Note 24 — De Nederlanders.1
Reading edition
De oude schrijvers beschrijven onze voorouders als menschen van eene rijzige, kloeke gestalte, sterk gespierd en welgebouwd van lichaam, met een krijgshaftig voorkomen en open gelaat, met een voor de beschaafde Romeinen wat woest uitzicht, blauwe oogen en blond of rosachtig sluik haar, dat langs de breede schouders golfde of hing, als het niet opgebonden of afgesneden was; de huidkleur was, voor zooverre zij niet door de zon verkleurd was, blank.
Zij kenmerkten zich door eene onbegrensde liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid, door bewonderenswaardigen moed. Tacitus prijst de trouw waarmede hij zijn Vorst in den krijg aanhing en verdedigde: jegens vrienden en vreemden was hem zijn eens gegeven woord heilig; verder was volgens Tacitus geen volk gastvrijer dan onze voorouders; boven alle andere volken der oude wereld muntten zij uit door kuischheid en reinen zin en door hunne groote achting voor het vrouwelijk geslacht. Men vergenoegde zich met ééne vrouw, veelwijverij had slechts bij aanzienlijken en onder zekere voorwaarden en omstandigheden plaats. Ondeugden onzer voorouders daarentegen waren hunne drink- speel- en roofzucht. In het drinken waren zij zoo onmatig, dat, zegt Tacitus, “wilde men hunne neiging tot drinken bot vieren, hun geven zooveel zij verlangen, dan zouden zij gemakkelijker door hunne eigen uitspattingen dan door onze wapenen te overwinnen zijn.” Vert.