← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Vader Fauchelevent.

Reading edition

Op zekeren ochtend ging mijnheer Madeleine te M. sur M. door een kleine, ongeplaveide straat: hij hoorde rumoer en zag op eenigen afstand een groep menschen. Hij ging er heen. Een oude man, Fauchelevent geheeten, lag onder zijn kar, waarvan het paard gevallen was.

Deze Fauchelevent behoorde tot de weinige vijanden, welke de heer Madeleine te dien tijde nog had. Toen Madeleine in het oord was gekomen, dreef Fauchelevent, een voormalig ambtsschrijver en een min of meer geletterde boer, een handel, die achteruit begon te gaan. Fauchelevent zag den eenvoudigen werkman rijk worden, terwijl hij, een baas, armer en armer werd. Dit had hem met afgunst vervuld, en hij deed bij iedere gelegenheid al het mogelijke om Madeleine te benadeelen. Toen hij eindelijk bankroet ging en niets meer bezat dan een kar en een paard, werd hij op zijn ouden dag, om te kunnen leven, voerman. Vrouw of kinderen had hij niet.

Het paard had twee pooten gebroken en kon niet weer opstaan. De oude man lag tusschen de wielen en was zoo ongelukkig gevallen, dat de gansche kar op zijn borst drukte. De kar was vrij zwaar geladen. De oude Fauchelevent jammerde erbarmelijk. Men had gepoogd, hem er onder uit te halen, maar vruchteloos. Een onvoorzichtige krachtsinspanning, een onhandigheid, een verkeerde beweging kon hem het leven kosten. ’t Was niet mogelijk hem te bevrijden, dan door het voertuig van onder op te heffen. Javert, die op ’t oogenblik van ’t ongeluk daar ter plaatse was, had een windas doen halen.

Toen mijnheer Madeleine naderde, ging men eerbiedig voor hem ter zijde.

„Help!” riep de oude Fauchelevent. „Wie is zoo goed den ouden man te helpen?”

De heer Madeleine wendde zich tot de omstanders en vroeg:

„Heeft iemand een windas?”

„Men haalt er een,” antwoordde een boer.

„Zal ’t lang duren, eer men ’t heeft?”

„Men is naar den naasten smid gegaan; maar er zal wel een kwartier uurs meê heengaan.”

„Een kwartier uurs!” riep Madeleine. Het had den vorigen dag geregend, de grond was doorweekt; de kar zonk er ieder oogenblik dieper in en drukte zwaarder en zwaarder op den ouden voerman.

’t Was duidelijk, dat binnen vijf minuten zijn ribben zouden gebroken zijn.

„’t Is onmogelijk een kwartier uurs te wachten,” zei Madeleine tot de omstanders.

„Het kan niet anders!”

„Maar dan zal het te laat zijn. Ziet ge niet, dat de kar steeds dieper zinkt?”

„Inderdaad!”

„Luistert,” hernam Madeleine, „er is nog ruimte genoeg voor een man om onder de kar te kruipen en ze met zijn rug op te lichten. In een halve minuut zal de arme man er onder uitgehaald zijn. Is er iemand die kracht en moed heeft? Er zijn vijf louis d’or te verdienen.”

Niemand bewoog zich.

„Tien louis,” zei Madeleine.

De omstanders sloegen de oogen neder. Een mompelde er:—Men zou wel drommels sterk moeten zijn. En daarbij loopt men gevaar verplet te worden.

„Nu! twintig louis d’or?” hernam Madeleine.

Hetzelfde zwijgen.

„’t Ontbreekt hun niet aan goeden wil,” zei een stem.

Mijnheer Madeleine keerde zich om en herkende Javert, dien hij nog niet gezien had.

Javert vervolgde:

„Maar aan de kracht. Men moet wel een schrikkelijk sterk man zijn, om met den rug zulk een kar op te lichten.”

Hij staarde den heer Madeleine nu strak aan, en op ieder zijner woorden drukkende, zeide hij:

„Ik heb van mijn leven slechts één man gekend, mijnheer Madeleine, die in staat was te doen wat gij meent.”

Madeleine ontroerde.

Javert voer op onverschilligen toon voort, doch zonder de oogen van Madeleine af te wenden:

„’t Was een galeislaaf.”

„Zoo!” zei Madeleine.

„In het bagno van Toulon.”

Madeleine verbleekte.

Ondertusschen zonk de kar langzaam dieper en dieper. De oude Fauchelevent kermde en huilde:

„Ik stik! Mijn ribben breken! Een windas! ’t Een of ’t ander! Ach!”

Madeleine zag nogmaals om zich en zeide:

„Is er dan niemand die twintig louis d’or wil verdienen en het leven van dien armen ouden man redden?”

Geen der aanwezenden bewoog zich. Javert herhaalde:

„Ik heb maar één mensch gekend die een windas kon vervangen. ’t Was deze galeislaaf.”

„Ach! ik word verplet!” schreeuwde de grijsaard.

Madeleine richtte het hoofd op, zag den valkenblik van Javert steeds op zich gevestigd, zag de boeren aan, die zich niet verroerden en glimlachte treurig. Zonder een woord te spreken, zonk hij toen op de knieën en zelfs vóór de omstanders een kreet hadden kunnen uiten, was hij onder de kar.

Er ontstond een vreeselijk oogenblik van verwachting en stilte.

Men zag Madeleine schier plat op den buik onder den vreeselijken last tweemaal tevergeefs beproeven zijn knieën dichter tot zijn ellebogen te brengen. Men riep hem toe:—„Vader Madeleine! kom er onder uit.”—Zelfs de oude Fauchelevent zeide:—„Ga heen, mijnheer Madeleine. Gij ziet wel, dat ik moet sterven. Verlaat mij! Gij zult u ook laten verpletten!”—Madeleine antwoordde niet.

De aanwezenden ademden nauwelijks. De wielen waren dieper gezonken en ’t was reeds bijna onmogelijk voor Madeleine geworden van onder het voertuig weg te komen.

Eensklaps zag men het zware gevaarte wiegelen, langzaam verhief zich de kar, de wielen kwamen ten halve uit het spoor. Men hoorde een gesmoorde stem roepen: „Haast u! helpt!” ’t Was Madeleine, die een laatste inspanning had gedaan.

Al de omstanders ijlden toe. De zelfopoffering van één mensch had allen moed en kracht gegeven. De kar werd door twintig armen opgeheven. De oude Fauchelevent was gered.

Madeleine richtte zich op. Hij was bleek, hoewel van zweet druipend. Zijn kleeding was gescheurd en met slijk bedekt. Allen weenden; de grijsaard omhelsde zijn knieën en noemde hem een engel Gods. Op Madeleine’s gezicht lag een onbeschrijfelijke uitdrukking van een hemelsch zalig lijden; hij hield zijn kalm oog op Javert gevestigd, die hem steeds aanschouwde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings