Het stelsel der ontkenningen.
Reading edition
Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen?
De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen rond en scheen niet te hooren.
De president herhaalde de vraag.
Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij te spreken. ’t Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze, waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er tegelijk uit te komen. Hij sprak:
„Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en heb bij baas Baloup gewerkt. ’t Is een zware arbeid, het wagenmaken; altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen, weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de straten ligt, is een zuur werk. ’t Gaat iemand niet in de kleeren zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en ’t viel mij hard. En het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is, noemen ze u „oud dier.” Ik verdiende slechts dertig sous daags, men betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet, onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte, zou men zijn klanten verliezen. De planken laten ’t water door, en van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat dringt door. Zij heeft ook gewasschen in ’t waschhuis „Les Enfants Rouges,” waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij kwam ’s avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht uren naar bed ging. ’t Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar mijnheer Baloup. Voor ’t overige weet ik niet, wat men van mij wil.”
De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, en begon zelf mede te lachen.
’t Was vreeselijk!
De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem.
Hij herinnerde „mijnheeren de gezworenen”, dat de heer Baloup, de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen hij hem zeggen zou, en vervolgde:
„Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:—Vooreerst, zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak afgebroken en de appelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?”
De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich tot den president en zeide:
„Wat het eerste betreft...”
Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.
„Beschuldigde,” hernam de advocaat-generaal op strengen toon, „geef wel acht. Gij antwoordt niet op ’t geen u gevraagd wordt. Uw verwarring veroordeelt u. ’t Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was; dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren, waar ge boomsnoeier waart. ’t Is duidelijk, dat ge bij overklimming in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren de gezworenen zullen dit wel bedenken.”
De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep:
„Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in ’t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l’Hopital gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof, dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet het trouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij „Kleine”, nu heet men mij „Oude”. Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest, ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?”
De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den president.
„Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen—dit verzekeren wij hem—eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu, benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met den tuchteling Jean Valjean te ondervragen.”
„Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken,” zei de president, „dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen, terstond na ’t afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van den beschuldigde.”
„’t Is waar, mijnheer de president,” hernam de advocaat-generaal. „Bij afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: „Ik heb zelfs geen vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man heet niet Champmathieu; ’t is een voormalige galeislaaf, die zeer ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na ’t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad, wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van een diefstal bij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken.”
Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat, bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden.
De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts één ziel.
De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.
„Brevet,” zei de president, „gij hebt een onteerende straf ondergaan en moogt dus geen eed doen.”
Brevet sloeg de oogen neder.
„Evenwel,” hernam de president, „kan zelfs in den mensch dien de wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord van u dezen man in ’t verderf kan storten, en van den anderen kant, de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en ’t is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te hebben.—Beschuldigde! sta op.—Brevet, zie den beschuldigde goed aan, roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten, of ge in dezen man uw voormaligen makker in ’t bagno, Jean Valjean, blijft erkennen.”
Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:
„Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en die plaats in 1815 verliet. Een jaar later werd ik ontslagen. Thans ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren suf geworden; maar in ’t bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem volkomen.”
„Ga zitten,” zei de president. „Beschuldigde, blijf staan.”
Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen gaven. Hij onderging zijn straf in ’t bagno te Toulon, van waar men hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd, koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking in zijn blik. Zijn makkers in ’t bagno noemden hem Je-nie-dieu (Godloochenaar).
De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot Brevet. Op ’t oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.
Chenildieu lachte luid.
„Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde keten gezeten. Zijt ge boos, oude?”
„Ga zitten,” zei de president.
De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en in ’t rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. ’t Was een dier ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt.
De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem staanden man herkende.
Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaar oprecht en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel, een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen: „Ha, dat is er me een!” Na de tweede zeide hij een weinig luider, schier op tevreden toon: „Goed!” Bij de derde riep hij: „Wel drommels!”
De president vroeg hem nu:
„Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?”
Hij antwoordde:
„Ik zeg—wel drommels!”
Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.
„Deurwaarders,” riep de president, „zorgt voor stilte. Ik zal de debatten sluiten.”
Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde een stem roepen:
„Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!”
Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank van het publiek scheidde, geopend en stond nu in ’t midden der zaal. De president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen herkenden hem en riepen uit één mond:
„De heer Madeleine.”