Note 6 — De Nederlanders.1
Reading edition
Zeer veel hebben de Nederlanders in de eerste plaats te danken aan de omstandigheid, dat hun land het mondingsgebied der boven genoemde rivieren vormt. Deze komen met kalmen loop, uit de berglanden, als bevaarbare, breede kanalen het land binnen. Zij voeren den detritus der hoogere streken, als vet slijk met zich mede6, en vormen in de Nederlanden, waar zij in de zee uitstroomen, eene delta, wier bodem, als men hem tegen de elementen wist te beschermen, alle moeiten even rijkelijk beloonde als Egypte, en vervolgens de schoonste weiden en krachtigste kudden, en alle producten van land- en tuinbouw in de grootste volkomenheid opleverde. De rivieren brengen tevens de waren en voortbrengselen der hoogere streken van een groot, heerlijk, en wel voorzien gedeelte van Europa mede, die hier een uitweg in den Oceaan en een middel om aan het wereldverkeer deel te nemen, zoeken. De rivieren verdeelen zich verder in verscheidene armen, die als aderen door het geheele land heen loopen, en die, terwijl zij overal zijne door de natuur of kunst gevormde kanalen spijzigen, in alle hoeken des lands tot verkeer en scheepvaart uitnoodigen.—Reeds als het natuurlijke mondingsland, als het hoofd en het doel, waarheen Rijn, Maas en Schelde afsnellen, moet Nederland dus als een zeer bevoorrecht land beschouwd worden.