In en over Amsterdam. (continued 2)
Reading edition
Op de volgende gracht woonde de vermaarde regent en geneesheer Tulp. Zou het slecht klinken zoo men sprak van: „Keizersgracht, Tulp-Kaai, No. 2, 4 enz.?”
Over de Westermarkt staat de grootste van al de bijzondere woningen in Amsterdam, en hij, die deze woning bouwen liet, was een groot en wakker man. Weet iemand een beteren naam voor die gracht, dan: „Keizersgracht, Huydecoper-Kaai?”
Tusschen de Harte-en de Wolvestraat heeft een vermaard regent gewoond, die het Stadhuis hielp bouwen en den vrede van Munster hielp sluiten. Is er iets tegen: „Keizersgracht, De Graef-Kaai?”
Bestaande namen in eere te houden is plicht. De gracht, die volgt, wordt reeds genoemd: „de gracht van Felix”, en, der „verdienstelijke maatschappij” indachtig, zou ik haar geen anderen naam willen geven dan: „Keizersgracht, Felix-Kaai.”
Nabij het Molenpad had Hemony zijne werkplaats, de door Vondel bezongen Hemony, de gieter van bijna al de torenklokken, waardoor ons vaderland boven elk ander land beroemd is. Huldigen wij Hemony, wiens klokkenmuziek ons nog bij feestelijke gelegenheden in de ooren dreunt, door de gracht, waar hij arbeidde, den naam te geven van: „Keizersgracht, Hemony-Kaai.”
Het zou mij geen moeite kosten op gelijke wijze voort te gaan en een onderscheidenden naam te vinden voor elke afdeeling van de Keizersgracht, ja van alle grachten en straten van Amsterdam. Doch een van beide zal gebeuren: óf mijn voorstel wordt alleen met een medelijdend schouder-ophalen beantwoord; en in dat geval wil ik niet meer moeite aan deze zaak besteden dan noodig is, om te bewijzen dat het plan uitvoerbaar is,—óf het Bestuur neemt mijn denkbeeld over, en dan acht ik het min gepast, der commissie, die in dat geval benoemd zal worden, het genoegen te ontnemen, om zelve de meest geschikte namen te kiezen en voor te dragen.
Ziet! nog dit eene: Rembrandt heeft een standbeeld, en, zoo iemand, hij verdiende het te hebben. Maar is het daarom billijk, dat Vondel en Bilderdijk, dat Blaeu en Quellin, dat Vossius en Van Baerle, dat Surlingh en Van Bree, dat Le Maire en Trip, dat Van Beuningen en Reael, dat De Ruyter en Van Galen de vereering, waar zij aanspraak op hebben, zouden missen?
Een hoofdstuk, dat tot inleiding moet dienen voor eenige volgende.
Het was dan ook hier mijn doel niet zoozeer, opnieuw eene parellel te trekken tusschen het Amsterdam van voorheen en dat van thans; maar wel, sommigen onzer voormalige stadgenooten tot een afzonderlijk punt van beschouwing te maken. Ik wil te dien einde, waarde lezers en lezeressen, u uitnoodigen tot eene wandeling langs pleinen, straten en grachten: en zoo menigwerf wij de plek voorbijgaan, waar een huis stond of nog staat, welks vroegere bewoner zich een naam verwierf, dezen uit den nacht der eeuwen opdagen, en u, voor zooverre dit noodig mocht zijn, nader met hem in kennis brengen. ’t Zal eene tooverlantaarn zijn van bonte en vreemdsoortige figuren, die ik u vertoon; want uit den aard der zake zal ik mijne beelden moeten nemen, zooals zij zich achtereenvolgens voordoen, uit verschillenden tijd, van verschillend slag en karakter;—doch die afwisseling zal, naar ik mij vlei, hare pikante zijde hebben, en beletten dat mijn werk—wat bij ’t volgen van regel en methode al licht het geval zou kunnen zijn—op een schoolboek gelijke.
In den Bril.
Wij beginnen onze wandeling van den Dam; maar wij stellen ons dien voor gelijk hij was voor 450 jaren, toen hij nog den naam droeg van „de Plaetse”. Kleiner dan tegenwoordig en gedeeltelijk binnen andere grenzen beperkt is de omtrek van het plein. Het Stadhuis, het tweede, dat Amsterdam bezat, of liever, de tot Stadhuis verbouwde woning van Katrijn Matthijssen-Heingenszoons-weduwe, staat veelmeer vooruit dan het tegenwoordige Paleis, als komende met zijn voorgevel nagenoeg op eene lijn met het midden van de Kalverstraat en den Nieuwendijk: het paalt voorts ten noorden aan het Sint Elizabeths- of H. Geestgasthuis, terwijl daarachter en daarnevens—om van een paar stegen en sloppen niet te gewagen, alles is volgebouwd. Evenzeer is de overzijde, tot op de hoogte der Krom-elleboog-steeg, met huizen bezet. Het Waaggebouw, dat ik in mijne jeugd te Amsterdam heb zien afbreken, bestaat nog niet; ofschoon de stad reeds van Albrecht van Beieren het recht der waag verkregen had; doch op de plaats, waar het later kwam te staan, tusschen den Nieuwendijk en ’t Water, bevindt zich een aantal woningen: en daaronder treffen wij een huis aan, met een bril in den gevel gehouwen. Met den bewoner van dat huis, waarde lezer! willen wij onze galerij openen. En hij heeft er recht op; want niet één onder de ingezetenen van Amsterdam, die, vóór hem, zich een naam en vermaardheid verwierf, die bij de zijne mochten halen.—Zie! daar treedt hij zijne woning uit. De roode wrong, die om zijn hoofd is geslagen, de violetkleurige tabberd, de rood fluweelen tasch, die aan den gordel hangt, duiden aan, dat hij tot een deftigen stand behoort; maar ook schijnen zijn vijftigjarige ouderdom en de achtbaarheid van zijn voorkomen hem aanspraak te geven op den eerbied zijner stadgenooten. En werkelijk, terwijl hij zich over straat en naar ’t Damrak begeeft, is er niemand van hen, die onder de hooge luifels voor hunne woningen gezeten zijn, die niet oprijst, geen der voorbijgangers, die niet de hand aan de kaproen brengt om hem te groeten; want ieder kent hem en draagt hem hoogachting toe; en, al is Willem Eggert een Gentenaar van geboorte, toch is hij met hart en ziel aan zijne nieuwe woonplaats verknocht; en, zoo hij er zelf welvaart en vermogen vergaderd heeft, hij doet er anderen ruimschoots in deelen. Waar ter bevordering der stadsbelangen, ten nutte der burgerij, ter ondersteuning van armen of lijdenden iets verricht of gegeven moet worden, daar is Willem Eggert gereed, met raad en daad te helpen: en zoo is het gekomen, dat evenzeer de deftigste magistraat als de geringste dagloonersweduwe hem liefhebben en in eere houden.
Doch heden schijnt het, dat men hem met dubbele opmerkzaamheid, met verhoogde belangstelling gadeslaat en, terwijl hij verder is voortgewandeld naar de schuiten, die ginds in ’t Water liggen, volgeladen met koopwaren, voor zijne pakhuizen bestemd, is menigeen blijven staan en hem naoogen, en vormen zich groepen van twee, drie en meer personen, die zich blijkbaar over hem onderhouden, terwijl in hunne blikken eene mengeling van verwondering, goedkeuring en tevens van leedgevoel te lezen is.
Wat heeft bij hen die tegenstrijdige gewaarwordingen opgewekt? Wat is de reden, dat, nu Eggert, na ’t afdoen zijner zaken, huiswaarts keert, enkele meer aanzienlijke onder zijne medeburgers hem staande houden, eenige woorden met hem wisselen, hem geluk schijnen te wenschen, hem de hand hartelijk schudden en toch verslagen van hem heengaan? Zij is deze: voor eenige dagen is aan „de Bril” een ruiter afgestapt, wiens kleed geruit was van zilver en lazuur, ’s Graven hoflivrei, en die zich lang met den bewoner onderhield: deze is daarop uit de stad vertrokken en eenige dagen afwezig geweest, en na zijne terugkomst is al ras rondgefluisterd, dat Graaf Willem VI hem, den Amsterdamschen koopman, had benoemd tot Trezorier van Holland:—en ofschoon nu iedereen erkent, dat niemand beter dan Willem Eggert bij machte zijn zal, den verwarden staat der geldmiddelen van de Graaflijkheid te herstellen, toch treurt ieder bij de gedachte, dat hij Amsterdam verlaten zal; want het is allen klaar, dat hij daar niet zal kunnen blijven wonen, en van daar de neerslachtigheid zijner bekenden, nu hij hun vermoeden daaromtrent bevestigd heeft. ’t Was reeds een kwaad voorteeken, mompelt men, dat hij voor eenigen tijd een slot aan „’t ende van de Purmer” liet opbouwen, om er—naar men toen vreesde—zijne verdere levensdagen te gaan doorbrengen:—en toch, die vrees werd niet bewaarheid en het is, om zijn bedrijvig beroep met een niet min bedrijvig en geenszins met eene welverdiende rust te verwisselen, dat Eggert Amsterdam verlaten zal.
Maar wederom hebben twee wandelaars hem aangesproken: en aan dezen wil hij blijkbaar, behalve het bericht van zijn aanstaand vertrek, nog iets wichtigs mededeelen. Hij stapt met hen „de Plaetse” weder op, zijne huisdeur voorbij, over den Nieuwendijk, en.... verwonder u niet te veel, lezer! wij zijn in ’t begin der vijftiende eeuw—een daarachter gelegen boomgaard in. Die boomgaard is zijn eigendom; maar hij wil daar eene andere bestemming aan geven en, bij zijn vertrek uit de Stad, aan deze een duurzaam geschenk achterlaten. Hij wil haar dien boomgaard afstaan om daarop eene nieuwe kerk te bouwen ter eere van St.-Katrijne, en de middelen, tot dien bouw benoodigd, grootendeels uit zijne beurs bekostigen. De twee mannen, die met hem gaan, zijn de Burgemeesters Symon Sael en Jean Beth. Het geslacht, waartoe de eerstgenoemde behoort, is een van die, welke in het oude rijmpje genoemd worden:
De Saelen, de Waelen, de Schaepen, de Ruischen,
Dat sijn er de oudsten van de dry kruysen.
De naam van den laatstgemelde is wellicht de eenige van dien tijd, die in Amsterdam nog niet is uitgestorven.
Aan die beiden maakt nu Willem Eggert zijn voornemen bekend om op dat erf eene kerk te stichten, en met aandacht, eerbied en erkentenis luisteren zij naar ’s mans taal.
En nu—voltooien wij wat aan de voorstelling ontbreekt: nog was Willem Eggert niet naar ’s-Gravenhage gereisd om zijn trezoriersambt te aanvaarden, of de pereboomen in den boomgaard waren omgehouwen, tal van arbeiders brachten de mastboomen aan, die in den drassigen bodem geheid zouden worden en waarop de kerk zou komen te rusten.
Aan den ontijdigen dood des vromen mans was het toe te schrijven dat de kerk „niet en heeft tot al sulcke perfectie gebracht ende opghebouwt connen worden als van aenbegin begrepen was.”—Wellicht deed hier ook toe, dat Jan Eggert, de eenige onder zijne zonen, die hem overleefde, uit vrees voor den wrok der edelen, of om de woelingen, aan welke ’t land ten prooi was, te ontgaan, Amsterdam verliet, zijn slot te Purmerende verkocht aan zijn zwager Gerrit Van Zijl, en zich naar Oostende metterwoon begaf.—Een ander lid van ’s mans geslacht, Jan Eggert Hartgerszoon, schijnt echter tot het voortzetten van den bouw te hebben medegewerkt.
Nog eene andere stichting had de stad aan Willem en Jan Eggert te danken, te weten van een college, in de Oude Kerk, ten einde de getijden te zingen, en dagelijks een gedeelte van het Evangelie te lezen en er, des Zondags, eene uitlegging van bij te voegen en andere philosophische en theologische lessen te geven. Jan Eggert Hartgerszoon voornoemd en Wendelmoet, zijne vrouw, breidden deze dotatie uit. Het college zelf ging met verloop der tijden te niet; doch de boekerij, daaraan verknocht, bleef in wezen, en, naar de Nieuwe Kerk verplaatst, werd zij de kern, waaruit later de Stads-Bibliotheek zou voortkomen.
En moge dan die Bibliotheek thans verplaatst zijn en geheel andere boeken bevatten dan het college, door Eggert gesticht, had verzameld, en moge de Katrijne kerk na den brand, die haar in 1645 vernielde, geheel nieuw zijn herbouwd, nog is het billijk dat wie eene van beide bezoekt, nu en dan den edelen man herdenke, aan wien beide instellingen hare eerste wording, aan wien Amsterdam zooveel goeds te danken had. Het huis met „de Bril” bestaat niet meer;—de nagedachtenis van Willem Eggert blijve leven.
In de Mol.
De plek verlatende, waar wij ons tot nu toe hebben opgehouden, doen wij maar weinige schreden naar de zijde der Warmoesstraat; doch tevens doet onze verbeelding een reuzestap. Wij denken de Beurs weg—waarin echter voor velen onzer, die haar hebben zien bouwen, juist het bezwaar niet zal gelegen zijn—en de Groote Vischmarkt terug;—ook dit gaat nog;—maar wij springen van de vijftiende eeuw naar de laatste helft der zestiende vooruit:—en dan ontdekken wij tegenover den steiger van het Damrak, waar de zeevisch aangevoerd en gelost wordt, een huis, op welks top de gril des stichters of des bouwmeesters een mol heeft afgebeeld. Zonderling gewis is de overgang, dien wij maken van het werktuig, dat den slechtziende het gezicht teruggeeft, op het viervoetig diertje, dat tot zinnebeeld der blindheid strekt. Maar niet minder groot dan het onderscheid tusschen een bril en een mol, is dat tusschen den man, die ’t voorwerp onzer beschouwing geweest is en den man, dien wij thans doen optreden.
Het is Maandag, de zes-en-twintigste Mei 1578. Van achter de in lood gezette vensterruiten van zijn bovenhuis, gluurt meester Henrik Dirkszoon naar den Dam. Het is daar op Maandag altijd druk en woelig: de boeren en buitenlieden zijn er als altijd met kaas en zuivel op de markt, en de waagdragers zijn er bij de hand aan de in 1560 voltrokken nieuwe Waag. Doch het schijnt deze reis of er geen kooplust bij de burgers, geen werk voor de waagdragers bestaat: en de bonte menigte, op het plein verzameld, woelt en loopt heden niet heen en weder als op gewone marktdagen; integendeel heerscht een doodsche stilte bij den volkshoop, die in dichte groepen afgedeeld, de oogen doorgaans stijf gevestigd houdt op het Stadhuis daar tegenover, en met gespannen aandacht schijnt af te wachten wat er gebeuren zal. Maar die stilte, die onbeweeglijkheid zijn onheilspellend, meer dan eenig gejoel of straatrumoer. Zij schijnen bij die scharen eene eenstemmigheid van bedoelingen, een bepaald overleg, eene vastheid van wil te verkondigen, die niet licht voor overreding, moeilijker nog voor geweld zullen wijken. En inderdaad, het bericht, hetwelk die volksmenigte te gemoet ziet, zal van overwegend gewicht zijn; want daarvan zal afhangen of Amsterdam—om de geijkte uitdrukkingen van die dagen te bezigen—Paapsch blijven of Geus zal worden.
Sedert dat, in Februari, de Stad, na alleen gedurende jaren lang in Holland het gezag des eigenmachtigen Konings te hebben gehandhaafd, eindelijk de „satisfactie” heeft aangenomen en zich gevoegd onder het bestuur der Staten van Holland en des Prinsen van Oranje, is ook hier, als in de overige Hollandsche steden, der gewetensvrijheid plaats gegeven: zij, die om den wille van ’t geloof in ballingschap leefden, zijn meerendeels teruggekeerd: de uitoefening van den Gereformeerden Godsdienst mag wederom—mits buiten de stadsmuren—plaats hebben en de bende stadssoldaten, vroeger een gevreesd en krachtig werktuig in de handen eener overheid, die aan Rome en Filips verknocht bleef, staat thans onder Oversten en rotmeesters, door Oranje aangewezen.—Maar de verkregene voorrechten en voordeelen stellen de partij der Staatsgezinden nog niet tevreden: zij schijnen hun niet voldoende om ’t geleden leed en onrecht te vergoeden, niet in genoegzame verhouding met de stelling, welke zij zich in de meeste overige steden van Holland verworven hebben: en vooral geen waarborgen van duurzaamheid te bezitten. De Stadsregeering, uitsluitend samengesteld uit Roomsch- of Koningsgezinden, wordt, te recht of te onrecht, verdacht gehouden, alleen tijdelijk voor den nood gezwicht te hebben, en enkel naar de gelegenheid uit te zien, om den voormaligen toestand te doen terugkeeren. De argwaan, tegen haar ontstaan, wordt gevoed door velerlei geruchten, als: dat Don Jan van Oostenrijk schepen van Zweden gehuurd en krijgsbenden te Deventer verzameld zou hebben om daarmede een aanslag op Amsterdam te ondernemen. Daarbij schijnt ook de houding der Wethouderschap aan te duiden, dat zij alles behalve gezind is, de voorwaarden van het verdrag, met de Staten aangegaan, op eene milde en onbekrompene wijze uit te leggen. Aan de Gereformeerden was daarbij eene begraafplaats toegezegd binnen de muren, een recht, waar men destijds bijzonder op stond, en dat, volgens de uitdrukking van den Prins, „zelfs aan geen hond kon onthouden worden;”—maar de plaats door de Regeering tot een kerkhof aangewezen, was in een morsigen achterhoek der stad gelegen, en, in de oogen der belanghebbenden, alleszins afzichtelijk en het doel onwaardig. Ten andere, bij het verdrag was bepaald, dat de Drie Schutterijen (de Oude, de Hand- en Voetboogschutterij) weder zouden worden opgericht; en allen, die daar vroeger deel van uitmaakten, dus ook de teruggekeerde uitgewekenen, daarin hunne plaats hernemen; doch er was geschil ontstaan tusschen de Wethouderschap en de afgevaardigden der Staten, welke laatsten begeerden dat de Schutterijen in zes Vendels zouden worden afgedeeld, dat de Prins en de Staten de Hoplieden en Rotmeesters benoemen zouden, en eene lijst van daartoe geschikte personen aan Burgemeesters ter goedkeuring toegezonden; en nu was, op Vrijdag te voren, in de Vroedschap bij algemeene stemmen besloten, niet te bewilligen in het brengen der Schutterijen onder zes Vendels, en vooral niet onder de opgegeven personen. Maar bij al die meer of min gegronde redenen van ontevredenheid zou ik er nog eene durven voegen, waar men niet zoo bepaald mee voor den dag kwam en die toch inderdaad de ware was: het vrij natuurlijk verlangen namelijk van de partij, die zoolang de onderliggende geweest was, om de vruchten der behaalde overwinning te plukken en op hare beurt aan ’t roer te komen. Het straks genoemd besluit en nog eene andere beraadslaging, op dien zelfden 23sten Mei gehouden, en waarbij een voorstel, tot vergunning aan de Mennonisten om het Poorterschap te bekleeden, heftigen tegenstand ondervonden en tot geen gevolg geleid had, duidden aan, dat de Regeering tot verdere concessiën ongezind was en vermoedelijk geneigd tot inkrimping der reeds verleende: en zoo was hiervan het gevolg geweest, dat de aanzienlijksten onder de Gereformeerden de hoofden bij elkander gestoken en het besluit gevormd hadden, aan dezen staat van zaken voorgoed een einde te maken. Men wil echter den weg der onderhandeling beproeven, en daarom had op Maandagmorgen een bezending van vijf voormalige uitgewekenen, allen tot de deftigste geslachten behoorende, met Willem Bardes aan ’t hoofd, zich op ’t Stadhuis vervoegd, waar op dit tijdstip de geheele Wethouderschap vergaderd was:—en het is de uitslag van dit bezoek, welke de steeds aangroeiende menigte op den Dam is afwachtende. Reeds een paar reizen zijn de leden der Bezending van ’t Stadhuis naar de herberg op den Dam, waar de Gemachtigden der Staten zich onthouden, en van daar weder terug naar ’t Stadhuis gewandeld, en dit over- en wedergaan schijnt aan te kondigen, dat men nog verre is van eene voldoende uitkomst verkregen te hebben.
Ook meester Henrik Dirkszoon staat, als wij gezegd hebben, het tooneel daar voor hem aan te zien. Reeds meer dan tachtig jaren zijn over ’t hoofd diens grijsaards gegaan; maar al is zijn gelaat gerimpeld, al staan zijne oogen dof, al is zijn rug gebogen en zijn lichaam door ouderdom verzwakt, nog is bij hem de geest even wakker, de wilskracht even sterk als toen hij, in ’t jaar 1525, voor ’t eerst zijne plaats in de Vroedschap aanvaardde; en, is op ’t gelaat zijner bedaagde huisvrouw, in weerwil van hare reeds verzwakte geestvermogens, de vrees te lezen, dat er iets niet richtig zij, en, al teekent het gelaat zijner dienstmaagd verbazing over het ongewone verschijnsel, dat de markt vertoont, meester Henrik heeft nimmer vrees gekend, en hij is te oud geworden om zich over iets meer te verwonderen.—„Ik verwachtte dit,” mompelt hij bij zichzelven; „zij hebben mijn raad in den wind geslagen: zij zullen zichzelven de gevolgen te wijten hebben. Zij hadden òf alles moeten toegeven, òf doortastende maatregelen nemen, en de Geuzen voorkomen eer zij door hen voorkomen worden. Nu hebben zij zich groot willen houden—en niet gezorgd, het noodige te doen om aan hunne woorden klem bij te zetten. Zij zullen nu het gevolg zien van hunne halve maatregelen.”
En terwijl hij dus in half hoorbare klanken lucht geeft aan zijne gedachten en voor zich uit blijft staren over dien steeds aangroeienden klomp menschen op het plein, voert herinnering hem onwillekeurig menig tijdperk uit zijn lang en bedrijvig leven voor den geest. Hij ziet zich terug, als knaap met den hoepel spelende op dat plein, in een tijd, toen men nog aan geen „Luiteranye” dacht, en nog maar alleen zorg voedde voor de wapenen van den Gelderschman; hij herdenkt zijne reizen, zijn studietijd, zijne terugkomst, zijne eerste handelingen als Lid van de Vroedschap: de woelingen der Wederdoopers en zijn ijver tegen al wie van ketterij verdacht werd; hij doorleeft de dagen van zijn Burgemeesterschap, en nog kan hij zich niet onthouden van een glimlach, bij de gedachte, hoe hij, in 1545, toen de uitvoer van het koren overal verboden werd, de afkondiging van het plakkaat te Amsterdam weerhouden heeft, door te bestellen, dat bij de opneming, de voorraad, in de stad aanwezig, dubbel werd opgegeven dan die werkelijk was, en hoe hij, in 1553, ettelijke duizenden der opgebrachte bede in zijne, in plaats van in de Landskas, had weten te doen overgaan. Hij ziet weer voor zijne oogen het schavot opgericht, hij is opnieuw, als van 1549 tot 1552, getuige van het verbranden en versmoren der Wederdoopers, en hij haalt de schouders op, bij de overweging, dat, indien de Wethouderschap maar even kloekmoedig was als in die dagen, en een vijftigtal uit dien hoop, die thans op den Dam vergaderd is, vatten, en, „anderen tot exempel”, op liet hangen, de overigen wel stil naar huis zouden gaan.
Maar ook zijne twisten met Schout Bardes komen hem voor den geest, hij weeft nogmaals in zijne gedachte met den Pastoor der Oude Kerk het net, dat hij dien geheimen vijand spannen zal: hij onderhoudt zich nogmaals met zijne medeplichtigen; Geele Fij, Volkje Willems, den Notaris Kees Maartszoon, den Slijper Arie Janszoon, die, door zijn goud of zijne beloften bekoord, den Schout en zijne huisvrouw valschelijk beticht hebben van Wederdooperij:—en al is de valschheid dier beschuldiging toen bewezen geworden, en al heeft hij, als verdacht van omkooping, jaar en dag gevangen gezeten., en al heeft hem die zaak schatten gekost, men heeft hem toch eindelijk weder moeten ontslaan; en terwijl Volkje in de gevangenis is overleden, Fij op jammerlijke wijze ter dood gebracht, de Pastoor en de Notaris gebannen, de Slijper bovendien gegeeseld is, is hij de eenige geweest, schrander genoeg om te zorgen, dat er geen bewijs tegen hem te vinden ware: en wederom glimlacht hij bij de herinnering, dat hij toch nogmaals, na dien tijd, tot de Burgemeesterlijke waardigheid verheven is geworden; en dat, al was de Schout te dier gelegenheid den hem gespannen strik ontgaan, hij, Henrik, zich later toch op Bardes heeft zien wreken, toen die ongelukkige, op zijn ouden dag voor den Bloedraad geroepen, de felste pijniging en geeselingen heeft moeten doorstaan en zijn leven in armoede en waanzin geëindigd heeft.—„Maar wat booze geest,” zoo peinst hij, „heeft nu den zoon van dien zelfden Bardes naar Amsterdam gevoerd? dien zoon, zijn vader zoo gelijk in houding, in wakkerheid, in beleid: daarbij, Luitenant van Sonoy, vraagbaak der oproerige Geuzen, en thans—aan ’t hoofd der bezending, die daarbinnen op ’t Stadhuis is.—Zou die zoon op zijne beurt wraak komen nemen over ’t onrecht, zijn vader aangedaan?”
Bij die vraag glimlacht Mr. Henrik Dirkszoon niet: hij ziet ernstig voor zich heen: hij is door den schakel zijner overpeinzingen tot den tegenwoordigen tijd teruggevoerd en berekent de kansen: hij laat zijn oog nogmaals over de volksmassa weiden, en, al hebben de meesten den rug naar hem toegewend, en al kan hij nauwelijks iets dan hoeden, mutsen en kapers onderscheiden, toch is zijn oog geoefend genoeg om vriend en vijand uit elkander te kennen. „Veel zwarte mantels en stijve halskragen! niet een enkele monnikskap!” Ziedaar wat een vlug rondgeworpen blik hem bespeuren doet. „Waar zitten zij, die geestelijken, die minderbroeders vooral, die zich nog maar drie dagen geleden op alle hoeken van straten en pleinen zoo dapper lieten gelden?—Eer dat het huis instort, vlieden al de muizen. Slechte voorteekenen van wat volgen moet.”—En nogmaals mompelt hij wrevelig bij zichzelven: „die dwazen, met hunne halve maatregelen! O, dat ik eene week maar Schout ware geweest!—Ha! daar slaat de trom! zouden zij werkelijk de markt schoon doen vegen?”
En, inderdaad, uit de Kalverstraat komt, met klokslag van elven, de Bezetting met slaande trom en wapperende vendels aangerukt, doch de verwachting, die de Oud-Burgemeester een oogenblik gekoesterd had, wordt teleurgesteld. De volksmenigte opent, waar de krijgsknechten zich vertoonen, hare dichte rijen: de bezettelingen, tot voor ’t Stadhuis genaderd, deelen zich in vier Vendels: elk van deze begeeft zich naar zijne standplaats, op een der hoeken van den Dam, en zet de musketten en hellebaarden bij den voet; terwijl hunne Hoplieden—Rodenburg, Jonkheim, Visscher en Duin—zich binnen ’t Stadhuis begeven.
„Zij zijn het met de muiters eens.” zegt Mr. Henrik bij zichzelven:—„indien Burgemeesteren voortgaan de rol van Brutussen te spelen, is het uit met hun gezag.”
„Zal ik het eten opdoen, meester?” vraagt Stijntje, die, ofschoon de gewone tijd van te middagmalen reeds verstreken is, nog getalmd heeft met die vraag; maar toch zou vreezen, van plichtverzuim beschuldigd te worden, indien zij die nu niet deed.
„Eten!” herhaalt Mr. Henrik: „nu ja,” zegt hij bij zichzelven: „misschien voor ’t laatst.—Wel zeker!” vervolgt hij overluid; want de vastberaden man wil voor vrouw en dienstmaagd den indruk bedekken, die ’t geen daar ginds plaats heeft bij hem verwekt; „het is meer dan tijd.”—En bedaard vergezelt hij zijne vrouw naar de binnenkamer, beneden, waar weldra de brij op tafel staat te dampen. Eerst wanneer zij gezeten zijn, en hij eenige lepels van de heete brij heeft binnengeslagen, zegt hij op den meest natuurlijken toon tot de dienstmaagd, die aan ’t lager einde der tafel is gezeten: „ga eens naar boven, en zie, of alles nog op de markt is als zooeven. Gij komt mij waarschuwen als er iets gebeurt. Zoodra ik gedaan heb met eten, kom ik zelf en dan kunt gij op uwe beurt uw deel krijgen.”
Stijntje, bij wie op dit oogenblik de trek tot eten minder groot is dan die om te weten wat er voorviel, legt haar lepel neer en voldoet zonder aarzelen aan den last, die haar gegeven is. Bedaard eindigt de Oud-Burgemeester zijn maal, onderhoudt zelfs zijne vrouw, bij wie hij alle ongerustheid wil doen verdwijnen, over onverschillige zaken, waarschuwt haar, dat hij „misschien wel op ’t Stadhuis zal worden geroepen,” en begeeft zich weder naar boven. Weinig verandering brengt hem het tooneel aan, dat hij voor zich heeft.—Alleen ziet men, hoe de huislieden, daar de klok van twaalven op handen is, zich bezighouden met hunne kaas en zuivel van de markt te nemen en zich langzamerhand verwijderen. De ruimte, die een oogenblik, ten gevolge van hun vertrek, ontstaat, doet hem iets ontdekken, dat hij tot dien tijd niet bespeurd had, een aantal wolzakken, die tegen de Waag liggen.—„Indien Schout Hollesloot half zooveel verstand had als goeden wil,” denkt hij, „dan had hij die zakken niet daar, of althans niet dan onder goede bewaking laten liggen. Wolzakken kunnen van dienst zijn, en ik heb ze in ’t jaar 35 met goed gevolg tegen de Wederdoopers helpen bezigen;—maar de Regeering moet zorgen, dat zij er zelve gebruik van make en men ze niet tegen haar aanwende.”
Weder verloopt er eenige tijd: de middag is lang voorbij, de markt van boeren en zuivel ontledigd, en nog staat de volksmenigte op ’t Stadhuis te staren; doch een dof en ontevreden gemurmel begint hier en daar te ontstaan, eerst flauw, maar allengs meer hoorbaar en luider en luider; en het ruischt eerlang over de markt als koren, dat door den wind bewogen wordt.—Maar ziet! wat gebeurt er, dat op eens dat gerucht zwijgt en wederom door diepe stilte vervangen wordt.
„Meester! meester!” roept Stijntje, die reeds lang hare brij ingezwolgen, den disch geruimd en zich weder naar boven gerept heeft; „daar komt iemand op de pui om af te lezen. Maar ’t is de Sikkretaris niet. Wie ’t wezen mag?”
„’t Is Guillaume du Jardin,” zegt de grijsaard, wiens oogen, gelijk meer bij oude lieden het geval is, naarmate zij zwakker worden om van nabij te zien, voorwerpen op verren afstand des te scherper onderscheiden: „het treurspel zal een aanvang nemen.”
En inderdaad, het is Du Jardin, een der leden van de Bezending, die, op de pui naar voren tredende, zijn hoed aflicht en dien terstond weder opzet. Dit teeken moest strekken, om zijne medestanders te waarschuwen dat Burgemeesteren blijven weigeren aan den wensch der Bezending te voldoen en er met redenen niets te winnen is. Henrik Dirkszoon kan natuurlijk de beteekenis van het afgesproken sein niet weten, doch hij raadt die uit den kreet van verontwaardiging, die van den Dam uit duizend monden oprijst, uit het dreigend opheffen van gebalde vuisten, uit het zwaaien van hoeden en mutsen. En zie, daar treedt Hopman Jonkheim ten Stadhuize af; hij slaat de handen uit elkander, hij spreekt tot de omstanders—(Henrik mag zijne woorden gissen, verstaan kan hij ze niet);—hij haast zich naar zijn Vendel. Wat zal er nu gebeuren? De bende stelt zich in beweging en trekt op naar de Sint-Katrijne kerk.
„Bewaar ons!” roept Stijntje, „daar gaan de soldaten de kerk plunderen.”
„Neen,” zegt Henrik bedaard, „zij gaan die tegen plundering beveiligen,—Te sterker bewijs, dat hier een wel overlegd en geordend plan bestaat,” voegt hij er halfluid bij.
Paf!—van waar kwam dat musketschot? Uit een der vensteren van de Waag, binnen welke eenige soldaten der bezetting post houden, stijgt de rook van ’t kruit omhoog.—Een luid en hoorbaar sein, dat het zichtbaar sein van Du Jardin schijnt te beantwoorden. En werkelijk; daar begint op eens de storm, waarvan die langdurige stilte de voorbode geweest was, in volle woede los te breken. „Oranje boven! Vive de Geus!” klinkt het van alle zijden: tal van matrozen bersten de stegen en kroegen uit, wapperende vlaggen rond zwaaiende: daar toonen er zich al meer en meer, alsof zij uit den grond komen gerezen.—Volk van alle slag, arbeiders, ambachtslieden, winkeliers, kooplieden, vereenigen zich als door een tooverslag onder bepaalde hoofden; een deel holt den Vijgendam op, de Halsteeg in, naar ’t Bushuis aan het einde der Hoogstraat, om het geschut te halen: terwijl rapen anderen steenen en smijten die naar de ijzeren traliën der vierschaar, om de nachtwakers te verdrijven, die men onderstelt dat van daar, uit de haakbussen, die er bewaard worden, op ’t volk zouden kunnen schieten.—Maar er wordt van daar geen vuur gegeven: en nu, verzekerd geen weerstand te zullen ontmoeten, stormt de menigte als een stroomende vloed ten Stadhuize in.
„J..... Maria!” roept Stijntje, de handen wringende van angst: „zij gaan de Heeren vermoorden!”
„Wel denkelijk!” zegt Henrik, met een bitteren lach: „en dan wordt het onze beurt,” voegt hij er in zichzelven bij. „Stijntje!” vervolgt hij overluid: „geef mij mijn mantel, mijn hoed en mijn stok.”
„Bewaar ons! Meester wil toch niet uitgaan en zich in die confusie begeven?” vraagt Stijntje.
„’t Zal er toe kunnen komen,” antwoordt Henrik: „doe wat ik zeg: men moet op alles bereid zijn.”
Zij gehoorzaamt schreiende: hij kleedt zich en plaatst zich weder aan het venster; reeds zijnde wilde gasten, die naar ’t Bushuis gegaan waren, met het geschut terug: de wolzakken—als Henrik voorzien had—worden opgenomen en de toegangen daarmede versperd; terwijl de krijgsknechten der Bezetting dit alles aanzien zonder het te verhinderen, en zich vergenoegen met het bewaken der hun toevertrouwde posten.
Daar komt een nieuwe troep met luid gejuich en gejoel op den Dam: zij hebben Priesters, Monniken en Leden der Vroedschap in hun midden, wier doodsbleek gelaat doet lezen, dat zij zich op het ergste lot verwachten.—Maar op eens treedt Bardes het Stadhuis uit, door de leden der Bezending gevolgd, en door een drom volks omstuwd: hij wenkt, hij deelt bevelen uit: en nu, door hunne Hoplieden voorgegaan, stellen zich de krijgsknechten in beweging, bezetten den toegang van ’t Stadhuis, en vormen vandaar af eene dubbele rij, welke men niet zonder moeite de bevende Regenten en Geestelijken doet binnentreden: nogmaals wenkt Bardes en men geleidt den Schout, de Regeerende en de Oud-Burgemeesteren het Stadhuis af en tusschen de soldaten in, bij de vorige gevangenen. Telkens treden nieuwe benden gewapende burgers met meer Leden der Vroedschap en Monniken, op den Dam, die bij de overigen gesteld worden, en wier verschijning telkens met een luid gejubel wordt begroet.
—„Zij zullen mij toch niet vergeten?” vraagt Henrik Dirkszoon, halfluid en eenigszins verwonderd zichzelven af, terwijl de vrouwen nevens hem zich uitputten in bittere jammerklachten over hetgeen zij aanschouwen.
En, als had men, van het plein af, de gedane vraag verstaan, een twintigtal burgers stelt zich in beweging en komt op het Huis de Mol aangetreden.
—„Daar zijn zij,” zegt de Oud-Burgemeester. „Stijntje! open de voordeur; ’t is beter, dat ik hun te gemoet ga, dan dat zij mij komen halen. Vaarwel moeder!” vervolgt hij, zijne vrouw, die niet recht begrijpt wat er aan de hand is, een kus op de dorre wang drukkende: „ik ga naar de Vergadering.”
Intusschen zijn de burgers de voordeur genaderd en staan gereed die met geweld binnen te dringen, wanneer die opengaat, en de Oud-Burgemeester voor hen staat. Zij doen verbaasd een stap achterwaarts; doch hij treedt in hun midden, en, als bij stilzwijgende overeenkomst, wenden zij gezamenlijk hunne schreden naar het midden van den Dam. Dreigend klinken hem die kreten en verwenschingen in de ooren, die, van achter de rijen soldaten, door een woedend gepeupel worden aangeheven; doch met een onbewogen gelaat vervolgt hij zijn weg, totdat hij zich bij zijne lot- en rampgenooten bevindt.
„Ik dacht waarlijk, dat men mij vergat,” zegt hij, met een glimlach, terwijl hij zich in ’t gelid stelt naast den Oud-Burgemeester Joost Buick: „’t schijnt, dat wij het spel kodielje kwijt zijn, mijne heeren!”
„Dat kost gij onmogelijk denken, dat de zoon van Schout Bardes u vergeten zou, meester Henrik Dirkszoon!” duwt hem eene zware basstem toe. Hij ziet op naar den man, die met bleek gelaat en strenge blikken voor hem staat; een oogenblik is hij verrast; maar ook niet meer dan een oogenblik, en, zich terstond herstellende: „Voorwaar, Mr. Willem Bardes,” zegt hij: „ik had u zoo ras niet herkend.—Nu! elk zijne beurt; maar wat zegt het volksspreekwoord: „huimetuit! hoed u voor den weerstuit.”—Intusschen, maak het kort: want de Heer Buick en ik zijn oude lieden, wien ’t lange staan al ras zou vervelen.”
„Wat moet dat?” vraagt Henrik, verwonderd.
„Schoon linnen;” antwoordt Stijntje: „dat vrouw Barta u zendt.”
„Neem ’t maar weer mee,” herneemt Henrik, terwijl hij lachend het hoofd schudt; „ik zal ’t wel niet meer noodig hebben. Mijn groete aan de oude vrouw, Stijntje! en zoo gij nu nog op een post voor uw vrijer hoopt, wordt dan Geus, en wend u tot meester Willem Bardes.”—Met deze woorden keert hij zich van de schreiende en snikkende dienstmaagd af—en de schuit steekt van wal.
„Wat meent gij, door dat linnengoed af te wijzen?” vraagt hem Buick, die nevens hem gezeten is.
„Wel,” fluistert Henrik, „denkt gij dan, dat men ons tot een bloot spelevaren hier op deze schuit gebracht heeft? Als wij buiten zijn, laat men ons zinken, maak daar rekening op.—En die schelmen hebben de Geestelijke heeren apart gezet, en ons niet eens een Priester gelaten om ons vooraf de absolutie te geven.”
„Zult gij dan spotten tot in ’t uiterste toe?” vraagt Buick, wrevelig: „waarachtig, men zou nog eindigen met te gelooven, dat hetgeen men u nageeft, waarheid is, en dat gij een anderen meester dient, dan wel behoorde.”
Henrik Dirkszoon haalt de schouders op en zwijgt:—de uitkomst bewijst echter, dat hij zich in zijne berekening bedrogen heeft. De omzetting der regeering moest niemands leven kosten, en zoo was er ook last gegeven, de uitgezette personen aan den Sint Antoniesdijk aan wal en op vrije voeten te stellen.
Wij, die onze wandeling tot Amsterdam beperken, volgen Meester Henrik Dirkszoon niet verder. Alleen zij er nog dit tot naricht voor den lezer bijgevoegd, dat hij, zich naar Haarlem metterwoon begeven hebbende, aldaar een paar jaren later overleed. Bij zijne uitvaart werd het praatje, waar Joost Buick op gedoeld had, levendiger dan ooit, en verspreidde zich het gerucht, dat de Duivel zijn lijk weggevoerd en een molik in de kist had achtergelaten. Wij willen hopen, dat het vertelsel logenachtig is, en dat berouw de laatste oogenblikken verzoette, van den kracht- en geestvollen, maar misdadigen Oud-Burgemeester.
In den Put.
Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een sprong doende—deze reis van ruim eene halve eeuw—bevinden wij ons voor eene andere burgerwoning, die een put in den gevel voert. Vrees echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe met dien op „’t Nieu en Vermakelijk Gansebort”, en dat ik er u in zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; deze put—of liever het huis, dat er zijn naam naar draagt—wordt wel druk bezocht, maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig heeft. Die put is een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan ook, evenals het huis, met een put op hun voorgevel of titelblad. Die werken—althans vele van hen—hebben het huis overleefd en ook heden ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd, en die daarin geen „putjes-edities” heeft staan.... doch ik zou bijna vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden, maar in de zeventiende, en dat wij de boeken, waar ik van sprak, niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.
Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man, wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver, gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van ’t drukken loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou: of liever—want men heeft allerlei slag van koopers—niets, dat lieden van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen, is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. „Niet iedereen mag het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken,” zegt het oude Latijnsche spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht, dat de voortbrengselen van zijnen geest—of liever van zijne pen—op de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten, die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren kinderen ter markt brengen;—bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter, wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan, dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die ’t bekomt, al dadelijk—op goed geloof af—bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.
Heden—ik mag hier in ’t voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat wij ’t jaar 1646 schrijven—heeft De Wees juist uitgeleide gedaan aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest staat aangeschreven. ’t Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, ’t is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij ’t naslaan der moeite waardig acht, in „Johanna Vossius” vinden, waar ik den man een tiental jaren jonger—of in „Een bedrukte vader,” waarin ik hem een tiental jaren ouder—dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift, dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich, tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer en zegt met een blijmoedig gelaat:
„Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om te drukken.”
„Ei zoo, vader!” zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk opslaande: „en wat is de titel?”
„Maria Stuart,” antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft doen verkrijgen.
„Maria Stuart!” herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet zonder bezorgdheid is.
„Ja,—en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier bij haalt:—luister maar eens”—en den vinger brengende aan eene der plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had, leest hij overluid:
„Ontfangt dees bron der marteladeren
Ghy Engelen, nu treet
Haar tegen: zij vergeet
Haar volck en vaders huis,
Gesproten uit Ferguis,
Dien ouden stam, en hondert vaderen;
Al koningen, van Godt geschapen
Ten scepter, ingewijt
In ’t aenzicht van den Nijt,
Gezalft van eeuw tot eeuw.
O roode koningsleeuw
In ’t gouden velt van ’t Schotsche wapen,
Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,
Hoe ziet men haar zoo tam
Veranderen in een lam,
Sneeuwit van vacht en vloek,
Verscheuren door den wrock
Der Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.
„Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!” vervolgt De Wees, in verrukking: „en hoe weet de man voor elke rei telkens eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk hij verdiende.”
„Heel mooi, heel mooi,” zegt Maaike, wier gelaat intusschen zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: „maar die „Luipaerdinne,” daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee bedoeld worden?”
„Ja, gewis, en zie eens—hier noemt hij haar voluit, zonder eenige toespeling:”—en wederom leest hij:
„Marie, uit Jesses stam geboren,
En tot een rijcker kroon gekoren,
Dan David droegh in ’t Jootsche Rijck,
Marie in ootmoet hoogh verheven,
Van vreught en blyschap aengedreven,
Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.
Elizabeth, tot Godt genegen,
Schiet op en vlieght Marie tegen,
Omhelst en kust die groote Nicht,
Aenschouw dit hartelijck verlangen,
Hoe ze in elkanders armen hangen,
Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.
Marie, uit Stuarts stam geboren,
En tot een rijcker kroon gekoren
Dan Henrik droegh in ’t Engelsch Rijck,
Marie, in rampspoet hoogh verheven,
In druck en ballingschap gedreven,
Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.
Elizabeth, tot wraeck genegen,
Blijft pratten, zent heur wachters tegen,
En vangt en spant die groote Nicht;
Zy laetse twintigh jaer verlangen
En tusschen hoop en doodschrick hangen:
Want staetzucht past op bloet noch plicht.”
Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich op de tafel leggende: „En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven, vader?” vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.
„Wel zeker zal ik,” antwoordt deze: „en waarom zou ik niet?”
„Wel!” herneemt zij: „mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren Staten is geweest?”
„Nu, nu!” merkt De Wees aan, met een glimlach: „Maria was de grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot.”
„Ik kan er niet mee schertsen,” herneemt Maaike: „je weet beter dan ik, dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en zijne Puriteinen te vriend te houden:—wat schande genoeg is.”
„Welnu,” zegt De Wees: „is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij neme van het verdrukte Koningschap en van ’t ware geloof, en is het mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?”
Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort, waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat, terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.
„Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden,” hervat Maaike: „en al zet hij geen pen meer op ’t papier, niemand zal hem ten laste leggen, dat hij traag geweest is in ’t vervullen van zijne taak;—maar ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot meer kwaad dan goed aan de zaak:—hij loopt waarlijk al genoeg in den kijker: en ’t zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water, totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in.”
„Nu!” zegt De Wees: „ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb zelfs zijn „Grotius Testament” niet willen drukken. ’t Boek ziet er dan ook nu netjes uit!” voegt hij er bij, met een glimlach van verachtend medelijden.
„Och kom!” zegt Maaike: „vertel mij daar niets van: zoo je ’t niet gedrukt hebt, vadertje! ’t is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.—Ik kan maar niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege gegeven voor ’t drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt, dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven.”
„Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend Joost wel niet verleenen;—maar we zullen er ook niet om vragen. De Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt „te Keulen, in de nieuwe Druckerye,” en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken; maar, voor de verandering „in d’ oude Druckerye.” Ik heb dat al met hem beklonken.”
„Alsof het er iets toe deed,” hervat zijne vrouw, „of je naam al dan niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten: en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam bij u gedrukt wordt. Doch ’t helpt niet of ik er verder over spreek: ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft, en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, ’t zou me hard verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk.”
„Van den Vondel heeft mijn woord,” zegt De Wees, die wel beseft, dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden dooddoener, die voor ’t overige het punt van geschil in ’t midden, en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.
Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het, dat in soortgelijke—ja ik durf zeggen in alle—omstandigheden van gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles heen dringenden blik, die den man ontbreekt.—En ook deze reis bleek het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria Stuart kwam in ’t licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter werd voor ’t gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig gulden verwezen.—Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze, niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed te keuren, en zelfs—wat sterker is—hem niet te herinneren, „dat zij toch gelijk had gehad.” Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans, diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig als hij ’t geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en, door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, ’s dichters naam en die van De Wees aan elkander verknocht.
In den Zonnewijzer.—In de vierighe Colom.—In de witte Persse.
Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar ruischen ons de welluidende tonen in ’t oor der
taal van lust en weelde,
Die ’t stug latijn in dartele ontucht teelde,
Die als de kus op malsche lippen smelt
En harten boeit met liefdes algeweld:
ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;—daar, aan den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden, die bij elk der vier volken ’t zelfde gespeld worden, bij elk van hen op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu, de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben, en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche klanken, die daar in ’t voorbijgaan onze ooren treffen. Is ’t Arabisch, Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? ’t Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees—met zijne groote, koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid—den in ’t bont gedosten Muscoviet—met zijn stompen neus en wegschuilende oogjes—tegen ’t lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in ’t habijt van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen, maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum—voor zooverre het geen militairen betreft—te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander, woon te Archangel of te Sevilië, rijd door het Bois de Boulogne naast de elegante lorette of zwierigste coupé of voer op een kruiwagen een kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op ’t hoofd, een effen lakensch pak met lapellen en slippen aan ’t lijf, een strop om den hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:—op straffe van, zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.—En dan zal men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.
Dan ’t wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie—’t moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in ’t belang van handel en zeevaart is aangelegd; maar ’t krielt hier van boekwinkels:—wel een sprekend bewijs, dat hier,—bij stoffelijke welvaart—ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel, boven welks top een zonnewijzer prijkt. In ’t benedenhuis kunt gij u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen; maar toch zijn ’t werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen, die dat vak beoefenen, al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en beroemd, en de waar, die men er verkoopt—al is zij meestal vrij duur—onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven, waar hij ’t op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen, wellicht op bank of rif te stranden, door ’t gemis van een zee-atlas van Blaeu?
Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den zonnewijzer boven ’t huis vindt gij op de titelbladen der werken, die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden „aen Schepensbank zitten;” want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen, ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest, vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en heeft, in één woord, de zorg over ’t dagelijksch beheer. Joan is het hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam, of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen aanleg en liefhebberij.
Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in ’t jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet, deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in ’t licht te geven: zijne voornaamste werken, het „Graadboek” en het „Licht der Zeevaart,” beide aan de toenmalige eischen der wetenschap beantwoordende, moesten wel met erkentelijkheid ontvangen worden in een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te danken had. Die werken werden populair en hun maker niet minder. Geen schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door ’s Lands Staten genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich ’s mans naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien persoonlijke verplichting. Zijne „Begroetenis aan Frederik Hendrik,” zijne „Geboorteklock voor Willem van Nassau,” zijn „Zegesang op den Bosch,” zijn „Gysbreght van Aemstel” zijn op de keurige pers van Blaeu gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige, soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis Blaeu loopt een blauwe scheen: de dichter is straks in de weer, om hem, met boertend rijm en met de belofte van een blauwe kous uit zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het beroep van den vrijer, als op dat van ’s vrijsters vader. Joan Blaeu trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk en zinrijk grafschrift:
Hier leght Maria, snel verdort.
De tijt der schoonste bloem is kort.
Thans—men herinnere zich, dat wij ’t jaar 1664 schrijven—zijn er achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft, is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en, eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar zijne firma ’t Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier aan ’t werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken: de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan de Grieksche letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem, grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk—en het ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden—wordt gebezigd tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.
De waereld is wel schoon, en waerdigh om t’ aenschouwen:
Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:
Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:
De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:
De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:
De mylen recken staegh: de landen strecken veer.
Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,
Die staen in ’t harrenas en trecken hun geweer;
De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:
De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:
Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,
Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nest
En brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:
Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,
Op ’t ongebaende padt: dan is ’t vergeefs te wenschen
Naar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.
O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,
En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,
Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêren
Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem, dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op dien dag kon aanwijzen.
Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den 22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en platen verteerde, en de schade op niet minder dan ƒ 382,000 begroot werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden, niet gering was het aantal derzulken, die—tot het slag van lieden behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt—in dat ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode misbruik, ’t welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en Misboeken voor de Roomschen te drukken!
Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij stierf op den 28sten December 1673.—De zes-en-tachtigjarige Vondel herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:
Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,
Al ’t aertrijk door bekent,
Hoe quam hy aan zijn ent?
De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.
Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel der Blaeuen aan den voorbijganger in ’t geheugen terugriep, nog altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs, een steen in den gevel met het opschrift: „de vierighe colom,” het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw, Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in ’t vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels treurspelen tellen: „Hierusalem verwoest,” „de Amsterdamsche Hecuba” en „Palamedes” benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes, door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.
Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver, was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in ’t laatst der zestiende eeuw geboren, had hij zich in ’t begin der volgende als boekdrukker te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water, daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eene witte pers in den gevel prijkte. Van dit werktuig, ’t welk niet alleen van buiten tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en, als zinspreuk, den letterkeer van dien naam, ick strii op sno eerde, welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen ’t welk de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het titelblad dit zinnebeeld, ’t welk in de vroegere in een eenvoudig ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd, en twee genieën tot tenants heeft, met het onderschrift: Durate.
Wij tellen ’t jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor, op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al is noch hij noch zijn gezin in ’t Zondagspak gedost, hunne plunje is toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder: zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de „Gulde Winckel” en de „Warande der Dieren,” met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts, waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding laten maken. Hij wil die in ’t koper doen brengen; maar nu moet er een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten, ’s mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel, Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,
Al ’t oov’rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.
Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal de bode een weigerend antwoord brengen?—Neen, de poëet was altijd in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven, dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:—het antwoord is ongetwijfeld gunstig.
—„De gebiedenis van Sinjeur Vondel,” zegt de jongen, terwijl hij, voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt: „en UEd. had maar te kiezen.”
—„Hij zendt mij keuze, Brecht!” roept Pers verheugd uit, terwijl de knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het achterhuis te geraken.
Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: „Twee bijschriften in plaats van een!”—En terwijl vrouw en kinderen de hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet te machtig zij, begint hij te lezen:
Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....
—„Ik ben nieuwsgierig wat hij op winckels zal doen rijmen,” zegt Anna, de oudste dochter.
—„Wel: kinckels,” zegt haar broeder Pieter.
—„Stil kinderen! valt vader niet in de rede,” zegt hunne moeder, en Pers hervat:
Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels
En kleed in ’t parkament de beenen noch de schinckels
Maer ’t breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....
—„Hij alleen kan toch zoo iets vinden!” roept Pers uit, met lezen ophoudende.
—„Ik versta ’t niet recht,” zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.
—„Wel Moeder! ’t is dunkt mij vrij duidelijk,” hervat Pieter: „met het vernuftigh volck bedoelt de dichter de drukkers, die hunne winkels volproppen met boeken, en die niet de beenen en schinckels, dat is het lichaam—maar wel het brein, d. i. de denkbeelden, van hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn) kleeden met parkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven.”
—„Ei! ei!” zegt Moeder.
Pers vervolgt:
Komt en siet Perssius uw glori, hoogh geseten,
Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld, dat Vondel hem nog steeds den roem der boekverkoopers achtte:
Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....
Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat Vondel hem in het koor, en nog wel midden in het koor der dichters plaatsen zou.
Met ’t drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.
Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur gezicht. „Hm!” zegt Pers, „wat gaat het den lieden aan, of ik geld verdiene of niet?”
—„Wel!” merkt zijn oudste dochter aan: „’t is toch altijd iets vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot het debiet van vaders werken is.”
—„Nu ja!” hervat Pers: „dat kan wel zijn; maar toch.... dat geld samen hoopen en dat nog wel met mijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij moet aanmerken.
—„En nu het andere bijschrift?” zegt Pieter.
Pers leest:
Ghy burgers en ghy vremden,
Dit ’s Perssius van Embden.
Sijn beeld na Phebus swijmt,
’t Sij dat hij dicht of rijmt,
Die sijn boecken, en prenten
Op ’t dierste weet te venten.
Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.
—„Joost heeft mij beet gehad,” zegt eindelijk de boekverkooper, terwijl hij het papier bij zich steekt, „en het mij ingepeperd, dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk.”
Het portret kwam—zonder bijschrift—in ’t licht.
In de gouden Reael.
Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai vergulden reaal zien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in ’t voorbijgaan een blik in de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel, midden in ’t vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten, bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens, doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft, hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde, een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn de oogen des beeldschoonen jongelings, die aan zijne linkerzijde is gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit was onder anderen gebleken uit zijne weigering om ’t verbond der Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden, door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich, in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens spijker of pakhuis „’t Nieuw Jeruzalem.” op de Oude-Zijdskolk, de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in ’t Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert hij naar ’t uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem ’t haar sluik op ’t hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus, een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig gelaat, strekken niet, om ’s mans schoonheid te verhoogen; maar toch kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt, maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke trekken iets bevalligs bijzet.
Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde eene som van omtrent ƒ 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur, reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.
Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn, om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch is hij het voorstaan daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de Vlaming Pieter Gabriël, die ’t eerst, en wel in de Engelsche steeg den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant, Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon, den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond, door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in ’t open veld gehouden: inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan, door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.
Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven, gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden, den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte, pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak te komen verlichten en had hun in ’t Leprozen kerkje doen prediken, ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken, en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst stuitte: ja hij was bijna ’t slachtoffer geweest van zijne zucht, om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de plundering van ’t Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde „Orde”), op 30 September 1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij Prins Willem te ’s-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen en die de uitwijking, niet alleen van Brederode, maar zelfs van Oranje hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen, die, om ’t geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen, die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.
—„Wat nieuws?” vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon Kromhout: „zeker weinig, dat voordeel geeft.”
—„Bevestigt het zich?” vraagt Roodenburg, „dat de Prins van Oranje het land voorgoed verlaten heeft?”
—„Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen,” antwoordt Reael met een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate men die minder van hem gewoon is.
—„En”—herneemt Kromhout, „dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan ’t hoofd?”
—„Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van Valencijn!” roept Frank De Wael uit.
—„Noircarmes, den beul van Valencijn,” zegt Reael, bevestigend.
—„De tijding is zeker,” voegt Pauw er bij: „mijn vader, en”—hier wijst hij op Roodenburg, „ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij de stad van bezetting verschoone.”
—„Uw beider vaders!” roept Kromhout: „maar dat is immers blijkbaar een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?”
—„En niet zonder reden gewis,” zegt Reael, „heeft Buick hen tot zijne medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund worden.—Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen gemoeid is geweest.—Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg, namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den weg te maken, tot de bui ware overgewaaid.”
—„En wat was uw antwoord?” vragen allen als uit éénen mond.
—„Ik heb,” herneemt Reael, „mij willen vergewissen, in hoeverre die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.—Ik heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel, verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde, dat Burgemeesteren thans te veel overkropt waren met bezigheden, om aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men ’t stuk mij zou nazenden, indien ik de plaats mijner bestemming opgaf.”
—„En wat is thans uw voornemen?” vraagt Kromhout.
—„Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal staan,—achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen.”
—„Ik denk er over als gij,” zegt Kromhout: „en uw gedrag zal het mijne bepalen.”
—„Met mij,” zegt Pauw: „is het een bijzonder geval, en, wat er gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:—ik mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst verbeiden.”
—„Ik,” zegt Harmansz., „zie evenmin kans, mij te verwijderen, en mijne zaken in den steek te laten.—Wat mijn leven betreft, het is in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier.”—
—„Wat mij betreft,” zegt De Wael, „ik volg Laurens Jakobsz.: blijft hij, zoo blijf ik ook: acht hij ’t raadzaam te vertrekken, zoo pak ik mijn boeltje.”—
—„En Reinier Kant?” vraagt Kromhout: „hij zou immers hier komen. Laat hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling en elken voorslag?”
—„Ook mij ontrust zijn uitblijven,” antwoordt Reael: „wat brengt Stijntje?”
Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.
—„Wordt er antwoord gewacht?” vraagt Reael.
—„Neen meester! de jongen, die ’t bracht, heeft zich terstond weer verwijderd,” antwoordt Stijntje.
—”’t Is wel! laat ons alleen,” herneemt Reael, „van Kant!” vervolgt hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: „zou hij verhinderd zijn?—Maar wat is dat?”
—„Is hem iets overkomen?” vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur op ’t gelaat van zijn vriend, nu deze ’t briefje geopend heeft, onder ’t lezen verschiet.
—„Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.— Kant.—Ziedaar den geheelen inhoud van ’t briefje,” zegt Reael.
—„Heeft Kant gevaar geroken?” roept Kromhout: „is Kant heengegaan, zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij alle hoop wel opgeven.”
—„Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,” zegt Reael: „het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften, in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of min aanzienlijke der bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of te verwachten hebben.”
Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift heeft gebracht.
—„Het is de weduwe, die haar penninksken offert!”—fluistert Reael Kromhout in. „God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven hebben, gelijk zij van hare armoede.”
Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van ’t hoofd nemen, en haar eerbiedig groeten.
—„En nu,” zegt Reael: „de kist onderzocht. De vrienden hebben, zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?”
Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren aangesteld, halen op deze vraag ieder een sleutel voor den dag, Reael vertoont den zijnen: de twee hangsloten en het slot der kist worden geopend en het deksel afgelicht.—Bij den eersten blik, daar binnen geworpen, openbaart zich op het gelaat van de aanwezigen een trek van teleurstelling.
—„Er is niet veel goud bij,” zegt Roodenburg.
—„De benoodigde ƒ 11,000 zijn er althans niet,” merkt Harmansz. aan.
Het geld wordt uitgestort en nageteld: het bedrag is ƒ 747–8 stuivers en 6 penningen.
—„En nu,” zegt Reael, „heb ik althans geen verder bewijs noodig, dat een langer verblijf hier niet meer zou zijn dan eene doellooze uittarting van ’t gevaar. Indien zij, die zoo boud gesproken en, bij eere, trouwe en mannenwaarheid, zich verbonden hebben den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, om zoo heilige schulden af te doen, nog te veel gehecht zijn aan den Mammon, om hun woord na te komen, zullen zij dan hun leven veil hebben voor de zaak des Heeren?—Met dezulken is niets voor ’t oogenblik aan te vangen: en wij zullen moeten wachten tot hun geweten en gewis ook eene bittere ondervinding hen tot andere inzichten doen komen.—Vrienden! mijn boeier ligt aan de kaai.—Ik ga heden avond onder zeil naar Medemblik. Wie vergezelt mij?”
—„Gaat uwe vrouw mee?” vraagt Kromhout.
—„Zij zal bij hare moeder blijven,” antwoordt Reael, „die devoot Katholiek is, doch haar om haar geloof niet kwellen zal en waar niemand haar zal moeien; wij zullen later zien, of zij zich bij mij zal kunnen voegen.”
—„Maar de mijne zal mij niet alleen laten trekken,” zegt Kromhout: „al mijne verwanten en de hare zijn heftig op ons gebeten, over hetgeen zij onze kettersche gevoelens noemen, en zij zou bij hen eene hel op aarde hebben.”
—„Zij zal mij welkom zijn,” zegt Reael.
—„En nu de gelden?” vraagt Pauw.
—„Breng die aan de vrouw van Cornelis Loefszoon,” antwoordt Reael, „die den Heer Van Brederode gehuisvest en er zelfs geen dank voor bekomen heeft.—Of weet iemand er een beter gebruik voor?—Niet?—Wel, dan zij het zoo. Vriend Frank! ik reken ook op uw gezelschap t’ avond?”
—„Ik zal er zijn,” zegt De Wael.
En, werkelijk, nog dien zelfden avond voerde de boeier van Reael hem en De Wael, benevens zekeren bontverkooper, Matthijs Janszoon genaamd, en Kromhout met zijne vrouw en veertienjarig dochtertje het IJ uit. Den tweeden Mei kwam het gezelschap te Medemblik; doch zich daar niet veilig achtende, trok het met een karveelschip naar Wieringen. Vruchteloos toefde het daar op de beloofde paspoorten: de Regeering van Amsterdam liet hun weten dat zij die zelven konden halen: bewijs genoeg, dat de afgifte nimmer bedoeld was geweest. Inmiddels onderricht, dat men hen vervolgde, waren zij naar Vlieland overgestoken, met oogmerk, om aldaar eene gelegenheid te zoeken, om verder te komen. Alle schepen, schuiten, pinken waren echter in beslag genomen en te hachelijker werd de toestand der vluchtelingen, toen de Schout een verzoek van Burgemeesteren van Amsterdam bekwam, om hen te vatten. Gelukkig kregen zij er kennis van, en, van den nood eene deugd makende, vonden zij eene oude krabbeschuit, die wel een halfjaar in den grond gelegen had, bij nacht, boven water en staken zij er mede van land. Doch zoo lek was dit broze vaartuig, dat zij den koers naar Harlingen wendden, om daar binnen te loopen. Dan pas waren zij in ’t gezicht dier haven gekomen, of daar vertoonde zich een schouwspel, wel geschikt om hen met nieuwe angsten te slaan. Een schip, dat een honderdtal vluchtelingen vervoerde, waaronder de Heeren Van Batenburg, de Friesche Edelen Beima en Galama, den Jonker Van Ilpendam en andere lieden van aanzien, werd aanboord gelegd en overweldigd door een oorlogsvaartuig, ’t welk de Stadhouder van Friesland had afgezonden. Met reden beducht, dat hun een dergelijk lot zou treffen, hielden de Amsterdammers af, en zeilden naar ’t Wad, den Abt genaamd. Hier brachten zij den nacht door, besteedden dien om de lekke schuit met het linnen, dat zij bij zich hadden, te kalefateren, en sukkelden zoo voort, totdat zij eindelijk den 20sten Mei behouden te Embden aankwamen.
Hoe, elf jaar later, de staat van zaken binnen Amsterdam veranderde, hoe zoovelen, die vroeger met levensgevaar ter stede uitgevlucht en ellendig en berooid als ballingen hadden rondgezworven, zich door dien omkeer aan ’t hoofd der regeering hunner stad gesteld zagen, hoe Adriaan Pauw en Kromhout onder de eerstbenoemde nieuwe Burgemeesteren geteld werden, hoe eindelijk ook Reael, kort daarna te Amsterdam teruggekeerd, er aanzienlijke ambten bekleedde, en hoe zijn roem nog verdonkerd werd door dien van zijn doorluchtigen zoon, dat alles is te vaak verteld en te algemeen bekend, om hier nog herhaald te worden.
In Visschers Roemer.
Het onderhuis is geheel bekleed met een houten beschot: fraaie houten pilasters rijzen aan weerszijden van de deur en tusschen de vensters, en torsen eene kroonlijst met keurig beeld- en snij- en lofwerk voorzien. Niet minder sierlijk gesneden is het lijstwerk, dat de ramen omvat, en keurig van uitvoering is het beeldje, dat, boven de deur prijkende, een visscher vertoont, doch blijkbaar niet een van de gewone soort; althans uit het schepnet, dat hij, omgekeerd, in de linkerhand houdt, stort hij geen visschen, maar muntspeciën in een open koffer uit, en zijn vischwant ligt, aan denzelfden kant, heengeworpen over balen, vaten en koopmansboeken; terwijl, rechts van hem, allerlei zinnebeelden van kunst en wetenschap op elkander zijn gestapeld en hij met de rechterhand een roemer omhoog heft. Dit fraaie beeldhouwwerk, evenals het geheele onderhuis, door een groene luifel beschut, zinspeelt op den naam des laatsten bewoners, en kondigt ons aan, dat wij, wanneer wij langs de drie blauwe stoepsteenen de deur zijn binnengetreden, ons bevinden
in ’t saligh Roemers huys,
Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten
Van Schilders, Kunstenaers, van Sangers en Poëten.
Ik zeg het „saligh Roemers-huys;” want de man, die zijn naam aldus in den vorm van een rebus boven zijne deur heeft laten beitelen, Roemer Visscher, is niet meer: voor drie jaren is hij, tot smart van allen, die hem kenden, overleden.
Maar het is niet in het huis des rouws, dat ik u thans wil inleiden: integendeel, de rouw is geweken en alles kondigt vreugd en vroolijkheid aan. Voor de stoep prijkt eene eerepoort van sparretakken, hulst en nimmerdor, bestoken met oranje-appels en vlaggen van papier en klatergoud, en saamgebonden met veelkleurige linten: en van die eerepoort hangt in ’t midden eene sierlijke kroon af, waar, al moge het welriekende gebloemte der Junimaand er aan ontbreken, toch geen bontgekleurde bloemen falen, uit gaas, wit papier en andere stof op ’t kunstigst vervaardigd. Festoenen en vlaggedoek zijn om de deur geslingerd, die openstaat en ons het gangportaal doet zien, waar twee gouden naamcijfers, in een wit ovaal, ons tegenblinken. De straat, aan weerszijden is (niet zwart gelijk men in de 19e eeuw zal zeggen, als eene afschuwelijke mode de mannelijke sekse bijna uitsluitend in effen donkere kleederdracht zal gestoken hebben, maar) bont van menschen: net gekleede buurkinderen, met blozende wangetjes, staan gereed, het Bruidspaar, als ’t van ’t kantoor van Huwelijkszaken terug zal keeren, met loovertjes, suikererwten en speculatie te bestrooien; want de Bruid, die verwacht wordt, is de jongste dochter uit den huize, is Maria Tesselschade, Roemer Visschers dochter.
Al behooren wij niet tot de genoodigden, en al is het nu een dag, waarop zelfs de gulheid van den „ronden Roemer,” die aan elken beschaafden bezoeker een welwillend onthaal waarborgde, geene anderen, dan die tot het feest behoorden, zou hebben kunnen toelaten, wij maken gebruik van den tooverstaf der verbeelding, die elken toegang voor ons opensluit en niet gedoogt, dat er iets voor ons verborgen blijve: wij treden de lange gang ten einde en eene achterkamer binnen, waar reeds een aanzienlijk deel der gasten vergaderd is en de komst van het Bruidspaar verbeidt.
Wij zullen met die gasten, althans met velen onder hen, nader kennis maken: maar vooraf willen wij een blik om ons heen slaan.
Bont en gemengd is doorgaans toch het gezelschap, wanneer, gelijk ten deze het geval is, Bruid en Bruidegom in verschillende plaatsen te huis behooren, en zonder dat de wederzijdsche familiën met elkander in betrekking staan. Maar bont vooral en gemengd zou in elk geval het gezelschap op het feest van eene der dochters van Roemer geweest zijn, ten gevolge van de uiteenloopende soort harer kennissen. Het huis van Roemer toch was vanouds eene soort van vrij territoir, waar ieder, welke ook zijne politieke of godsdienstige denkwijze was, welkom werd geheeten, en alleen zij uitgesloten, die zichzelven en anderen tot last en verveling waren. Roemer Visscher toch en de zijnen waren aan de leer hunner vaderen getrouw gebleven, maar daarom had hij zich niet, na den omkeer van zaken, zooals velen onder zijne geloofsgenooten, teruggetrokken uit den omgang met hen, die anders dachten als hij. Hij was een veel te groot minnaar van de fraaie letteren zoowel als van het beoefenen en opbouwen der moedertaal, en bovendien van te gezelligen aard, om, waar het lieden betrof, wier wetenschappelijke richting met de zijne overeenstemde, of wier tegenwoordigheid zout en leven aan het onderhoud gaf, die, in één woord, gereed waren met hem (om de taal zijner eeuw te spreken) offers aan Apollo en de Muzen te brengen, af te vragen of zij tot de Oude Geuzen of tot de Pausgezinden behoorden. Daarom ontbraken thans ook genen zoomin als dezen, nu het er op aan kwam, de bruidstranen zijner geliefde dochter te komen—drogen, had ik haast gezegd; ik meen—opdrinken. Zie maar dien krassen zes-en-zeventiger, met zijn doordringenden blik, zijn scherpgeteekenden neus en kortaf gebiedenden toon, die daar in gindschen hoek een roemer hippocras aanneemt, hem door een bekoorlijk blond maagdelijn aangeboden: dat is de eerste openlijke verdediger van het stelsel, waarvan het uitvoeren hem voor vijf jaren zijne plaats in de vroedschap en aan ’s Lands Advocaat het hoofd gekost heeft—Cornelis Pieterszoon Hooft, oud-geus, rederijker, maar vooral Amsterdammer in zijn hart: en de man met wien hij zich onderhoudt is—zijn gewaad, hoe deftig, ja stemmig, zou ’t ons niet verraden—een Roomsch-Katholiek Priester;—maar die Priester is Jan Albert Ban, tevens rechtsgeleerde, en bovendien—wat hem hier zoo welkom wezen doet—wijdberoemd musicus; een man, die, als Vondel van hem zingt,
In ’t barnen van den twist
En stryt van ongelijcke klancken
Ons hooren laet den lieven pais
Der Engelen in Godts pallais.
Een ander Roomschgezinde, de Haagsche Advocaat Gysbert Corneliszoon Plemp, staat wat verder, in levendig gesprek gewikkeld met de schoone en lieftallige kasteleines van Muiden, Christina Van Erp: en zij herinnert hem, hoe hij ook hare bruiloft met den Drossaard bijgewoond en met een gedicht heeft opgeluisterd: jammer maar, denkt zij er bij, dat het in ’t Latijn was. Ook de Drossaard zelf bevindt zich in de nabijheid en ook hij drukt de hand aan een Katholiek, den Advocaat Vechters, zoo beroemd als taalvorscher en om zijne rijke boekverzameling. In dien anderen hoek wedijvert Dr. Samuel Coster, de reeds bedaagde Academist, met den jongen en vroolijken Daniël Mostert—die in ’t vorige jaar tot Secretaris der stad is aangesteld, en wiens kittelend vernuft aan den naam beantwoordt dien hij draagt—wie ’t meest de Juffers, die om hem staan, door kwinkslagen en kluchtige gezegden een lachje afpersen, ja nu en dan een blos op de wangen zal jagen.
Zeer verschillend, wat maatschappelijken toestand, rang en betrekking aangaat, zijn de twee personen, die daar in een levendig gesprek gewikkeld zijn: de een, met dat geestig en levendig oog, met die innemende gelaatstrekken en dien zwier in houding en gebaren, die den man der meest verfijnde beschaving kenmerkt, heeft op veertigjarigen leeftijd reeds eene schitterende loopbaan gehad, en reeds Oost-Indië als Gouverneur-Generaal bestuurd; de andere, iets jonger dan hij, met een thans eenigszins bleek en ziekelijk voorkomen, dat zijne fonkelende adelaarsoogen des te meer doet uitkomen, is eenvoudig een welgesteld winkelier in de Warmoesstraat;—maar toch zijn Laurens Reael en Joost Van den Vondel vrienden; ja broeders, vereenigd door gelijkheid van smaak en gemeenschappelijken taal- en letterarbeid. Hun beider reeds bejaarde vriend, de koopman en kunstmeceen Laurens Baeck, voegt zich bij hen: hij heeft zijne hofstede Schey-Beeck in de Beverwijk verlaten, om met zijne bekwame zoons Justus en Jacob en zijne bevallige dochters Katharina en Debora het trouwfeest der pupil van hun vriend Hooft te komen bijwonen.