Note 2 — De Engelschen en hunne eilanden.
Reading edition
En ook heden te dage staan de Kymren van Wales nog altijd als een zeer eigendommelijk volkje daar, met eene eigene taal en als menschen van groote werkzaamheid, als een kernachtig ras van krachtigen lichaamsbouw en zeer scherpe gelaatstrekken. Hunne gevoelens zijn, als bij alle Celten, levendig, hunne verbeeldingskracht ongemeen groot, hunne gedachten snel. Dien ten gevolge zijn zij ook van nature spraakzaam, even als de Franschen. Zij hebben hunne taal ook veel meer in hunne macht dan de Engelschen.—In menig dorp en in menigen schuilhoek hunner dalen, verstaan zij nog heden het Engelsch niet. Hunne ontwikkelde klassen hebben nu nog onder elkander zekere poëtische gezelschappen en bijeenkomsten, waarin alleen Walisch of Kymrisch gesproken en de oude Arthur-harp getokkeld wordt2. Boven de Celtische Ieren en Hoog-Schotten munten zij uit door eene groote wetenschappelijke en literarische vlugheid. Jaarlijks worden nog honderde boeken in de Britsche landtaal gedrukt. Men vindt daar Celtische geschriften, die elk kwartaal of elke maand verschijnen, als ook week- en dagbladen, waarvan een, “de Walische Times,” voor 20 jaren eene oplage van 100.000 exemplaren moet gehad hebben. Werken, die den Engelschen geleerden tot eer zouden verstrekken, zijn daar het werk van ijverige dilettanten geweest. Een Walische boer, Owann Jones genaamd, gaf in het jaar 1801 onder den titel “Gälische archeologie van Mywyr,” eene verzameling verhandelingen uit, die “een waar arsenaal van Kymrische oudheden” bevatten moeten.