← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Javert is tevreden.

Reading edition

Ziehier wat gebeurd was.

’t Was half één ’s nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in de ziekenzaal Fantine te bezoeken.

Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling geval, ’t welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in ’t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu buiten beschuldiging gesteld.

Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.

Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden „over de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur M. te verzekeren.” Deze zinsnede, met al de van’s, was geschreven met de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moest zijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig koningsgezinde, en hij had er zich over gebelgd gevoeld, dat de maire van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak, de keizer en niet Bonaparte had gezegd.

Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur M. en belastte er den inspecteur Javert mede.

Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar M. sur M. was teruggekeerd.

Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal onderteekend, luidde aldus: „De inspecteur Javert zal zich van den persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren, die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean Valjean herkend is geworden.”

Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit verried een ongehoorde opgewondenheid.

Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de knoopen van zijn rok.

Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een inwendige aardbeving zou kunnen noemen.

Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den maire kwamen vragen.

Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen verklikker en trad binnen.

Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur staan, met den hoed op ’t hoofd, de linkerhand in zijn jas, die tot aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.

Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag hem en deed mijnheer Madeleine omzien.

Juist toen Madeleine’s blik dien van Javert ontmoette, was Javert, zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.

Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft teruggevonden.

De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond kwam boven ’t water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich af op zijn smal voorhoofd. ’t Was het grootst mogelijk vertoon van afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.

Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid; hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.

In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.

Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef, zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden, maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar verschrikkelijkheid. ’t Zijn deugden, die een ondeugd hebben, de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich, om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings