← Table of contents
De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Mevrouw Victurnien geeft dertig francs uit voor de zedelijkheid.

Reading edition

Toen Fantine zag dat zij haar brood verdiende, had zij een oogenblik van blijdschap. Welk een gunst des hemels, met eere van zijn arbeid te leven! Zij kreeg weder lust tot arbeiden. Zij kocht een spiegel, smaakte het genot er haar jeugd, haar fraaie haar en fraaie tanden in te aanschouwen, vergat vele dingen, dacht slechts aan Cosette en aan de mogelijke toekomst, en was bijna gelukkig. Zij huurde een kamertje en kocht eenig huisraad op crediet, om het van haar toekomstig loon te betalen;—een overblijfsel van haar eenigszins ongeregelde gewoonten.

Wijl zij niet kon zeggen, dat zij getrouwd was, wachtte zij zich, zooals wij reeds aangeduid hebben, van haar dochtertje te spreken.

In den beginne, gelijk gezegd is, betaalde zij prompt de Thénardier’s. Dewijl zij echter niets dan haar naam kon teekenen, was zij verplicht haar brieven door een openbaar schrijver te laten schrijven.

Het werd opgemerkt, dat zij dikwerf schreef. In de werkzaal der vrouwen fluisterde men elkander toe, dat Fantine brieven schreef en iets aan de hand had.

Niemand is begeeriger om de daden van anderen te bespieden, dan zij, wien ze niet aangaan.—Waarom komt deze heer altijd met den donker? Waarom hangt gene donderdags nooit zijn sleutel aan den spijker? Waarom gaat hij altijd door nauwe stegen? Waarom verlaat mevrouw immer het huurrijtuig vóór zij aan haar huis is gekomen? Waarom laat zij een katern postpapier halen, hoewel zij papier genoeg in huis heeft? enz. enz.—Er zijn wezens, die om de oplossing dier raadsels te kennen, welke hun volstrekt niet raken, meer geld verspillen, tijd verkwisten en moeite doen, dan voor tien goede daden zou noodig zijn; en zulks uit vrijen wil, uit vermaak, zonder voor hun nieuwsgierigheid iets anders dan nieuwsgierigheid te verkrijgen. Geheele dagen zullen zij dezen of genen volgen, uren lang aan den hoek eener straat, ’s nachts, in koude en regen, op schildwacht staan, boodschappers, huurkoetsiers en lakeien dronken maken, kameniers en portiers omkoopen. Waarom? Om niets. Eenig en alleen uit begeerte om te zien, te hooren en te weten; alleen uit babbelzucht. En vaak heeft de ontdekking dezer geheimen, de openbaring dezer verborgenheden, de in ’t lichtstelling dezer raadsels, ongelukken, tweegevechten, bankroeten, den ondergang van geheele gezinnen, met verlies van menschenlevens ten gevolge, tot groote zelfvoldoening van hen, die dit hebben „ontdekt,” zonder eenig belang en uit louter instinct.

’t Is treurig!

Sommige lieden zijn slecht, eeniglijk door praatzucht. Hun gesprekken, hun onderhoud in de salons, hun gebabbel in de antichambre, is als een schoorsteen die veel hout verslindt. Zij hebben veel brandstof noodig, en die brandstof is de evenmensch.

Men hield alzoo Fantine in ’t oog.

Daarbij was menigeen jaloersch op haar blond haar en haar witte tanden.

Men had opgemerkt, dat zij in de werkplaats te midden der andere vrouwen, vaak het hoofd omkeerde en een traan uit haar oogen wischte. ’t Was in die oogenblikken, dat zij aan haar kind dacht; wellicht ook aan den man, dien zij bemind had.

’t Is een smartelijke arbeid, zich van een somber verleden los te scheuren.

Het werd insgelijks ontdekt, dat zij ten minste tweemaal ’s maands, en altijd aan hetzelfde adres schreef, en de brieven frankeerde. Men slaagde er in, het adres te bekomen: „Mijnheer, den heer Thénardier, herbergier te Montfermeil.” Men hoorde in de kroeg den openbaren schrijver uit, een oud man, die zijn maag niet met rooden wijn kon vullen, zonder zijn zak van geheimen te ledigen. Kortom, men vernam dat Fantine een kind had. „’t Moest een soort van meisje zijn.” Er werd een vrouw gevonden, die naar Montfermeil reisde, de Thénardier’s sprak, en bij haar terugkomst zeide: voor mijn dertig francs weet ik alles wat ik weten wilde. Ik heb het kind gezien!

De vrouw, die dit deed, was een oude helleveeg, madame Victurnien genaamd, een bewaarster en beschermster der deugd van iedereen. Zij was zesenvijftig jaar oud, terwijl haar leelijkheid met de jaren nog verdubbeld was. Haar stem was blatend als die van een geit, en haar aard als die van een bok. Deze oude vrouw was ook eens jong geweest; ’t geen men zich haast niet kon verbeelden. In haar jeugd, in ’t midden van 93, was zij getrouwd met een uit ’t klooster weggeloopen monnik, die de roode muts had opgezet en van de Bernardijnen tot de Jakobijnen was overgegaan. Zij was mager, dor, bits, scherp, stekelig, schier venijnig, en dacht steeds aan haar monnik, wiens weduwe zij was, en die haar gebreideld en tam gemaakt had. Zij was een brandnetel, wie men kon aanzien, dat ze met de monnikskap in schuring was geweest. Tijdens de restauratie was zij zoo vroom geworden, dat de priesters haar wegens den monnik geabsolveerd hadden. Zij bezat een klein vermogen, ’t welk zij, zooals zij overal en voortdurend rondbazuinde, aan een klooster wilde vermaken.

Bij den bisschop van Arras stond zij goed aangeschreven.

Deze mevrouw Victurnien dan, ging naar Montfermeil en kwam terug met het bericht, dat zij het kind gezien had.

Dat alles had tijd gekost; Fantine was reeds langer dan een jaar in de fabriek geweest, toen de opzichtster der werkplaats haar op een morgen vanwege mijnheer den maire vijftig francs ter hand stelde, met de boodschap, dat zij niet meer tot de fabriek behoorde en haar, namens den maire, uitnoodigde het oord te verlaten.

’t Was juist in dezelfde maand, dat de Thénardier’s, na in plaats van zes francs er twaalf te hebben gevraagd, nu vijftien in plaats van twaalf francs eischten.

Fantine was als door den bliksem getroffen. Zij kon de stad niet verlaten, wijl zij de huur en het bedrag van haar huisraad schuldig was. Vijftig francs waren tot de voldoening daarvan niet toereikend. Zij stamelde eenige smeekende woorden, maar de opzichtster gaf haar te kennen, dat zij onmiddellijk de werkplaats moest verlaten. Fantine was overigens slechts eene middelmatige arbeidster. Meer nog door schaamte dan door wanhoop ternedergeslagen, verliet zij de werkplaats en keerde naar haar kamertje terug. Haar misslag was dan nu algemeen bekend!

Zij had de kracht niet meer, een woord te zeggen. Men raadde haar, mijnheer den maire zelf te gaan spreken; zij durfde niet. De maire had haar vijftig francs gegeven, wijl hij goed was, en zond haar weg, wijl hij rechtvaardig was. Zij boog zich voor dat vonnis.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings