← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

De bisschop werkt.

Reading edition

Den volgenden dag wandelde Monseigneur bij zonsopgang in zijn tuin. Magloire kwam geheel ontsteld op hem toeloopen.

„Monseigneur, Monseigneur,” riep zij, „weet uw Hoogwaarde waar het zilver-mandje is?”

„Ja,” zei de bisschop.

„Goddank!” riep zij. „Ik wist niet waar het gebleven was.” De bisschop had het mandje van een bloembed opgeraapt en gaf het Magloire.

„Daar is het.”

„Er is niets in,” zeide zij. „En ’t zilverwerk?”

„O! bedoelt gij het zilver?” hernam de bisschop. „Waar dat is, weet ik niet.”

„Goede God! ’t is gestolen; de man van gisterenavond heeft het gestolen.”

Met haar gewone drift en voortvarendheid, liep de oude Magloire naar de bidkamer; ging in de alkoof en keerde tot den bisschop terug. De bisschop stond voorover gebogen en beschouwde zuchtend een plant cochléaria, waarop het mandje was gevallen en die geknakt was. Hij richtte zich op, toen Magloire riep:

„De man is weg, Monseigneur; het zilverwerk is gestolen.”

Terwijl ze dit riep, richtte zij de oogen naar een hoek van den tuin, waar men sporen van overklimming zag. De kalk was beschadigd.

„Zie,” riep zij, „daar is hij over den muur geklommen, en in de straat Cochefilet gesprongen. ’t Is afschuwelijk! Hij heeft ons zilverwerk gestolen!”

De bisschop zweeg een oogenblik, toen zag hij ernstig op en zeide zachtmoedig tot Magloire:

„Maar behoorde ons dit zilver wel?”

Magloire wist niet wat te zeggen. Na een poos hernam de bisschop:

„Magloire, ik hield sinds lang ten onrechte dit zilverwerk in bezit. Het behoorde aan de armen. Wie was deze man! Blijkbaar een arme.”

„Helaas!” hernam Magloire. „’t Is niet om mij of om mejuffrouw. ’t Is ons onverschillig. Maar ’t is om Monseigneur. Waarmede zal Monseigneur nu voortaan eten?”

De bisschop zag haar verwonderd aan en vroeg:

„Zijn er geen tinnen lepels?”

Magloire haalde de schouders op en zeide:

„Het tin riekt.”

„IJzeren dan?”

Magloire zeide met een afkeerend gebaar: „Het ijzer kan men proeven.”

„Welnu,” hernam de bisschop, „dan houten.”

Eenige oogenblikken later ontbeet hij aan dezelfde tafel, waaraan Jean Valjean den vorigen avond gezeten had. Terwijl hij at, maakte hij welgemoed aan zijn zuster, die niets zeide, en aan Magloire, die zacht bromde, de opmerking, dat men volstrekt geen lepel of vork, zelfs geen houten, noodig heeft, om een stuk brood in een kom melk te doopen.

„Heeft men ’t ook ooit gehoord?” prevelde Magloire binnensmonds, heen en weer gaande, „zulk een mensch in huis te nemen! hem naast zich te laten slapen! ’t Is nog een geluk, dat hij alleen gestolen heeft. Hemel! men beeft als men er aan denkt!”

Terwijl broeder en zuster op ’t punt waren van de tafel op te staan, werd er aan de deur geklopt.

„Binnen,” riep de bisschop.

De deur werd geopend. Een zonderlinge, gewelddadige groep verscheen op den drempel. Drie mannen hielden een vierden bij den kraag. De drie mannen waren gendarmen; de andere was Jean Valjean.

Een brigadier der gendarmerie, die den troep scheen aan te voeren, stond bij de deur. Hij trad binnen en naderde met militairen groet den bisschop.

„Monseigneur,” zeide hij...

Bij dit woord richtte Jean Valjean, die er somber en verslagen uitzag, verbaasd het hoofd op.

„Monseigneur!” mompelde hij. „’t Is dus niet de pastoor...”

„Zwijg,” beval een gendarm. „’t Is Monseigneur de bisschop.”

Intusschen was Monseigneur Bienvenu zoo snel genaderd als zijn hooge jaren hem vergunden.

„Ha! zijt gij daar!” riep hij, Jean Valjean aanziende. „Het verheugt mij u te zien! Maar ... ik had u ook de kandelaars gegeven, die evenzeer van zilver zijn als het andere, en waarvoor ge wel tweehonderd francs kunt krijgen. Waarom hebt ge ze niet met uw zilveren lepels en vorken medegenomen?”

Jean Valjean sperde de oogen wijd open en aanschouwde den bisschop met een uitdrukking, die geen menschelijke taal kan wedergeven.

„Monseigneur,” zei de brigadier der gendarmerie, „was het dan waar, wat die man zeide? Wij ontmoetten hem. Hij liep als iemand die vluchtte. Wij hielden hem aan, om te zien. Hij had dit zilverwerk bij zich...”

„En hij zeide u,” viel de bisschop hem glimlachend in de rede, „dat het hem door een ouden, goeden priester was gegeven, in wiens huis hij den nacht had doorgebracht?... Nu begrijp ik het. En ge hebt hem weer hier gebracht. ’t Is een vergissing.”

„Als dat zoo is, kunnen wij hem dan laten gaan?” vroeg de brigadier.

„Zekerlijk,” antwoordde de bisschop.

De gendarmen lieten Jean Valjean los, die achteruit trad. „Is ’t dan waar, laat men mij los?” zeide hij op een gesmoorden toon, als sprak hij in den droom.

„Ja, gij zijt vrij, verstaat ge ’t niet?” zei een gendarm.

„Neem eerst uw kandelaars, voor ge heengaat, mijn vriend,” hernam de bisschop.

Hij ging naar den schoorsteen, nam de twee zilveren kandelaars en bracht ze Jean Valjean. De beide vrouwen zagen elkander aan, zonder een woord, een blik, een gebaar te wagen, om hem tegen te houden.

Jean Valjean beefde aan al zijn leden. Hij nam de beide kandelaars werktuiglijk en met een verward voorkomen aan.

„Ga nu in vrede,” zei de bisschop. „Nog een woord. Wanneer ge wederkomt, behoeft ge niet door den tuin te gaan, mijn vriend. Ge kunt altijd door de voordeur in- en uitkomen. Dag en nacht staat zij slechts op de klink.” Zich toen tot de gendarmen wendende, zeide hij:

„Ge kunt gaan, mijne heeren.”

Dezen verwijderden zich.

Jean Valjean was als iemand, die op ’t punt is in onmacht te vallen.

De bisschop naderde hem en fluisterde hem toe:

„Vergeet niet, vergeet nooit, dat ge mij beloofd hebt, dit geld aan te wenden om een eerlijk man te worden.”

Jean Valjean, die zich volstrekt niet herinnerde iets beloofd te hebben, stond als versteend. De bisschop had deze woorden met nadruk gesproken. Hij hernam plechtig:

„Jean Valjean, mijn broeder, gij behoort niet meer tot het kwade, maar tot het goede. Ik koop uw ziel, ik verlos haar van de slechte gedachten en den geest des verderfs, en geef ze aan God.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings