Fantine is gelukkig.
Reading edition
Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: „En Cosette?” werd met zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen zou. Zij vervolgde:
„Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten.”
Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.
„Maar,” vervolgde zij, „zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet bij mij op ’t bed gelegd, tegen ’t oogenblik dat ik ontwaken zou?”
Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer kon herinneren.
Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam den heer Madeleine te hulp.
„Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier.”
Fantine’s oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.
„Ach!” riep zij, „breng haar mij.”
Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat men haar het kind bracht.
„Nog niet,” hernam de geneesheer, „niet in dit oogenblik. Ge zijt nog koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn.”
Zij viel hem heftig in de rede:
„Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien.”
„Ge ziet,” zei de geneesheer, „dat ge driftig wordt. Zoolang ge zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. ’t Is niet genoeg haar te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt, zal ik zelf u haar brengen.”
De arme moeder liet het hoofd zinken.
„Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede praten. Anders niet. Is ’t niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn, om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven.”
Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en „zeer verstandig” te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdat men, als men haar zoo rustig zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij, hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei vragen te doen.
„Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe ’t haar gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen hebben geen geheugen; ’t gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit, morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden de Thénardier’s haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze vragen deed. Nu is ’t voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo ge wildet...!”
Hij nam haar hand en zeide: „Cosette is schoon: zij is welvarend, gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel, en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan ’t hoesten.”
En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder woord afbreken.
Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken.
„Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg.”
Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met bekommering; ’t was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden.
Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:
„Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!”
Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in en luisterde in verrukking.
Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van een werkster. ’t Was eene dier toevalligheden, welke men zoo vaak ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken de kinderen zich al niet! ’t Was dit kleine meisje, ’t welk Fantine hoorde zingen.
„O,” hernam zij, „’t is mijn Cosette, ik herken haar stem!”
Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf; Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: „Hoe wreed is deze geneesheer, dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een leelijk gezicht.”
Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot zich zelve te spreken, het hoofd in ’t kussen: „O, wij zullen gelukkig zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?”
Zij telde op haar vingers.
„... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje.”
Zij lachte.
Madeleine had Fantine’s hand losgelaten. Hij luisterde naar haar woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen, in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.
Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te staren vóór zich aan ’t einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt van schrik.
„Mijn God!” riep hij. „Wat deert u, Fantine?”
Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, ’t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.
Hij keerde zich om, en zag Javert.