Een hoofdstuk, waarin men aanbidt.
Reading edition
Tafelgesprekken en liefdekout; de eerste zijn evenmin weder te geven als de tweede; liefdekout is een wolk, tafelgesprekken zijn dampen.
Fameuil en Dahlia neurieden; Tholomyès dronk, Zephine lachte, Fantine glimlachte; Listolier blies op een houten kindertrompetje, dat hij te Saint-Cloud had gekocht. Favourite lonkte teederlijk Blachevelle toe en zeide:
„O Blachevelle, hoe bemin ik u!”
Dit gaf aanleiding tot Blachevelle’s vraag:
„Wat zoudt ge doen, Favourite, zoo ik ophield u te beminnen?”
„Ik?” riep Favourite. „O, spreek zoo niet, zelfs niet in scherts. Zoo ge ophieldt mij te beminnen, zou ik op u springen, u verscheuren, krabben, ik zou u in ’t water gooien, u gevangen doen nemen.”
Blachevelle glimlachte met het welbehagen van een man wiens eigenliefde zich gestreeld voelt. Favourite hernam:
„Ja, ik zou de wacht roepen! Meent ge, dat ik mij zou bedwingen, monster?”
Blachevelle wierp zich in verrukking achterover op zijn stoel en kneep hoogmoedig zijn oogen dicht.
Etende fluisterde Dahlia, temidden van het rumoer, Favourite toe:
„Ge hebt uw Blachevelle dan wel heel lief?”
„Ik! Ik kan hem niet uitstaan,” antwoordde Favourite op denzelfden toon, haar vork weder opnemende. „Hij is gierig. Ik bemin het heertje, dat tegenover mij woont. Kent gij hem? een knappen jongen? Men ziet, dat hij veel aanleg tot komediant heeft. Ik ben verzot op komedianten. Zoodra hij te huis komt zegt zijn moeder: „Ach hemel! nu is ’t uit met mijn rust. Nu begint hij te schreeuwen. Maar, mijn kind, ge doet mijn hoofd bersten!” Dan loopt hij het huis door tot op de vliering, zoo hoog hij kan, om te zingen, te declameeren, en wat weet ik het? dat men hem beneden hoort! Hij verdient reeds een franc daags bij een deurwaarder met het schrijven van dagvaardingen. Hij is de zoon van een zanger der kerk van St. Jacques du Haut-Pas. O, hij is heel knap. Hij aanbidt mij zoozeer, dat hij op een dag, toen hij mij beslag zag maken om koeken te bakken, zeide: „mejuffrouw, maak koekjes van uw handschoenen en ik zal ze opeten.” Alleen kunstenaars kunnen iets zoo aardigs zeggen. O, hij is betooverend. Ik zou waarlijk haast op dien lieven jongen verzot worden. Ik zeg echter maar aan Blachevelle, dat ik hem bemin. Wel, wat zegt ge? kan ik goed liegen?”
Favourite hernam na een pauze:
„Weet ge, Dahlia, ik ben treurig. Het heeft den ganschen zomer geregend; de wind hindert mij; Blachevelle is zoo vreeselijk gierig; er zijn nog geen jonge erwtjes op de markt; men weet niet wat men eten zal; ik heb de spleen, zooals de Engelschen zeggen; de boter is zoo duur! en zie, ’t is een gruwel, wij eten in een kamer waar een bed staat; dit doet mij van het leven walgen.”