Note 8 — In en over Amsterdam. (continued 2)
Reading edition
Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding, geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te leeren kennen, zal immer de Atlas Blaviana een welkome wegwijzer zijn8. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen, wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken, de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt: geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen, en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in ’t eerst een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk, dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut, ’t welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is, verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het voorrecht, den dichters wel verleend, of—wil men—van het gebrek, dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven, toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong: