Vier paren.
Reading edition
De vier paren begingen zorgvuldig al de landelijke dwaasheden die destijds mogelijk waren. ’t Was in den vacantietijd, en een warme heldere zomerdag. De oude, Favourite, de eenige die kon schrijven, had uit naam van alle vier aan Tholomyès geschreven: „C’est une bonne heure de sortir de bonheur.” Daarom stonden zij te vijf uren ’s ochtends op. Toen voeren zij met de schuit naar St. Cloud, bezichtigden den verdroogden waterval, en riepen: Wat moet dat fraai zijn, als er water in is! Zij gebruikten het ontbijt, wandelden, stoeiden, vermaakten zich op allerlei wijzen, plukten bloemen, aten en dronken, kortom waren volkomen gelukkig.
De meisjes koutten, lachten en zongen als ontsnapte vinken. ’t Was een dolle pret. Zij schertsten en stoeiden met haar minnaars. O lenteroes des levens! Verrukkelijke jaren! De vleugels der nimfen klapwieken. Wie gij ook zijt, herinnert ge u dien tijd? Zijt ge ooit door struweelen gegaan, zorgvuldig de takken ter zijde buigende, om het bekoorlijk kopje, dat achter u was, te beveiligen? Zijt ge ooit van een grasheuvel, die steil en door den regen glibberig was, afgedarteld, met een geliefde, die u stijf de hand vasthoudt, en uitroept: „Ach, mijn nieuwe laarsjes; hoe zien zij er uit!”
Wij moeten hierbij voegen, dat de vermakelijke ramp van een stortregen aan dit vroolijke gezelschap ontging, hoewel Favourite bij het vertrek, op moederlijken en matresachtigen toon gezegd had: „de slakken kruipen langs den grond. Een voorteeken van regen, kinderen!”
Alle vier waren schoon van schalkschheid. Een goed oud, klassiek dichter, destijds vermaard, een man die een Eleonore had, de ridder de Labouisse, doolde dien dag onder de kastanjeboomen van St. Cloud, en toen hij de vier meisjes tegen tien uren ’s morgens zag voorbijgaan, zeide hij: „Er is er één te veel”, waarbij hij aan de drie gratiën dacht. Favourite, Blachevelle’s minnares, de drieëntwintig-jarige, de oude, liep vooruit onder de zware groene takken, sprong over slooten, kroop onverschrokken door struiken en heggen, en voerde haar vroolijke gezellen aan met al het vuur eener boschgodin. Zephine en Dahlia, aan welke het toeval die verschillende schakeeringen der schoonheid had geschonken, welke elkaar aanvulden en verhoogden, verlieten elkander niet, meer nog uit instinct van coquetterie dan uit vriendschap; tegen elkander gesteund en gevlijd, vertoonden zij Engelsche poses. De eerste Keapsakes waren verschenen; voor de vrouwen begon de melancholie mode te worden, zooals later het Byronisme voor de mannen, en het haar der schoone sekse begon als een treurwilg over het gezicht te hangen. Zephine en Dahlia waren met krullen gekapt. Listolier en Fameuil, die in een discussie over hun professoren verdiept waren, verklaarden aan Fantine het verschil, dat er tusschen den heer Delvincourt en den heer Blondeau bestond.
Blachevelle scheen opzettelijk geschapen, om des Zondags de shawl van Favourite op den arm te dragen.
Tholomyès volgde als de meester der groep. Hij was zeer vroolijk, maar men voelde toch zijn heerschappij; in zijn vroolijkheid was iets van den dictator: zijn grootste opschik was een wijde nanking pantalon met souspieds van gevlochten koperdraad, hij had een dikken bamboes van tweehonderd francs in de hand; en, wijl hij zich alles veroorloofde, in den mond—iets vreemds in dien tijd—een sigaar. Er was niets heilig voor hem—hij rookte.
„Tholomyès is toch een ongemeen mensch,” zeiden de anderen eerbiedig. „Zie zijn pantalon! hoe forsch!”
Fantine was de vroolijkheid zelve. Haar prachtige tanden hadden blijkbaar van God den last ontvangen, om te lachen. Zij droeg haar stroohoedje met lange fladderende witte kinbanden liever in de hand dan op het hoofd. Haar zwaar blond haar, dat telkens losging en langs haar hoofd golfde, deed haar eene Galathee gelijken, die onder de wilgen vlucht. Haar rooskleurige lippen babbelden bekoorlijk. De wellustig opgetrokken mondhoeken, als die der antieke afbeeldingen van Erigone, schenen tot onbeschroomdheid aan te moedigen en uit te dagen; maar haar lange oogwimpers wierpen een bescheiden schaduw over het ondergedeelte van haar gezicht, als om tot ernst te vermanen. Haar geheele kleeding en opschik had iets vroolijks, zwierigs. Zij droeg een japon van lilas barège, lage goudlederen schoentjes met kruislinten op de fijne witte kousen, en die soort van neteldoeken spencer, die te Marseille is uitgevonden, en wier naam, canezou, een verbastering is van het woord quinze août, dat schoon weder, warmte en middag beteekent. De drie anderen, welke minder bloode waren, droegen zeer lage lijven, ’t geen des zomers, onder met bloemen bedekte hoeden, zeer bekoorlijk en verlokkend staat. Nevens dezen onbeschaamden tooi scheen de half doorschijnende canezou der blonde Fantine, die half vertoonde en half verhulde, zien liet en verborg, een tartende vondst der ingetogenheid, en het vermaarde liefdegerechtshof, voorgezeten door de burggravin de Cette met de zeegroene oogen, zou misschien den prijs der coquetterie aan deze canezou hebben gegeven, die als middel der eerbaarheid diende. Het gebeurt vaak, dat de onnoozelste de schranderste is.
Schitterend van aangezicht, met teedere omtrekken, donkerblauwe oogen, zware oogleden, kleine fraai besneden voetjes, wonderbaar fijne leden en gewrichten, blank vel, dat hier en daar de blauwe zwelling der aderen vertoonde, kinderlijk frissche wangen, krachtigen hals als die van Juno, sterken, buigzamen nek, schoon gevormde schouders, waartusschen men, door het neteldoek heen, een verleidelijk kuiltje zag; een beeld van vroolijkheid, door mijmering getemperd; ongemeen bekoorlijk en schilderachtig—zoodanig was Fantine;—en ’t was blijkbaar, dat dit beeld leven en een ziel bevatte.
Fantine was schoon, zonder dat zij ’t zelf recht wist. Diepzinnige navorschers, geheimzinnige priesters van het schoone, die stilzwijgend alles met de volmaaktheid vergelijken, zouden in dit naaistertje, door de Parijsche bevalligheid heen, de gewijde Euphonia der ouden hebben ontdekt. Deze dochter der onbekendheid was van den echten stempel. Zij was even schoon in beide opzichten, welke men stijl en rhythmus noemt. De stijl is de vorm van het ideale; de rhythmus de beweging er van.
Wij hebben gezegd, dat Fantine de vroolijkheid was; zij was ook de eerbaarheid.
Een nauwkeurig opmerker zou, door de opgetogenheid en verrukking van jeugd, seizoen en liefde heen, een onverwinnelijke uitdrukking van ingetogenheid, een bescheidenheid ontdekt hebben. Zij betoonde steeds eenige aarzeling. Deze kuische aarzeling is de tint die Psyché van Venus onderscheidt. Fantine had de witte, fijne vingers der Vestaalsche maagd, die met een gouden naald de asch van het heilige vuur omroert. Hoewel zij aan Tholomyès niets had geweigerd—zooals men maar al te spoedig zien zal—had haar gezicht, als zij in rust was, een bij uitnemendheid maagdelijke uitdrukking; in sommige oogenblikken vertoonde zij eensklaps een zweem van ernstige, strenge waardigheid, en niets was zonderlinger en treffender dan haar vroolijkheid zoo ijlings te zien verdwijnen, en haar dartelheid, zonder eenigen overgang, voor ernstig gepeins te zien plaats maken. Deze plotselinge ernst, die vaak krachtig uitkwam, geleek de verachting eener godin. Haar voorhoofd, haar neus en kin bezaten die evenredigheid van lijnen, welke geheel verschillend van de evenredigheid der verhoudingen is, en waaruit de harmonie van het gezicht ontstaat; in de zoo karakteristieke tusschenruimte van den neus en de bovenlip, had zij die nauwelijks zichtbare, bekoorlijke plooi, dat geheimzinnig merk der kuischheid, ’t welk Barbarossa verliefd maakte op een, bij de opdelvingen van Icona gevonden, Diana.
De liefde moge een zonde zijn; maar Fantine was de onschuld, die op de zonde dreef.