← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Jean Valjean.

Reading edition

Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.

Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk een bijnaam, samengetrokken uit Voilà Jean (ziedaar Jan).

Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over ’t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen, jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster, die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging.

Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij had geen tijd om verliefd te zijn.

Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het hart der kool, uit zijn schotel, om ’t aan een van haar kinderen te geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.

Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.

In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen doen? ’t Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin had geen brood. Letterlijk geen brood—en zeven kinderen!

Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een opening in het traliewerk en in het glas had gemaakt. De arm greep een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. ’t Was Jean Valjean.

Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien tijd gevoerd, wegens „diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in een bewoond huis.” Hij had een geweer en was een uitstekend schutter; hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper, evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld.

In ’t voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.

Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: ’t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf jaren galeistraf veroordeeld.

Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit, behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van het jaar IV, Buona-Parte noemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige, die in den noorderhoek der binnenplaats aan ’t uiterste punt der vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, als legde hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen, hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden.

Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt?

’t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, dat het tegen ’t einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er ’s morgens om zes uur wezen, ’s winters lang voor de dag aanbrak. Er was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in ’t voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende, of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als ’t regende had een oude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras, een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan Jean Valjean; ’t was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets als een opengerukt venster, ’t welk hem het lot vertoonde der wezens, welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit, en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden.

Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals ’t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft, waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was ’t, geloof ik, in het dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen; hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een brood gestolen had.

Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit honger bedreven worden.

Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber ging hij er uit.

Wat was er in zijn ziel omgegaan?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings