← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te vertrekken.

Reading edition

’t Was omstreeks acht uren ’s avonds, toen het wagentje, dat wij onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit, beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond, en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen te doen. Hij gaf zich zelven ’t getuigenis, dat het niet zijn schuld was, ofschoon ’t hem in den grond zijns harten geen leed deed.

De logementhoudster trad binnen.

„Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?”

Hij schudde ontkennend met het hoofd.

„De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is.”

Nu sprak hij en vroeg:

„Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?”

„O, mijnheer, ’t zal ten minste twee dagen rust noodig hebben.”

„Is ’t hier de paardenposterij?” vroeg hij.

„Ja, mijnheer.”

De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog vrij; hij bestelde die en betaalde ze.

„Mijnheer,” zei de klerk, „zorg prompt om één uur van nacht hier te zijn.”

Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad.

Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.

„Kunt ge mij ook zeggen, waar ’t gerechtshof is, mijnheer?”

„Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;” antwoordde do burger, een oud man, „welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van ’t gerechtshof uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden.”

„Worden daar ook de assises gehouden?”

„Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht.

Onderweg zei de burger:

„Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen eindigen gewoonlijk te zes uren.”

Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de man hem vier verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw.

„Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet gij deze vier vensters? ’t Is de zaal der assises. Er is licht. Men is er dus nog. ’t Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is ’t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?”

„Ik kom voor geen zaak,” was het antwoord, „ik moet slechts een advocaat spreken.”

„Dat is iets anders,” zei de burger. „Ziehier de deur, mijnheer, waar de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan.”

Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga’s, hier en daar met elkander stonden te fluisteren.

’t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in ’t zwart gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.

Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield.

De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.

„Hoe ver is men, mijnheer,” vroeg hij.

„’t Is afgeloopen,” zei de advocaat.

„Afgeloopen?”

Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich omwendde.

„Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?”

„Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?”

„Zekerlijk. ’t Kon onmogelijk anders.”

„Tot dwangarbeid?...

„Levenslang.”

Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:

„De identiteit is dus bewezen?”

„Welke identiteit?” hernam de advocaat. „Er was geen identiteit te bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld.”

„’t Is dus een vrouw?” vroeg hij.

„Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?”

„O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd is?”

„’t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen is.”

„Welke is die zaak?”

„O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg wezen om hem naar de galeien te zenden.”

„Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?”

„Ik geloof ’t niet. ’t Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst; verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting kunt ge ’t beproeven.”

„Waar is de ingang?”

„Door deze groote deur.”

De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet kunnen zeggen, of ’t geen hij gevoelde blijdschap was of smart.

Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd werd. Aangezien op de rol der assises buitengewoon veel zaken waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te zekerder was ’t echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld worden; de advocaat-generaal was zeer knap;—en „verloor” zelden zijn beschuldigden;—’t was een geestig mensch, die verzen maakte.

Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder:

„Zal de deur spoedig geopend worden?”

„Zij wordt niet geopend,” zei de deurwaarder.

„Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting is immers slechts geschorst?”

„De zitting is weder begonnen,” antwoordde de deurwaarder, „maar de deur wordt niet weder geopend.”

„Waarom?”

„Omdat de zaal vol is.”

„Is er geen plaats meer?”

„Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen.”

Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: „Er zijn nog wel een paar plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten.”

Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.

Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de trap af, als aarzelde hij op elke trede. ’t Is waarschijnlijk, dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: „M. Madeleine, maire van M. sur M.;” toen drong hij met snelle schreden door de menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en zeide gebiedend: „Breng dit aan mijnheer den president.”

De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings