← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Vroolijk einde der vreugd.

Reading edition

Toen de meisjes alleen waren, gingen zij twee aan twee, op de ellebogen geleund, voor de ramen staan, en praatten van het eene raam tot het andere met elkander.

Zij zagen de studenten gearmd de herberg uitgaan; dezen keerden het hoofd om, wenkten de meisjes glimlachend toe en verdwenen in dien bestoven zondagschen menschendrom, die wekelijks de Champs-Elysées bestormt.

„Blijft niet te lang weg!” riep Fantine.

„Wat gaan zij ons halen?” zei Zephine.

„’t Zal zekerlijk iets fraais zijn,” zei Dahlia.

„Ik,” hernam Favourite, „wensch dat het iets van goud zij.”

Zij vonden dra verstrooiing in de beweging, welke zij door de takken van het hoog geboomte heen, langs den kant van ’t water zagen, en die haar zeer vermaakte. ’t Was het uur, dat de postkarren en diligences vertrokken.

Bijna al de postwagens naar het Zuiden en Westen reden toen door de Champs-Elysées. De meeste volgden de kade en gingen uit de stad door de barrière van Passy.

Elk oogenblik zag men een groot geel en zwart geschilderd rijtuig, met rammelend voorspan, zwaar beladen, wanstaltig door de vele koffers, balen en valiezen, vol hoofden, die dra verdwenen, den straatweg tot gruis, als dol de keien tot steentjes rijden en zich door het gedrang een weg banen, daarbij vonken als uit een smidse slaande en stofwolken opjagende. Dat gewoel vermaakte de meisjes. Favourite riep:

„Welk een geweld! ’t Is alsof ’t hoopen kettingen zijn, die wegvluchten.”

Een dezer rijtuigen, ’t welk uithoofde der dicht bijeenstaande olmen moeilijk te onderscheiden was, hield een oogenblik stil en reed toen in galop verder.

Dit verwonderde Fantine.

„’t Is zonderling,” zeide zij. „Ik meende, dat de diligences nooit stilhielden.”

Favourite haalde de schouders op.

„Die Fantine is toch een wonderlijk meisje. Ik zie haar met bevreemding aan. Zij verwondert zich over de eenvoudigste dingen. Veronderstel, dat ik op reis ga, en aan de diligence zeg: ik ga vooruit, neem mij in ’t voorbijgaan op, aan de kade. De diligence komt, ziet mij, houdt stil, en neemt mij op. Dat gebeurt alle dagen. Ge kent het leven niet, mijn lieve!”

Er verliep eenige tijd. Eensklaps maakte Favourite een beweging, als van iemand die ontwaakt.

„Maar,” zeide zij, „waar blijft de verrassing.”

„’t Is waar,” hernam Dahlia, „de beloofde verrassing.”

„Zij blijven lang weg!” zei Fantine.

Nadat Fantine dit zuchtend gezegd had, trad de knecht, die bij het eten bediend had, binnen. Hij had iets in de hand, dat een brief geleek.

„Wat is dat?” vroeg Favourite.

De knecht antwoordde:

„Het is een brief, dien de heeren van straks mij voor de dames hebben gegeven.”

„Waarom hebt ge hem niet dadelijk gebracht?”

„Wijl de heeren bevolen hadden hem eerst na verloop van een uur aan de dames te geven,” antwoordde de knecht.

Favourite rukte het papier den jongen uit de handen. Het was inderdaad een brief.

Er is geen adres op. Maar zie, er staat op geschreven:

DIT IS DE VERRASSING.

Zij scheurde den brief haastig los en las (ze kon lezen):

„O, onze liefjes!

„Weet, dat we ouders hebben. Ouders, ge weet daar zoo niet af. In het kinderlijke en fatsoenlijke code civil heet dat vaders en moeders. Maar die ouders zuchten naar ons, die ouden van dagen eischen ons op, die goede mannen en die goede vrouwen roepen ons, verloren zonen; zij snakken naar onze terugkomst en bieden aan, gemeste kalveren te slachten. Aangezien we braaf zijn, gehoorzamen we hun. Op het oogenblik, dat ge deze regelen leest, brengen vijf vurige rossen ons naar onze papa’s en mama’s terug. We ruimen het veld, zooals Bossuet zegt. We vertrekken, we zijn vertrokken. Wij vluchten in de armen van Laffitte en op de vleugels van Gaillard. De diligence van Toulouse ontvoert ons aan den afgrond, en die afgrond zijt gij, o lieve schoonen! Wij keeren terug in de maatschappij, tot den plicht en de orde, en wel in vollen draf, drie mijlen in ’t uur. Het vaderland eischt, dat we, evenals iedereen, familievaders, préfecten, veldwachters en raadsheeren worden. Vereert ons. Wij offeren ons op. Beweent ons snel en vervangt ons spoedig. Indien deze brief u het hart verscheurt, geef hem dan terug. Adieu.

Gedurende bijna twee jaren hebben we u gelukkig gemaakt. Draagt er ons geen kwaad hart om toe.

„Geteekend: Blachevelle. ”Fameuil. ”Listolier. ”Felix Tholomyès.

„Post-scriptum. Het diner is betaald.”

De vier jonge meisjes zagen elkander aan.

Favourite verbrak het eerst de stilte.

„Wel,” riep ze, „’t is in alle geval een aardige grap.”

„Die is heel goed,” zei Zephine.

„Blachevelle moet het eerst op dat idée gekomen zijn,” hernam Favourite. „Dat maakt me verliefd op hem.”

„Neen,” riep Dahlia, „het is een idée van Tholomyès. Dat is zoo duidelijk als iets.”

„In dat geval,” hernam Favourite, „de dood aan Blachevelle en leve Tholomyès!”

„Leve Tholomyès!” riepen Dahlia en Zephine.

En ze schaterden ’t uit van lachen.

Fantine lachte met de anderen mee. Toen zij, een uur later, haar kamer was binnengetreden, huilde ze. Het was, zooals we hebben gezegd, haar eerste liefde; ze had zich aan dien Tholomyès overgegeven als aan een echtgenoot, en het arme meisje had een kind.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings