Zuster Simplicia.
Reading edition
De gebeurtenissen, welke men nu lezen zal, zijn niet alle te M. sur M. bekend geworden. Maar het weinige wat men er van vernam, heeft in deze stad zulk een diepe herinnering achtergelaten, dat het in dit boek een gewichtige leemte zou zijn, zoo wij het niet in bijzonderheden mededeelden.
De lezer zal hierbij een paar onwaarschijnlijke omstandigheden ontmoeten, welke wij echter, uit eerbied voor de waarheid, niet mogen veranderen.
Des namiddags na het bezoek van Javert ging de heer Madeleine als gewoonlijk Fantine bezoeken.
Eer hij bij haar binnentrad, liet hij zuster Simplicia roepen.
De beide geestelijke dochters, die in de ziekenzaal dienst deden, behoorden tot de orde der Lazaristen, gelijk alle liefdezusters, en heetten zuster Perpetua en zuster Simplicia.
Zuster Perpetua was niets anders dan de eerste de beste plompe boerin, en was liefdezuster geworden, zooals anderen in een dienst gaan. Zij was geestelijke dochter, evenals men keukenmeid is. Dit type is niet zeldzaam. De kloosterorden nemen zulke plompe boerenkarakters gaarne aan, wijl ze zich gemakkelijk tot Capucijnen of Ursulinen laten fatsoeneeren. Dit gehalte wordt voor het grove werk der devotie gebruikt. De overgang van een ossendrijver tot Karmeliet heeft niets schreeuwends; uit den eerste wordt zonder veel moeite de tweede; de gemeenschappelijke grond der dorps- en klooster-onwetendheid is een geschikte voorbereiding, en zet dadelijk den buitenman op dezelfde trap als den monnik. De kiel een weinig uitgelegd, en hij wordt een pij. Zuster Perpetua was een zeer sterke religieuse uit Marines bij Pontoise, die haar patois rammelde, haar gebeden prevelde, drukte maakte, suiker in de dranken deed naar gelang van de bigotheid of geveinsdheid van den lijder, barsch met de zieken, ruw met de stervenden, wien zij God bijna in ’t gezicht wierp, terwijl ze den zieltogende schier met toornige gebeden verpletterde; overigens moedig, eerlijk en roodharig.
Zuster Simplicia was wit als was. Bij zuster Perpetua was zij als de waskaars naast de vetkaars. Vincentius van Paula heeft het portret der liefdezuster heerlijk geschetst in deze bewonderenswaardige woorden, waarin hij zooveel vrijheid met zooveel dienstbaarheid paart. „Zij zullen geen ander klooster hebben dan het huis der kranken, geen andere cel dan een gehuurde kamer, geen andere kapel dan haar parochiale kerk, geen anderen tuin dan de straten der stad of de zalen der hospitalen, geen andere gelofte dan de gehoorzaamheid, geen andere traliën dan de vreeze Gods, geen anderen sluier dan de nederigheid.” Dat ideaal was levend in zuster Simplicia. Niemand had zuster Simplicia’s ouderdom kunnen aangeven; nooit was zij jong geweest en scheen nooit oud te zullen worden. ’t Was iemand—wij durven geen vrouw zeggen—die zachtmoedig, nauwgezet, goed opgevoed, bedaard was, en nooit gelogen had. Zij was zoo zacht, dat zij broos scheen; evenwel was zij sterker dan graniet. Zij behandelde de ongelukkigen met fraaie, teedere, zuivere vingers. Er lag, om zoo te spreken, iets zwijgends in haar woorden; zij sprak juist wat noodig was, en had een stem, die even stichtelijk in een biechtstoel als bekoorlijk in een salon zou geweest zijn.
Deze teederheid voegde zich in het wollen kleed en vond in de aanraking er van een gestadige vingerwijzing naar God en den hemel. Op eene bijzonderheid vestigen wij vooral de aandacht. Het onderscheidend kenmerk van zuster Simplicia, de uitdrukking harer deugd was, dat zij nooit gelogen had, dat zij nooit, om welke reden ook, zelfs in de onverschilligste zaak, iets had gezegd, dat niet waar, dat niet de zuiverste waarheid was. Zij was bij haar orde wegens deze onwrikbare waarheidsliefde schier vermaard geworden. De abt Sicard spreekt in een brief aan den doofstommen Massieu, van zuster Simplicia. Hoe oprecht en rein wij wezen mogen, allen hebben wij toch min of meer de kleine vlek van den onschuldigen logen op onze eerlijkheid. Zij niet. Kleine logens, onschuldige logens, zijn er deze? Liegen is een volstrekt kwaad. Min of meer te liegen is onmogelijk; hij die liegt, liegt de geheele leugen. Leugen is het aangezicht des duivels; de duivel heeft twee namen: hij heet satan en logen. Zoo dacht Simplicia. En naar zij dacht, handelde zij ook. Hiervan was die blankheid, waarvan wij gesproken hebben, het gevolg; een blankheid, die zelfs van haar lippen en uit haar oogen straalde. Haar glimlach was blank, haar blik was blank. Op het glas van haar geweten was geen enkel spindraadje, geen enkel stofje te vinden. Toen zij in de orde van Sint Vincentius van Paula trad, had zij bij voorkeur den naam van Simplicia aangenomen. ’t Is bekend, dat Simplicia van Sicilië de heilige was, die zich liever beide borsten liet afsnijden dan te zeggen dat zij, die te Syracusa het levenslicht zag, te Segesta was geboren, welke leugen haar had kunnen redden. Deze beschermheilige paste voor deze ziel.
Bij haar komst in de orde had zuster Simplicia twee gebreken, waarvan zij zich allengs gebeterd had; zij hield van lekkernijen en ontving gaarne brieven. Zij las nooit een ander boek, dan haar met groote letters gedrukt Latijnsch getijdeboek. Zij verstond geen Latijn, maar zij verstond het boek.
De vrome dochter had voor Fantine bijzondere genegenheid opgevat, waarschijnlijk wijl zij in haar een verborgen deugd vermoedde, en zij wijdde haar zorgen schier uitsluitend aan haar.
De heer Madeleine nam zuster Simplicia ter zijde en beval haar Fantine op een zonderlingen toon aan, dien zij zich later herinnerde.
Toen hij de zuster verliet, ging hij naar Fantine.
Fantine verwachtte dagelijks de komst van mijnheer Madeleine, evenals men een straal van zon en blijdschap verwacht. Zij zeide tot de liefdezusters:—Ik leef slechts, wanneer mijnheer de maire hier is.
Dien dag had zij veel koorts. Zoodra zij mijnheer Madeleine zag, vroeg zij hem:
„En Cosette?”
„Spoedig,” antwoordde hij glimlachend.
Mijnheer Madeleine was jegens Fantine als gewoonlijk, behalve dat hij thans een uur in plaats van een half uur bleef, tot Fantine’s groot genoegen. Aan iedereen beval hij dringend om de zieke niets te laten ontbreken. Men merkte op, dat zijn gezicht voor een oogenblik zeer treurig werd. Doch dit verklaarde zich, toen men vernam dat de dokter hem had ingefluisterd:—Zij neemt merkelijk af.
Vervolgens keerde hij naar de maire terug, en de kantoorknecht zag hem aandachtig een reiskaart van Frankrijk beschouwen, die aan den wand hing. Hij schreef eenige cijfers met potlood op een papier.