zich zoo ver uitstrekte als die van Shakespeare, Milton, Byron, heeft Schotland echter niet opgeleverd.

In ieder geval heeft de Schot niet minder gereisd en getrokken en den vreemde gezocht als de Engelschman. Hij heeft altijd eene groote rol gespeeld in de geschiedenis der kolonisatie en veroveringen der overzeesche wereld door de Britten. Menige kolonie van Groot-Brittanje mocht, naar de haar leidende en aan haar hoofd staande talenten, eer als eene Schotsche dan als eene Engelsche schepping beschouwd worden. Zoo hebben, b.v. in Engelsch Indië en ook in de staten der Hudsons-Bay-Company de Schotten de overhand.—“Trots alle aanmerkingen en steken op de Schotten, beschouwen de Engelschen hen daarom (en dit kan niet ten opzichte der Ieren gezegd worden) als huns gelijken, en de ijverzucht, die het den Schotten mogelijk gemaakt heeft, in alle bemoeiingen der Engelschen, zoo in hunne literarische, als in hunne industrieele en commercieele werkzaamheden, ijverig in te grijpen, is van geheel anderen aard, dan de hartstochtelijke oppositie der weerspannige Ieren.” Terwijl deze dikwijls de verzwakkende uitwerking van een remtoestel hadden, op den voortgang van den Engelschen zegewagen, is gene even als de wedijver van twee om denzelfden prijs worstelende strijders, veeleer bevorderlijk voor het geheel geworden. De daarstelling eener volkomene gelijkvormigheid in manier en denkwijze, werkt in den schoot van eene en dezelfde nationaliteit waarschijnlijk evenmin gunstig, als in de borst van een denkend mensch, een geheel ophouden van den strijd der hartstochten en begeerten.—Het zou wel mogelijk zijn, dat, wanneer het Anglo-Saksisch element alle onderscheid van ras, taal, zeden en streven volkomen weggenomen en gelijk gemaakt, en het eene geheel gelijksoortige nationaliteit in het vereenigde Groot-Brittanje hersteld had, dat dan dit hoogste toppunt zijner zegepraal ook het begin van zijn achteruitgang zijn zou.

De rest der Celtische bewoners van de Schotsche Hooglanden, de Schotsche “Highlanders,” heeft, ofschoon een broederstam der Ieren, in den nieuweren tijd veel minder van zich doen spreken dan deze. Zij waren van oudsher minder talrijk dan de Ieren. Zij plaatsten zich reeds vroegtijdig, met hunne Schotsche naburen van Germaanschen stam in de Lowlands, onder dezelfde Koningen, en werden later gelijktijdig met hen, en op dezelfde wijze en met dezelfde rechten, bij het groote Britsche staatslichaam ingelijfd.—De voornaamste reden tot het bieden van wederstand, verviel bij hen daardoor, dat zij, even als hunne Germaansche landslieden, aan het katholicisme onttrokken en, even als deze, voor het protestantisme gewonnen werden, ofschoon dit bij hen, even als alle nieuwe hervormingen, wat moeielijker en later ingang vond, dan bij gene.

Zij leven nu nog als vreedzame herders en visschers, naar voorvaderlijke gewoonte, in rookerige hutten, verstrooid op de met wolken bekranste rotskammen, in turf-moerassen gevormde en met heideplanten en eeuwigen nevel bedekte hoogten, in onherbergzame woestenijen van hun land, en aan de kustranden der door storm en oceaan gezweepte Hebridische eilanden, die gezamenlijk een nooit geheel bedwongen toevluchts-oord voor hen geweest zijn. Menschen, die uitsluitend de oude Gaelische taal spreken, zouden er nu nog nagenoeg 100.000 zijn. En waarschijnlijk gaat de geheele volksstam een totalen ondergang te gemoet, want de menschen van Germaanschen oorsprong die hen omgeven, zijn een voortwoekerend en om zich heengrijpend element; zij zijn door hunne vlijt en volharding in staat, zelfs daar nog voort te leven waar de Gaelen, niettegenstaande hun kommervol leven, zich niet meer staande kunnen houden. De oude, eens zoo schrikwekkende clans- of geslachtsverbroederingen, zijn voor de Hoog-Schotten nog slechts een speelgoed, dat in hunne handen eerder iets komieks dan iets verschrikkelijks heeft, zoo onder anderen hunne belachelijke aristokratische eischen, die zij met de Ieren, de Bretons in Frankrijk en de Basken in Spanje gemeen hebben, en hunne ver gerekte familie-betrekkingen, ten gevolge waarvan er bij hen 6000 Cambell’s zijn, die elkander neef, oom en tante noemen.

Nadat ik getracht heb den oorsprong, de ontwikkeling en den voortgang der Britsche nationaliteit op haren eigen bodem en haren tegenwoordigen toestand in zwakke trekken te schetsen, wil ik nu een blik werpen op de contrasten en verhoudingen dezer nationaliteit met die der overige volken van Europa, op haren invloed op dezen en op de plaats die zij nu, tengevolge der eigenaardigheid van haar karakter, in de geschiedenis van de ontwikkeling der Europeesche volken inneemt.

Over het geheel, kan men zeggen, hebben de Engelschen zich tegenover de andere volken van Europa tamelijk passief gedragen. Sedert zij hunne oude Noorman’sche bezittingen in Frankrijk opgaven, sedert zij zich geheel tot hunne groote eilanden bepaalden, maar deze dan ook geheel onder de banier van een eenige heerschende nationaliteit, en van een en hetzelfde staatslichaam vereenigd hadden, hebben zij als veroveraars of koloniestichters den bodem van ons vasteland nimmer weer betreden. Zij hebben nergens op het vasteland, zooals de Russen in Polen, de Zweden in Finland, de Franschen in den Elsasz, de Denen in Schleeswijk, de Duitschers in Hongarije en in vele Slawische landen, de Turken in Griekenland, de Italianen in Dalmatië, eene aan Europa vreemde nationaliteit binnen den kring hunner ontwikkeling getrokken.

Al de ingewikkelde en moderne Europeesche nationaliteits-vragen van het vasteland, raken daarom de koude kleeren van het Engelsche volk niet. Zij hebben op hunne eilanden hunne eigene innerlijke nationaliteits-vragen voor zich, en alleen buiten Europa, aan gene zijde van den Oceaan in de nieuwe werelddeelen, bezitten zij koloniën, waarin zij hunne wetten, zeden, taal en beschaving van heerschende kracht doen zijn.

Met betrekking tot ons Europa, doen de Engelschen zich als eilandbewoners voor, die een in zich gesloten geheel maken en zich met hun eiland tevreden stellen. Hierop echter is eene uitzondering, namelijk dààr, waar sprake is van de heerschappij ter zee. Want deze hebben zij zich in de laatste twee eeuwen zoo zeer toegeëigend, dat zij gewoon zijn den Europa omgevenden Oceaan als hun domein, als een deel van hun “home” te beschouwen. Zij verlangen naar geene bezittingen op het vaste land van Europa zelf. Alleen dat willen zij bezitten, wat noodig is om hunne heerschappij op den Oceaan te verzekeren, en daartoe zijn eenige kleine eilanden, havens, landpunten voldoende. Van Helgoland, over de eilanden langs de Fransche kusten, naar Gibraltar, Malta en de Jonische eilanden, hebben zij daarom geheel Europa met een keten van scheeps-stations en eiland-veroveringen omgeven.

Even als de Oceaan, de drager der Engelsche waren, vloten en belangen, het geheele vasteland bespoelt, zich aan ieder land aansluit en de vaderlanden der Europeesche volken binnendringt, zoo doet dit daarom ook de politiek der Engelschen en zij zijn op deze wijze, hoewel afkeerig van directe inmenging in de zaken van vreemde natiën, indirect in alle politieke vragen, waar zij zich ook mogen voordoen, hetzij in Constantinopel, aan den Donau, in Sicilië, aan den Sond of de Finsche golf, in meerdere mate betrokken dan eenige andere natie.

Toch geschiedt, overeenkomstig het gezegde, deze deelneming, als zij noodig wordt, op geheel andere wijze dan bij de andere volken. Zij treedt slechts op, als het eigene nationaal- en staats-belangen geldt. Zij ontspringt niet uit vrije impulsiën, uit nationale hartstochten, sympathiën en antipathiën, die de Engelschen niet bezitten. Zij trekken niet, als hunne naburen de Franschen, voor fraaie ideeën of uit medelijden voor een onderdrukt broeder-volk, de wereld in. Zij hebben voor de overige volken meer overmoed of onverschilligheid, dan haat of sympathie.

Overeenkomstig hun eilandachtig karakter en wezen, houden zij zich altijd meer onledig met zich zelven dan met vreemden. Door buitengewone krachtsinspanning en in het verloop van eeuwen lang durenden strijd, hebben zij den geheelen grooten Gothischen dom-bouw hunner staatsregeling, die trots eene reeks onbeduidende of zelfs slechte regenten, uit den schoot der krachtige natie opsteeg, in het leven geroepen. Zij hebben dezen bouw alleen tot geluk van zich zelven doorgevoerd; of hij door vreemden nageaapt werd daarover bekommerden zij zich niet. Zij hebben nooit propaganda voor hunne toestanden gemaakt.

Toen hunne staatsregeling gereed was, vond zij echter bij de andere Europeanen zooveel bijval, dat deze er in den nieuweren tijd naar streefden iets dergelijks tot stand te brengen. De politieke constitutie van Engeland werd gelijktijdig het model en het ideaal, waarnaar alle anderen begonnen te werken. Daar zij naar het Britsche eiland-land, als naar de eenige schouwplaats, waar de vrijheid van spreken en handelen een vast en duurzaam asyl had, blikten, zoo werd ook het Engelsche parlement als ’t ware het raadhuis der Europeesche maatschappij. Pitt sprak het eens uit, toen Engeland het toppunt zijner macht genaderd was, dat in de toekomst aan de Theems geen kanon meer gelost zou kunnen worden, dat men niet overal in de wereld vernemen zou. Men zou echter nog sterker dan Pitt kunnen zeggen, dat in dat raadhuis aan de Theems door een man van gewicht geen woord zou gesproken worden, dat niet in geheel Europa zijn echo vond, en dat niet evenveel of nog meer gewicht had, dan het gedonder der kanonnen.—Terwijl de Romeinen hunne politieke instellingen, hunne taal, hunne zeden, ja! hunne toga op de vleugelen der adelaars hunner gewapende legioenen over de wereld verbreidden, en op den tijd met ijver en geweld hun stempel drukten; terwijl ook hunne opvolgers, de Franschen, somwijlen, naar zij meenden tot heil der volken, iets dergelijks op dergelijke wijze beproefden, hebben de Engelschen datzelfde tot stand gebracht alleen door het schitterende voorbeeld, dat zij den anderen brachten, en door de bewondering en navolging, die hun daarvoor ten tol betaald werden. Zonder nauwelijks een voet breed lands onder ons te bezitten, hebben zij toch weten te bewerken, dat men wellicht de afdeeling der politieke-ontwikkelings-geschiedenis der Europeesche staten, gedurende de eerste helft der 19de eeuw, naar hen en naar hunnen op ons uitgeoefenden invloed, het “Engelsche tijdperk” noemen zal.

In nog hoogere mate verdient die tijdsafdeeling dezen naam, wanneer men vermeldt, wat zij voor handel en scheepvaart, voor de commercieele en internationale verbindingen der landen van ons werelddeel, onder zich en met de andere werelddeelen gedaan hebben.

De Merkurius der Britten heeft zijne bedrijvige boden naar alle markten van Europa gezonden. Zij hebben hunne factorijen in Petersburg, Riga, Odessa, Archangel en in bijna alle andere Russische havens. Eenige er van vinden wij in de meeste Duitsche handelsplaatsen, zooals in de Oostzee-havens. Ook op menige Duitsche handelsmarkt, b.v. te Hamburg, maken zij een invloedrijk gedeelte van den handelstand uit. Bijzonder talrijk zijn zij in de kust-stapel-plaatsen van Noordelijk Frankrijk, het oude vaderland hunner Noorman’sche voorvaderen. Zij zijn domineerend in Oporto, Lissabon en de andere zeeplaatsen van Portugal, maar ook in Cadix, de oude kolonie der Pheniciërs, en verder in de voormalige kantoren der Carthagers, in Carthagena, Barcelona en overal langs de kusten van Sicilië te vinden. Hunne agenten hebben zich evenzoo in Livorno, Napels en andere zeesteden van Italië nedergezet, en ook in Griekenland en Turkije vindt men geene plaats, waarin niet Britsche oorlogschepen zijn, om Britsche belangen, individuën en waren te beschermen.

Men kan zeggen, dat sedert eene eeuw de Engelschen, met hun dochter-volk, de Amerikanen, aan het hoofd van alle nieuwe handelsondernemingen stonden. Wij anderen zijn slechts op hunne vleugels om den aardbol gevoerd geworden. Indië, China en Japan, door Portugeezen en Hollanders langen tijd gebarricadeerd, zijn door de Engelschen voor het overige Europa opengezet.

Ook zijn zij het eerst begonnen de ketenen van midden-eeuwsche handelsbeperkingen en monopoliën te breken, en eene verstandige handelsvrijheid baan te maken. Zonder de voorafgegane opheffing der privilegiën van de Oost-Indische kompagnie, zonder de opheffing der belasting op de granen, zonder den vrijdom van scheepsvaart-akten, en, met één woord, zonder te breken met het geheele oude protectioneele stelsel, wat, voor zoover den handel betreft, de Engelschen na veel strijds inleidden, waren vermoedelijk ook de slagboomen aan den Sond, de Elbe en de Wezer nog niet gevallen.

Men heeft onzen tijd bij voorkeur eene industrieele, op materieele voordeelen bedachte, aera genoemd. En dat zij dit geworden is, is vooral aan de Engelschen toe te schrijven. Zij leidden haar reeds vroegtijdig dien weg op. Reeds hunne oudste groote philosophen, de beide Baco’s, de een in de 13de en de andere in de 16de eeuw, waren scherpzinnige waarnemers der natuur, hielden zich zelfs met de mechanica, met de physische en chemische onderzoekingen en uitvindingen onledig, en wanneer men de geschriften van Lord Baco van Verulam, den grondvester der nieuwe natuur-philosophie leest, is men geneigd te gelooven, dat de Engelschen van dien tijd af, voortdurend in de door hem aangewezene en gebaande wegen en richtingen verder gegaan zijn. Het heeft al het voorkomen, alsof de kiem tot al hunne latere industrieele en mechanische uitvindingen, reeds in dat praktisch, echt Engelsch philosophisch brein en zijne geschriften gelegen heeft.

Een, veel overeenkomst met Baco hebbenden, misschien nog grooteren geest, kweekten de Engelschen in de 17de eeuw in Isaac Newton, die de mechaniek des hemels ontdekte, en waarop zijne landslieden zich bijna nog meer verheffen dan op hunnen Shakespeare. Sedert Newton’s tijd hebben de Engelschen eene geheele reeks der prachtigste en invloedrijkste uitvindingen en hervormingen, in het leven der Europeanen ingevoerd.

In de doelmatigste bewerking en vervorming van ruwe stoffen, in de verbetering van al onze handwerksgereedschappen, in de verhooging der menschelijke kracht en bekwaamheid, hebben zij veel meer dan eenig ander volk geleverd. Zij zijn de vaders van ons modern fabriek- en manufactuur-wezen. Zij hebben het eerst den waterdamp aan onzen dienst onderworpen gemaakt, wat na het temmen en onder het juk brengen van het paard, en na de aanwending der kracht van water en wind, de grootste omwenteling in onze wijze van van arbeiden gebracht heeft. De meeste verbeteringen en geheimen van den machine-bouw moesten wij van hen leeren of afzien. De Watts en andere zulke kinderen van arme Engelsche arbeiders, staan in de geschiedenis der ontwikkeling van de moderne, zoo zeer industrieele volken van Europa, als groote veldheeren en Koningen.—En even als hunne Watts, zoo ook hunne Stephensons. Want alle hervormingen in den wegbouw, de straatwegen, de macadamiseering, de spoorwegen, de verwonderlijke telegraphische inrichtingen zijn van de Engelschen, of van hunne afstammelingen, de Engelsche Amerikanen, uitgegaan. Door hen hebben wij geleerd onze waren, onze personen, onze gedachten met duizelingwekkende snelheid te bewegen en te verplaatsen. Den spoorwegbouw, die gevolgenrijke uitvinding van onzen tijd, hebben van Engeland uitgezondene meesters, in alle landen georganiseerd en het eerst aan den gang gebracht. En datzelfde kan men ook van den brugbouw zeggen, die in nieuweren tijd met te voren ongekende koenheid en veiligheid, de wildste, tot nu toe nooit overbrugde stroomen, ja! breede zeearmen, als tot staan gebracht heeft. Aan den Donau in Pesth, aan den St. Lawrence in Canada, aan den Dniepr in Kiew, en aan ontelbare andere plaatsen, heeft men Engelsche ingenieurs te hulp geroepen om die bouwwerken te vervaardigen, waardoor onze eeuw evenzeer uitmunt, als de midden-eeuwen door hare Gothische kerken.

Men kan zeggen, dat even als de Italianen door hun gloeiend enthousiasme voor het schoone, de Franschen door hunne fijne gezellige taal en hunnen smaak, zoo de Engelschen door hunne industrieele bedrijvigheid, en door hunne voortdurende werkzaamheid, de wereld vooruitgeholpen hebben. Zij zijn eene wezenlijk industrieele, ijverige, werkzame, ernstige natie, wier zin meer op het nuttige, dan op het idealische en schoone gericht is.

“Het hoofdgenot huns levens vinden zij in werken, in het te voorschijn roepen, niet in de vroolijke spelen en beuzelarijen der phantasie.” Zij hebben het beroemde vers van hunnen Milton tot hunne leuze gemaakt: “to scorn delights and live laborious days” (vermaken te versmaden om hunne dagen aan den arbeid te wijden). Zelfs hunne genoegens hebben het karakter van werkzaamheden. Zij hebben allen hunnen oorsprong in het hoofd, niet in het bloed. Bij hen is geen spoor van de hemelsche uitgelatenheid der Romanische of Slawische volken, zooals die zich in hunne dansen duidelijk openbaart, of van de onschuldige tijdverdrijven der Duitschers. De Engelschen hebben de “useful pleasures” (nuttige genoegens) uitgedacht. Al hunne nationale-spelen en sports zijn leerrijk en gaan tevens met krachtsinspanning gepaard. Het zijn de uitspanningen van een mannelijk en energiek volk. Het overig Europa beproeft hen ook daarin eenigzins na te volgen, en Engelsche wedrennen en dergelijke zaken zijn in de andere landen bijna even algemeen geworden, als eens ten tijde der Romeinen de bloedige gladiatoren-spelen en dierengevechten.

Dat de zin der Engelschen wezenlijk op het nuttige en bruikbare gericht is, blijkt op eene bijzonder duidelijke wijze uit de omstandigheid, dat zij, niettegenstaande alle overige gebrek aan aesthetischen zin, een zeer beslist talent bezitten om alle producten van mechanische kunstvlijt een zeldzaam sierlijken vorm te geven, terwijl zij in het geven van een sierlijken vorm aan datgene wat slechts sieradiën zijn, ver bij de Franschen ten achter staan. De inrichting hunner huizen, hunne meubelen, hunne werktuigen en gereedschappen zijn niet alleen zoo doelmatig, maar ook zoo net en elegant gemaakt, dat men ze overal tot model kiest. Het huiselijke comfort der Engelschen werd in den nieuweren tijd, zelfs in Parijs, mode.

De hoogere kunstzin, het scheppende talent, dat het schoone om zich zelf in het leven roept, gaat den Engelschman echter zeer slecht af. In alle alleen schoone en vrije kunsten, staan zij bij de andere natiën ten achter. Vooral voor de muziek schijnt hun iets wezenlijks geheel te ontbreken. De geschiedenis der Engelsche muziek bestaat bijna geheel uit ledige bladen. Hunne krachtige, sissende, lispelende taal met hare vele kortklinkende, afgebetene woorden, de meestal eenigzins harde, zeemansachtige toon hunner stem, moest hen van zelfs reeds verhinderen, in de zangkunst uit te munten. Het half droomerige behagen en de verrukking, het gevoel waarmede de Duitschers de muziek genieten, zal den nuchteren Engelschman altijd vreemd blijven. Voor een harmonisch te samen spelen in het orkest, hebben zij veel te veel gevoel van eigenwaarde. “In een door Engelschen bezet orkest” zegt een geestig Franschman, “schijnt ieder op zijn eigen houtje, om zoo te zeggen, zijne bijzondere lievelings-aria te spelen,” “avec cette noble indépendance qui caractérise l’artiste anglais.” Dat zal voor eene “symphonie” wel eenigzins storend zijn.

Ook in de beeldende kunsten hebben zij niet uitgemunt. Bijna geene natie van Europa is van oudsher zoo arm, als de Engelsche, aan talenten voor de plastische kunsten geweest. Te vergeefs zoekt men naar een Engelschen beeldhouwer, dien men een Duitschen Rauch, een Franschen David, een Italiaanschen Canova, een Deenschen Thorwaldsen tegenover stellen kan.

In de schilderkunst hebben zij, overeenkomstig hunnen smaak, alleen slechts eenige goede dier- en landschapschilders aan te wijzen. Ook heeft het portretschilderen bij hen eenig geluk gehad. De dieren die, zooals een Italiaan eens opmerkte, bij de Engelschen alle mede in den hemel komen, hebben hunne Landseers bezield, en hunne waterverf-schilders hebben veel talent getoond, in het schilderen van eene pachtershut met een korenveld, of van een ouden molen en een in het bosch verborgen kerktoren. Zulke bescheidene takken der kunst, als het geliefkoosde “watercolourpainting,” bloeien bij hen welig. De grootste schilder, dien zij gehad hebben, Hogarth, leverde niets idealisch, bijna niets dan karakterbeelden, die daarenboven dikwijls zeer overladen waren en veel karrikatuur-achtigs hadden. Waar hunne phantasie zich, als eene slingerplant, aan iets dat voor de hand lag, aan iets wezenlijks, iets nuttigs, b.v. aan de natuur, aan de dieren, aan uitdrukkingvolle gezichten kon aansluiten, daar gelukte haar iets. Waar zij zich echter vrij, als een ballon in de lucht, verheffen moest, daar verloor zij het evenwicht. Alle bloot phantastische producten der Engelsche kunstenaars, hebben iets overdrevens of plomps.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings