← Table of contents
Geschiedenis der Europeesche Volken

Note 30 — De Nederlanders.1

Reading edition

Wij deelen deze bewering van den Schrijver niet. Nederland bezit eene zeer rijke literatuur, maar men moet er eerder de verstandelijke ontwikkeling van een vrij en energiek volk in zoeken, dan meesterstukken, zooals Griekenland en Rome ons aanbieden. Iets karakteristiek in de Nederlandsche literatuur is: de eerbied voor de voorouders, de liefde voor de nationaliteit waartoe zij behoort, de zucht tot onafhankelijkheid, de groote mate van vaderlandsliefde, die er in doorstralen. Weinige volken hebben hunne vaderlandsche geschiedenis op zoo degelijke wijze beschreven gezien, als zulks bij ons het geval is. Voor het overige heeft Nederland dichters en proza-schrijvers van den eersten rang voortgebracht, zooals uit volgend kort overzicht der geschiedenis onzer literatuur moge blijken.

Onze taal heeft zich langzamerhand gevormd uit de samensmelting van verschillende Germaansche tongvallen. De oud-Nederlandsche taal, zooals wij die in de Karolingische Psalmen aantreffen, is het meest aan het oud-Saksisch verwant, b.v. aan dat wat men aantreft in den Heliand (een Angel-Saksisch gedicht uit de 9de eeuw, dat in allitereerende verzen de geschiedenis van Christus naar de Evangeliën verhaalt); het tegenwoordig vrij algemeen als echt erkende “Oera Linda Bok”, in het afgeloopen jaar door den heer Kuipers te Leeuwarden door den druk verspreid, welke uitgave tevens eene vertaling in onze tegenwoordige taal bevat is, na Homerus en Hesiodus, het oudste voortbrengsel der Europeesche letterkunde. Het eerste gedeelte is opgesteld in de 6de eeuw voor onze jaartelling, het tweede in het midden der 1ste eeuw. v. Chr. Het is dus aanmerkelijk ouder dan het oudste tot nu toe bekende gedenkstuk der Nederlandsche taal, eene Keure der stad Brussel van 1229. De afscheiding van het Nederlandsch als afzonderlijke tongval, begint omstreeks 1000 n. Chr. In de 13de eeuw komen onze eerste klassieke dichters, waaronder vooral Jacob v. Maerlant. Deze heeft, door de zuiverheid en regelmatigheid zijner spelling, grooten invloed op de vorming der taal uitgeoefend. Onder het Bourgondische stamhuis kwijnde ten gevolge van den Franschen invloed, het Midden-Nederlandsch. Met het verzet tegen de Spaansche overheersching, kwam in het noordelijk gedeelte des rijks, het Nieuw-Nederlandsch of het Hollandsch tot stand. Door Coornhert (1552–1590) en Marnix, heer van St. Aldegonde (1538–1598) werd het tot eene schrijftaal ontwikkeld. Hooft (1581–1647) en Vondel (1587–1679), veredelden, de eerste het proza, de tweede de poëzie. In het einde der 17de eeuw geraakte de letterkunde in verval, waaruit zij zich eerst tegen het einde der 18de eeuw weder oprichtte. Als grondslag voor de wetenschappelijke studie der Nederlandsche taal, noemt men het woordenboek van Kilianus. Zooals gezegd is, was het tijdvak van 1700—1800, niet gunstig voor verdere ontwikkeling; wel brachten een ten Kate en een Huydecoper veel bij tot de kennis en de wetenschappelijke en wijsgeerige behandeling der taal, maar daarentegen vormden zich verscheidene letterkundige genootschappen, die door overdreven zuivering, veelal verderfelijk werkten op de kernachtigheid en sierlijkheid. In het laatste gedeelte dier eeuw begon Bilderdijk zijne taalkundige onderzoekingen, terwijl het bestuur der Bataafsche republiek aandrong op een bepaald stelsel voor het onderwijs in de scholen en voor staatsstukken. Aan den hoogleeraar Siegenbeek en eenige andere taalkenners werd de vervaardiging eener spraakleer opgedragen, ten gevolge waarvan in 1805 van staatswege de Neder-Duitsche spraakkunst van Siegenbeek werd aangenomen, en dus eene eenparige spelling was vastgesteld. Bilderdijk trad op als hevig tegenstander en grondig bestrijder van de werken van Siegenbeek en Weiland. Jonckbloet en M. de Vries staan sedert eenigen tijd bij ons aan het hoofd der nieuwe school van Nederl. taalstudie. De taalregels door laatstgenoemden, in vereeniging met te Winkel, voorgesteld en blootgelegd in het op groote schaal aangelegde Woordenboek der Nederlandsche taal, ofschoon lang niet door alle taalkenners onvoorwaardelijk goed gekeurd, winnen in onze dagen hoe langer zoo meer veld.

De geschiedenis der Nederlandsche taal, kan men verdeelen in 4 tijdperken. Het eerste tijdperk loopt van 1200–1600: het tweede bevat de 17de eeuw; het derde loopt van 1700–1795 en het vierde van 1795 tot op onzen tijd.

De oudste onzer klassieke schrijvers is Jakob v. Maerlandt (1235—1300). De voornaamste van hem bekende dichtwerken (meest vertalingen uit het Latijn) zijn: de rijmbijbel, de Bestiaris of der naturen-bloeme. Een oorspronkelijk gedicht van hem is: verkeerde Martijn. Verder behooren in het 1ste tijdperk te huis: Melis Stoke, Jan van Heelu, Gheraert van Lienhout. In de romantische letterkunde hebben wij oudere voortbrengselen dan de hierboven genoemde, zoo b.v. behoort het 1ste gedeelte van Reinaart de Vos tot de 12de eeuw. Uit de 13de eeuw bezitten wij: de cyklus der Karolingische romans, de cyklus van de romans van Koning Arthur en de ridders van de tafelronde enz.

Als klassieke schrijvers in de 14de eeuw noemen wij Lodewijk v. Velthem, Jan Boendale.

Tot de 15de en 16de eeuw, behooren Erasmus, Agricola, Hanna Byns, Coornhert, Marnix van St. Aldegonde, Roemer Visscher, Spieghel.

Als dichters hebben zich in de 17de eeuw naam gemaakt: Hooft, Maria Tesselschade Visscher, Huygens, Cats, Hugo de Groot, Camphuyzen, v. Heemskerk, Gijsbert Japiks, Jeremias de Decker, Joost van den Vondel. Ook op proza-schrijvers mag deze eeuw boogen, als zoodanige noemen wij: Hooft, Brandt, v. Heemskerk, Hugo de Groot.

Dichters in het 3de tijdperk (1700–1795) waren Rotgans, Poot, Langendijk, Hoogvliet, Smits, Willem en Onno Zwier v. Haren, v. Winter en Lucretia van Merken, v. Alphen, Bellamy, Nieuwland, terwijl in dit tijdperk zich naam als prozaschrijvers verwierven, v. Loon, Wagenaar, Stijl, Justus v. Effen, Elisabeth Wolf, Agatha Deken, Fokke Simons, Lambert ten Cate, Balthasar Huijdecooper.

Ook het vierde tijdperk is niet arm aan dichters of prozaschrijvers, getuige dichters als Rhynvis Feith, Bilderdijk, Helmers, Kinker, v. Hall, Spandaw, Tollens, da Costa, Borger, Staring, v. Lennep, Beets, Bogaers, ter Haar, de Genestet, ten Kate, de Bull, de kinderdichters Gouverneur en Heye; terwijl prozaschrijvers als v.d. Palm, Borger, Bilderdijk, Bosscha, Loosjes, v. Lennep, Oltmans, Mevr. Bosboom-Toussaint, Beets, Hazebroek, Kneppelhout, en anderen, den roem der vaderlandsche letterkunde waardig hebben opgehouden. Vert.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings