← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Gevolgen der handeling van mevrouw Victurnien.

Reading edition

De weduwe van den monnik was dus tot iets goed.

De heer Madeleine wist overigens niets van dit alles. ’t Was een bijzondere samenloop van gebeurtenissen, als waarvan het leven vol is. De heer Madeleine bezocht schier nooit de werkplaats der vrouwen.

Hij had tot opzichtster dezer werkplaats een bejaarde dochter aangesteld, welke hem door den pastoor was aanbevolen, en wie hij zijn gansche vertrouwen schonk; zij was inderdaad een achtenswaardige, kloeke, rechtvaardige, eerlijke vrouw, vol van die menschlievendheid, welke in het geven bestaat; maar zij bezat niet in denzelfden graad die liefdadigheid, welke medegevoelt en vergeeft. Mijnheer Madeleine verliet zich geheel en al op haar. De beste menschen zijn vaak gedwongen, hun gezag op anderen over te dragen. ’t Was in haar vol gezag en in de overtuiging dat zij wèl handelde, dat de opzichtster het proces aangevangen, Fantine geoordeeld, gevonnist, en het vonnis voltrokken had.

De vijftig francs, welke zij gegeven had, waren van een somme gelds genomen, die de heer Madeleine aan haar had toevertrouwd tot het geven van aalmoezen en het verleenen van hulp en onderstand aan de werksters, en van welke som zij geen rekenschap behoefde te doen.

Fantine ging op het land van huis tot huis, om zich als dienstbode aan te bieden. Niemand wilde haar echter hebben. Zij had de stad niet kunnen verlaten. De uitdrager aan wien zij haar meubels nog schuldig was,—en welke meubels, helaas!—had haar gezegd: Zoo gij weggaat, laat ik u als dievegge en oplichtster gevangen zetten. De huiseigenaar, wien zij huur schuldig was, had haar gezegd: gij zijt jong en schoon, gij kunt wel betalen. Zij deelde de vijftig francs tusschen den uitdrager en den huiseigenaar, gaf den eerste het drie vierde van zijn meubels terug, behield slechts het noodzakelijke, en bevond zich nu zonder werk, zonder verdienste, met niets dan haar bed en nog ongeveer honderd francs schuld.

Zij vond nu werk door ’t naaien van grove hemden voor de soldaten van het garnizoen, en won daarmede twaalf sous daags. Haar dochtertje kostte haar tien sous. ’t Was in dezen tijd, dat zij de Thénardier’s minder geregeld begon te betalen.

Een oude vrouw, die ’s avonds, wanneer zij te huis kwam, haar kaars aanstak, leerde haar de kunst om in armoede te leven. Na het „van weinig te leven,” volgt het, „van niets te leven.” ’t Zijn twee kamers, de eerste is donker, de tweede is pikzwart.

Fantine leerde, hoe men ’s winters geheel en al zonder vuur kan; hoe men een vogel wegdoet, die in twee dagen een cent koolzaad kost; hoe men een onderrok als deken en een deken als onderrok gebruikt; hoe men een kaars bespaart door des avonds zijn maaltijd bij het licht van het venster der overzijde te nuttigen. Men weet niet, hoeveel sommige zwakke wezens, die in ontbering en eerlijkheid oud zijn geworden, al van een stuiver doen kunnen. Ten laatste wordt dit een talent. Fantine verkreeg dat verheven talent, en schepte weder een weinig moed.

Omtrent dezen tijd zeide zij tot een buurvrouw:

„O, ik zeg tot mij zelf: zoo ik slechts vijf uren slaap en den geheelen overigen tijd aan mijn naaiwerk besteed, zal ik altijd wel zoo wat mijn brood verdienen. En daarbij, als men treurig is, eet men weinig. Welnu, lijden, zorg, een weinig brood eenerzijds en verdriet anderzijds, dit alles zal mij wel verzadigen.”

’t Zou voor haar een onuitsprekelijk geluk zijn geweest, zoo zij in dezen nood haar dochtertje bij zich had gehad. Zij dacht er wel aan, het te laten komen. Maar hoe! zou zij het kind in haar armoede doen deelen! bovendien was zij Thénardier geld schuldig. Hoe hem te voldoen? en de reis! hoe die te betalen?

De oude vrouw, welke haar, om zoo te zeggen, onderwijs in de armoede had gegeven, was een brave, ongehuwde vrouw, Marguerite genaamd, wezenlijk deugdzaam en godsdienstig, arm, en liefderijk voor de armen, ja zelfs voor de rijken; zij kon niet meer dan haar naam Margeritte schrijven, en geloofde aan God, ’t geen de ware wetenschap is.

Er zijn vele dergelijke deugdzamen in de laagste rangen der maatschappij; eenmaal zullen zij in de hoogste zijn. Dit leven heeft een volgenden dag.

In de eerste dagen was Fantine zoo beschaamd geweest, dat zij niet had durven uitgaan.

Op de straat was ’t haar, alsof men zich naar haar omkeerde en haar met den vinger nawees; iedereen gluurde haar aan, maar niemand groette haar; de koele, bittere verachting der voorbijgangers ging haar door lijf en ziel als een scherpe noordenwind.

In kleine steden verschijnt een ongelukkige naakt en bloot onder de spotzucht en nieuwsgierigheid van iedereen. In groote steden, te Parijs ten minste, kent de een den ander niet, en deze onbekendheid is een soort van bekleedsel. Ach, hoe gaarne zou zij naar Parijs zijn gegaan; maar ’t was onmogelijk.

Zij moest zich nu even goed aan de verachting gewennen, als zij zich aan de armoede had gewend. Allengs vermande zij zich. Na verloop van een paar maanden schudde zij de schaamte af, en ging uit als wist zij van niets. ’t Is mij onverschillig, zeide zij.

Zij kwam en ging met opgeheven hoofd, een bitteren glimlach om de lippen, en gevoelde dat zij onbeschaamd werd.

Madame Victurnien zag haar soms haar venster voorbijgaan, en merkte den nood op van „dat wezen,” ’t welk zij „weder op haar plaats gebracht had”, en wenschte er zich geluk mede. De slechte menschen hebben een vreeselijk geluk.

De overmatige arbeid putte Fantine uit, en de droge kuch, welke zij reeds had, nam toe. Dikwijls zeide zij tot haar buurvrouw Margaretha: „Voel eens hoe heet mijn handen zijn!”

Des morgens echter, wanneer zij met een ouden gebroken kam haar fraai haar, dat als vlokkige zijde golfde, in orde streek, had zij een oogenblik van gelukkige coquetterie.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings