Note 1 — De Engelschen en hunne eilanden.
Reading edition
Eindelijk worden ook die Duitsche stammen, die naar Engeland kwamen, voornamelijk de Neder-Duitsche1 uit Holland door Friesland tot aan de Westphaalsche streken, die zelfs Karel de Groote slechts na veeljarige moeiten vermocht aan banden te leggen, boven andere Duitschers geschetst als bijzonder hardnekkig, als menschen die steeds hunne gewoonten trouw bleven, en als met koppigheid gehecht aan de zeden hunner vaders. Zij brachten deze eigenaardigheden naar Engeland over en verzekerden blijvende kracht aan hunne wetten en hunne taal. Aanvankelijk echter gelukte hun dit slechts in de naar de Duitsche Zee gelegene, opener, effener en breedere Oostelijke helft van Engeland, en ook daar nog zeer langzaam. De geheele bergachtige Westelijke helft in het Noorden (Cumberland), in het Zuiden de lange tong van Cornwallis, in het midden het bergachtige schiereiland van Wales, bleven nog lang in het bezit der Celtische oorspronkelijke bewoners, die hunne onafhankelijkheid, met een in de sagen aangaande den Britschen Koning Arthur verheerlijkten heldenmoed, verdedigden. Algemeen meent men, dat hierbij, in de Angel-Saksisch geworden Oostelijke helft, de Britsch-Celtische oorspronkelijke stam geheel opgegaan is en dat een geheel nieuw, zuiver Duitsch Saksendom ontstaan is.—Dit denkbeeld grondt zich vermoedelijk op eene overdrevene en valsche voorstelling van de gevolgen “der verdelging van al het inheemsche.”