Tholomyès is zoo vroolijk, dat hij een Spaansch lied zingt.
Reading edition
Deze dag was van ’t begin tot het einde als ’t morgenrood. De geheele natuur scheen feest te vieren en vroolijk te zijn.
De bloemperken van Saint Cloud vervulden alles met hun geuren; het koeltje, dat van de Seine overwoei, bewoog zacht de bladeren; de takken gesticuleerden in den wind; de bijen beroofden de jasmijnen; een drom zwervende kapellen fladderde boven de klaver- en havervelden; in het heerlijk park van den koning van Frankrijk zwierf een troep vagebonden—de vogels.
De vier jeugdige paren glinsterden van vreugd, in den zonneschijn, op het veld, bij de bloemen, bij de boomen.
In deze paradijsachtige gemeenschap werden de koutende, zingende, loopende, dansende, vlinders vangende, bloemen plukkende, haar kousen in het hooge gras vochtig makende, frissche, dartele, niet slechte meisjes, allen werden nu en dan eens gekust, door allen, behalve Fantine, die zich peinzend en hardvochtig in haar onbepaalden tegenstand verhard had, ofschoon zij beminde.—Gij, zei Favourite tot haar, gij ziet er altijd uit, alsof ge heel wat zijt!
Dat zijn ware vreugden! Deze wandelingen van gelukkige paren zijn machtige eischen aan het leven en aan de natuur, en lokken overal liefkoozingen en licht uit. Er was eens een fee die weiden en boomen schiep, in ’t bijzonder voor minnenden. Vandaar ontstaat dat eeuwige dolen van verliefden door het vrije veld, dat bestendig voortduurt en zoo lang zal duren als er velden en boschjes en verliefden zullen zijn. Vandaar ook de liefde der denkers voor de lente. De patriciër en de handwerksman, de hertog en pair en de arme, de lieden van het hof en de lieden der stad, zooals men eertijds zeide, allen zijn onderdanen dezer fee. Men schertst, men verbergt zich, de lucht straalt van een schitterenden glans: welk een gedaanteverwisseling brengt de liefde voort! Notaris-klerken worden goden. Deze vroolijke kreten, die vervolgingen in het gras, die omvattingen in den snellen loop, dat gefluister, die liefdekout, dat rooven van kersen uit den eenen mond door den anderen, dat alles verrukt en straalt in hemelschen glans. De schoone meisjes stoeien en schertsen, alsof ’t nooit zal eindigen. De wijsgeeren, dichters, schilders aanschouwen deze verrukking en weten niet wat er van te maken, zoo zijn zij er door begoocheld.
Na het ontbijt waren de vier paren gegaan naar hetgeen toen het koninklijk vierkant werd genoemd, om er een pas uit Indië aangekomen plant te bezichtigen, wier naam we ons nu niet herinneren, en die op dat tijdstip geheel Parijs naar St. Cloud lokte. ’t Was een zonderlinge en fraaie heester, hoog van stam, welks tallooze bladerlooze takjes, als draden zoo fijn, met millioenen kleine witte roosjes waren bedekt, zoodat de plant een met haar begroeid en met bloemen bedekt hoofd geleek. Een ontelbare menigte verdrong zich steeds om de plant te bewonderen.
Na de bezichtiging van dezen heester, zei Tholomyès: Ik geef ezels! en na met een ezelverhuurder accoord te hebben gemaakt, keerden zij langs Vanvres en Issy terug. Het park te Issy, een nationaal eigendom, destijds in ’t bezit van een zekeren Bourguin, stond toevallig open. Zij waren het hek doorgegaan, hadden het beeld van den kluizenaar in de grot bezocht, de geheime werkingen van de vermaarde spiegelkamer beproefd, de waardige uitvinding van een sater, die millionnair is geworden. Zij hadden stoutmoedig geschommeld op den schopstoel tusschen de twee kastanjeboomen, die door den abbé Bernis bezongen zijn. Terwijl de schoonen een voor een schommelden, en hierdoor haar japonnen onder algemeen gelach opvlogen, zong de Toulousiër Tholomyès, die eenigszins Spanjaard was, daar Toulouse een nicht van Toloza is, op droefgeestige wijs het oude gallega-lied, dat wellicht door een schoon meisje ingegeven werd, dat op een touw tusschen twee boomen schommelde:
Soy de Badajoz.
Amor me Ilama.
Toda mi alma
Es en mis ojos
Porque ensenas
A tus piernas.
Fantine alleen wilde niet schommelen.
Van zulke preutschheid houd ik niet, pruttelde Favourite, tamelijk scherp.
Toen men de ezels verlaten had, was ’t een nieuw vermaak: men voer in een bootje over de Seine, en van Passy ging men te voet naar de barrière de l’Étoile. Zij waren, men zal ’t zich herinneren, sedert vijf uren ’s ochtends op de been, maar, „och,” zei Favourite, „des Zondags wordt men niet moede; ’s Zondags werkt de vermoeidheid niet.” Tegen drie uren gleden de vier paren, die vol geluk en zaligheid waren, van de Russische bergen, een zonderling toestel, dat destijds op de hoogte Beaujon stond en welks golvende lijn men boven de boomen der Champs-Elysées kon zien uitkomen.
Nu en dan riep Favourite:
„En de verrassing nu? ik verlang naar de verrassing.”
„Geduld!” antwoordde Tholomyès.