← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Het gezag herneemt zijn rechten.

Reading edition

Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen; zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen en riep angstig:

„Mijnheer Madeleine, red mij!”

Jean Valjean,—wij zullen hem in ’t vervolg niet anders noemen,—was opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine:

„Wees gerust. Hij komt niet om u.”

Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:

„Ik weet wat ge wilt.”

Javert antwoordde: „Kom, spoedig!”

In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; ’t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.

Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!

Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op Jean Valjean dien blik, welken hij als een haak uitwierp en waarmede hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.

’t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg van haar gebeente had voelen doordringen.

Op Javert’s stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer de maire was er: wat had zij te vreezen?

Javert trad tot in ’t midden der kamer en riep:

„Nu! komt ge?”

De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping gelden? Haar alleen! Zij rilde.

Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de wereld onderging.

Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.

„Mijnheer de maire!” riep Fantine.

Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.

„Hier is geen mijnheer de maire meer!”

Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:

„Javert....”

Javert beet hem toe:—„Noem mij mijnheer den inspecteur.”

„Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”

„Spreek maar hardop,” antwoordde Javert, „men spreekt altijd hardop tot mij.”

Jean Valjean hernam zacht:

„Ik wilde u een verzoek doen...”

„Ik zeg, dat ge hardop moet spreken.”

„Maar dit mag alleen door u gehoord worden...”

„Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!”

Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:

„Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo gij wilt.”

„Houdt ge mij voor den gek?” riep Javert. „Ik dacht niet, dat ge zoo dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt, dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet slecht!”

Fantine beefde.

„Mijn kind!” riep zij, „mijn kind gaan halen! ’t Is dus niet hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer Madeleine, mijnheer de maire!”

Javert stampvoette.

„Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land, waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen verpleegd worden! O, ’t zal alles veranderen, ’t is hoog tijd!”

Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: „Ik zeg u, dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet; en dat is degeen, dien ik hier vasthoud.”

Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende, aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk zij eensklaps in het hoofdkussen neer.

Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de borst terug, met open mond en strakke, doffe oogen.

Zij was dood.

Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield, en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak hij tot Javert:

„Ge hebt deze vrouw gedood.”

„Komt er een eind aan?” riep Javert woedend, „ik ben hier niet om praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden; terstond voort of de duimschroeven.”

In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af, ’t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine’s bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een nauwelijks hoorbare stem:

„Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen.”

’t Is zeker, dat Javert beefde.

Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maar Jean Valjean kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus, nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.

Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak haar fluisterend toe.

Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel, dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde, zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine’s hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.

Fantine’s gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.

De dood is de ingang tot het groote licht.

De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.

Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:

„Nu ben ik tot uw dienst.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings