← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Bevoorrechte toegang.

Reading edition

Zonder dat hij ’t zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden geheel het Boulonneesche vervulde, had zich dat gerucht eindelijk ook buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.

De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting der assises te Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: „deze heer wenscht de zitting bij te wonen,” maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar, nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het den deurwaarder terug, zeggende: „laat mijnheer binnenkomen.”

De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, iemand tot hem zeggen: „Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?”

’t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij de lamp stond, kon hij lezen: „De president van het hof van assises betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting.”

Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden een vreemden, bitteren nasmaak hadden.

Hij volgde den deurwaarder.

Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: „Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop dezer deur om te draaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den zetel van mijnheer den president.”—Deze woorden vermengden zich in zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere trappen langs welke hij gegaan was.

De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die oogenblikken, als men ze ’t meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.

Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet; hij scheen niets te voelen.

Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, 9 Juni van ’t jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine en Cosette.

In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd.

Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, ’t welk zoo duidelijk uitdrukt: „maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?” Toen keerde hij zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang, een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp; in de gang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde: vóór of achter hem geen gerucht;—nu liep hij, alsof men hem vervolgde.

Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als ijs, huiverend richtte hij zich op.

Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.

Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!

Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. ’t Was alsof iemand hem in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.

Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.

Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een schrede en naderde de deur.

Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet en hoorde niets.

Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep krampachtig den knop; de deur opende zich.

Hij bevond zich in de gerechtszaal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings