← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

In en over Amsterdam. (continued 5)

Reading edition

„Wat vooralsnog stellig het geval niet is,” voegt Geelvinck er bij. „Ik heb althans van meer dan een Afgevaardigde ter Generaliteit dezelfde klachten vernomen als nu van den Heer Appelman, dat hij namelijk niets kon te weten komen van wat toch de Prins eigenlijk wilde.”

„Ik zie wel,” zegt Appelman, „dat mijne komst vruchteloos is, enik niet veel wijzer zal heengaan dan ik gekomen ben:—en toch smart het mij; want mijne stelling wordt gedurig moeielijker tegenover zoovelen, die dagelijks van mij willen weten wat er gaande is.”

„Beata ignorantia!” zegt Geelvinck: „zalig die niets te zeggen hebben, omdat zij niets weten: want die loopen nimmer gevaar zich te verspreken.”

„Wat er van zij,” vervolgt Appelman, zonder de scherts van Geelvinck op te nemen, „ik schroom niet te zeggen aan wie ’t hooren wil, dat de Prins als een onzinnige zou handelen, indien hij in ernst op eene onderneming dacht die nooit gelukken kan.”

„En dewijl de Prins een verstandig man is,” zegt Witsen, „mogen wij ook vertrouwen, dat hij zich in geene zaak zal steken, die geene kans biedt van slagen.”

„Hoe zou daar kans toe zijn?” vraagt Appelman, „Lodewijk XIV zal Koning Jakobus niet verlaten.”

„Dat zou althans niet met zijn gewoon staatsbeleid overeenkomen,” zegt Witsen.

„Ten andere, gelijk door u zelf is opgemerkt, de Prins vermag niets zonder medewerking van Amsterdam, en de Stad zal nimmer toestemmen hem te ondersteunen in een opzet, dat op bederf van haren handel uit zou loopen;—om niet te spreken van de spanning, die nog altijd tusschen haar en Z. Hoogheid bestaat, ondanks de quasi-verzoening.”

„Zeker zal Amsterdam den Prins nooit tot den oorlog aansporen,” zegt Witsen: „ik althans zou ’t niet doen.”

„En dan nog, om eene vloot in zee te brengen met eenige hoop op goeden uitslag, dient er een Admiraal te wezen, in wien zoowel de Prins als de equipage een onbepaald vertrouwen stelt. De Graaf Tromp, de man, aan wien als Luitenant-Admiraal-Generaal het bevel zou toekomen, is ontevreden op Z. Hoogheid, sedert die hem in Februari jl. maar veertiend’halfduizend gulden heeft toegewezen, in plaats van ƒ 100.000, die hij wegens achterstallen vorderde.”

„Inderdaad,” zegt Geelvinck, „ik geloof dat Z. Hoogheid thans moeielijk veel dienst van den Heer Tromp zou kunnen bekomen, indien ’t eene onderneming tegen Engeland gold. Ofschoon de Heer Tromp ongelijk heeft, aan den Prins te wijten, wat hij moest wijten aan de Admiraliteit. Z. Hoogheid heeft alleen het advies gevolgd, hem door deze gegeven. Intusschen, ik zie niet in, dat, als de Prins werkelijk plan had op eene onderneming, hij die zou moeten opgeven, omdat de Heer Tromp niet als Admiraal gebood. Wij hebben nog zeevoogden van verdiensten, als de Heeren Evertsen, Almonde, Schepers en anderen, die ik noemen kon.”

„Dus gelooft de Heer Van Castricum toch, dat er wel iets gebeuren kon?” vraagt haastig Appelman, terwijl Witsen Geelvinck met eenige bevreemding aanziet over hetgeen hij als eene onvoorzichtigheid van die zijde aanmerkt.

„Wel!” antwoordt Geelvinck, met een onnoozelen blik, „is er dan geene Mogendheid, die men zou kunnen bestrijden, en tegen welke juist de Graaf Tromp zich moeielijk kan laten gebruiken?”

„Inderdaad!” roept Appelman uit, op den toon van iemand, wien een licht opgaat: „dat zou kunnen zijn: mijnheer bedoelt, dat men Zweden wil helpen, en dat het op Denemarken gemunt is.”

„De Heer Appelman gelieve wel op te letten, dat ik het niet ben, die zoo iets beweer,” zegt Geelvinck.

„Neen, gewis niet,” herneemt Appelman, op een toon van tevredenheid, „’t is natuurlijk enkel onderstelling, maar ja wel, de Admiraal Tromp heeft zijn Gravetitel aan den Koning van Denemarken te danken, en dus.... ja, zoo zou zich alles ophelderen.”

„Ik geloof,” zegt Witsen, „dat het voorzichtigste in dezen is, aan geene gissingen, van welken aard ook, toe te geven.”

„Natuurlijk! de Heer Witsen heeft gelijk, als altijd,” zegt Appelman, „doch,” vervolgt hij, meteen opstaande, „het zal nu mijn tijd worden en ik verzoek mijne geachte collega’s nogmaals om verschooning, indien ik hen wellicht in een belangrijk onderhoud heb gestoord.”

„’t Waren familie-aangelegenheden, die wij te bespreken hadden,” zegt Geelvinck: „anders niet.”

„Wij willen intusschen met den Heer Appelman hopen en bidden,” zegt Witsen op plechtigen toon, „dat, wat er ook gebeure of niet, het tot welzijn van den Staat moge gedijen.”

De beide Heeren zijn onder ’t spreken ook opgestaan, de bezoeker neemt zijn afscheid en na wederzijdsche groete verlaat hij het vertrek. Pas heeft Geelvinck hem de trap hooren afgaan, of hij zegt lachende tot Witsen:

„Nu! wat hij hier vernomen heeft, mag hij, voor zooveel mij betreft, gerust overbrieven aan den Heer d’Avaux.”

„Indien het waar is,” zegt Witsen, „dat hij met dezen in betrekking staat. Maar ik kan zoo ongunstig niet van hem denken, en zelfs de Prins, toen hij mij verzocht voor hem te verbergen, wat hij mij aan Waveren en u verzocht mede te deelen, betuigde mij, hem om geene andere reden te mistrouwen, dan omdat hij hem voor een onvoorzichtigen babbelaar hield.”

„En Z. Hoogheid had geen ongelijk,” zegt Geelvinck. „Nu, de man moge thans rondbabbelen wat hij hier gehoord heeft; niemand zal er wijzer door worden.”

„Intusschen,” zegt Witsen, „laat ik het voor uwe rekening, wat gij hem omtrent die familie-aangelegenheden hebt wijsgemaakt, die wij te behandelen hadden.”

„Heb ik dan onwaarheid gesproken? Geldt het geene familie-quaestie? Een aanstaanden krijg tusschen schoonzoon en schoonvader?”

De nauwgezette Witsen schudt het hoofd; want voor zijn gevoel is er weinig onderscheid tusschen een gezegde, dat logen behelst, en een gezegde, dat, hoewel niet bepaald logenachtig, toch ten doel heeft te misleiden; hij houdt echter zijne meening daaromtrent voor zich en vergenoegt zich, te zeggen: „’t Is een drukkende last, een geheim van zulken aard als ons is toevertrouwd, en ik wenschte wel in de plaats van onzen ambtgenoot te zijn en van niets af te weten. Wat zouden wij b. v. hebben moeten doen, indien hij ons eens op den man af gevraagd had, of ons iets stelligs van de zaak bekend was?”

„Mij dunkt,” antwoordt Geelvinck, „hij heeft de vraag, zij het dan eenigszins ingewikkeld, toch vrij verstaanbaar gesteld en wij hebben er ons uit gered. ’t Is intusschen in één opzicht gelukkig, dat onze ambtgenoot Hudde verhinderd is geweest hier te komen. Had onze vriend Appelman ons alle drie bij elkaar gevonden, hij had gewis kwaad vermoeden opgevat.”

„En nog beter is het, dat hij niet een half uur langer is gebleven,” zegt Witsen: „want er ware dan kans geweest, dat hij bij ’t heengaan den man, dien wij wachten, op de stoep ware tegen ’t lijf geloopen. Doch waarlijk, ’t wordt al duister, en onze Heeren zullen niet lang meer wegblijven: het is tijd, dat ik dien overeenkomstig mijne bevelen geef.”

Hij schelt, doch er verloopt eenige tijd eer de knecht zich vertoont. Evenals al zijns gelijken loopt Jan niet gaarne tweemaal en zoekt dus eerst te raden wat men van hem begeert, meenende er nog dank voor in te oogsten als hij zijns meesters wenschen voorkomt. Eindelijk komt hij binnen met twee aangestoken kaarsen in de hand.

Witsen is een man, die zijne wereld te goed kent, om zijn dienstbode in ’t bijzijn eens derden te beknorren. Hij bepaalt er zich bij, hem een straften blik toe te werpen, die genoeg aan Jan zijne ontevredenheid te kennen geeft over het ongepaste van zijn bevel vooruit te loopen en hem te laten wachten—en vraagt vervolgens:

„Zijn de lichten in de zaal opgestoken?”

„Nog niet, Edel Achtb.!” zegt Jan bedremmeld, „ik dacht....”

„’t Is onverschillig wat gij dacht. Ga ze terstond opsteken, zet den wijn klaar en kom mij bericht brengen als alles gereed is.”

Jan vertrekt en beneden gekomen, poogt hij door dubbelen spoed den beganen bok weder goed te maken; zoodat hij alras in staat is het verwachte bericht te brengen. De beide Heeren begeven zich hierop naar beneden, in de rijk gestoffeerde zaal, waar talrijke waslichten, van de groote hangkroon, van de luchters voor den schoorsteen en van de zilveren kandelaren, haar helder licht verspreiden. Op de tafel spiegelen zich in het gladgewreven ebbenhout een flesch Rijnsche wijn, twee zilveren blaadjes, waarvan het eene een viertal groene roemers van het fijnste glas draagt, het andere twee zilveren trommeltjes, die gesneden Deventer koek en bitterkoekjes bevatten, een mandje van fil de grain, tot aan den rand met klontjes suiker gevuld, en een lepelkistje van ’t zelfde. Aldra slaat de klok halfacht: bijna op ’t zelfde oogenblik houdt voor het huis eene toeslede stil, waaruit twee heeren stappen, die terstond worden binnengelaten en naar de zaal geleid. Daar gekomen, blijft de oudste van de twee in bescheiden houding op den achtergrond staan, en laat den jongere vooruittreden naar het midden van ’t vertrek, waar reeds de beide Burgemeesters hem zijn tegemoetgegaan. Uit de eerbiedige wijze, waarop de machtige Regenten den bezoeker, die hun zoon kon zijn, begroeten, kan men afleiden, dat zij hem als een personage van gewicht beschouwen, en werkelijk hebben wij hem slechts aan te zien, om ons overtuigd te houden, dat hij de onderscheiding, die zij hem bewijzen, niet onwaardig is. Al is zijne kleeding doodeenvoudig, als die eens reizigers, zijn gansche voorkomen duidt den man van geboorte aan, die, gewoon in de hoogste kringen te verkeeren, zich overal op zijn gemak gevoelt:—zelfs tegenover Burgemeesters van Amsterdam. En geen wonder: indien Alexander eenmaal van Hephestion zeide: „deze is een tweede Alexander,” zoo ziet ook Willem III zijn anderen ik in Hans Willem, Baron Bentinck. En hij doet dit op goede gronden; want geen vorst heeft immer hartelijker blijken van trouw en verknochtheid genoten, dan die Bentinck aan den Prins gegeven heeft. Vraagt gij mij, waarin die bestaan hadden, dan wijs ik u op de enkele naden en pokputten, die dat anders zoo fraai en regelmatig gelaat schijnbaar ontsieren, maar inderdaad, voor al wie er de geschiedenis van kent, er een luister aan geven zoo schoon als ooit een borst ontleende aan ster of ridderketen. En welke is die geschiedenis? In April 1675 werd Willem III door de kinderziekte aangetast, en het stond te vreezen, dat hij het slachtoffer worden zou van die zelfde gruwzame kwaal, die eenmaal zijn vader op schier gelijken leeftijd ten grave had doen dalen. Immers de pokken wilden niet uitkomen, en de geneesheeren wisten geen ander middel daartoe aan de hand te doen, dan dat een jong, gezond persoon, na het innemen van een zweetmiddel, zich bij den zieke te bedde lei en, door zijne natuurlijke warmte, bij dezen de uitwaseming opwekte. Nauwelijks zou men met kracht van goud iemand gevonden hebben, die zich liet overhalen, om een dienst te bewijzen van zoodanigen aard en die hem den dood kon kosten; Bentinck, toen een van ’s Prinsen kamerjonkers, bood zich vrijwillig daartoe aan, en werkelijk had het middel den gewenschten uitslag. Maar al kwamen de pokken voor den dag, de zieke was nog verre van buiten gevaar. Nu echter voltooide Bentinck zijn werk: zestien dagen en zestien nachten week hij niet van de sponde des lijders, en de Prins getuigde na zijn herstel, niet te weten of Bentinck al dien tijd geslapen had of niet, maar wel, dat hij nooit zijn naam genoemd had, zonder altijd een vaardig antwoord van hem te hebben gekregen. Maar ’t gevolg was dan ook geweest, dat, toen de Prins weder op de been was, Bentinck naar huis ging, om eenige dagen welverdiende rust te genieten, deze zelve door de kinderziekte aangetast werd en in doodsgevaar verkeerde. Zijn gezond en sterk gestel had echter de bovenhand, zoodat hij zelfs in staat was, zij het dan nog maar half hersteld, reeds in Mei den Prins bij ’t heropenen van den veldtocht te vergezellen. Was het wonder, dat de Prins van toen af aan Bentinck al zijne dankbaarheid had gewijd, en dat hij, de meest geslotene onder alle vorsten, voor Bentinck alleen geene geheimen had. Zijne dankbaarheid had hij hem bewezen, door hem, toen hij de Heerlijkheden Drimmelen en Rhoon verkregen had, ofschoon geen geboren Hollander, in de Ridderschap van Holland te doen beschrijven en zelfs de eerste plaats bekleeden: zijn vertrouwen, door hem naar Engeland te zenden, om de hand van Prinses Maria voor hem te verwerven, en hem telkens in gewichtige onderhandelingen te bezigen; gelijk dit ook thans weder het geval was geweest. Wel is het dan ook aan Witsen en aan Geelvinck bekend, dat zij hier niet een blooten zendeling of lasthebber van den Prins voor zich hebben, maar diens vertegenwoordiger in den volstreksten zin des woords; en die bewustheid geeft hun tevens het natuurlijke richtsnoer aan de hand, hoe zich tegenover hem te gedragen.

Maar geen mindere belangstelling verdient van onze zijde, al houdt hij zich bescheiden op den achtergrond, de man, die aan Bentinck tot geleide strekt. Wij kennen Huib de Wildt uit de keurige afbeelding, die Ferdinand Bol van hem geleverd heeft—en die wij, óf ten huize van ’s mans waardigen nazaat, óf voor eenige jaren op de tentoonstelling van oudheden in Arti hebben kunnen zien—óf althans uit de teekening door Couwenberg daarnaar gemaakt en gesteendrukt in De Jonges „Geschiedenis van ’t Zeewezen.” Wel is waar, sedert dat De Wildt voor Bol gezeten heeft, zijn er eenige jaren verloopen. Hij telt er thans een en vijftig; maar nog teekent zijn gelaat dezelfde wakkere opgeruimdheid, dezelfde schranderheid van geest, als u uit zijne afbeelding tegenblinken. Is de kruin al meer en meer kaal geworden en heeft het hoofdhaar een zilveren tint gekregen, de lokken golven nog in weelderigen overvloed over hals en schouders; en ook in zijn deftig zwart gewaad heeft De Wildt nog altijd een vlug en innemend voorkomen.

„Wij vinden ons zeer vereerd met uw bezoek, mijnheer Bentinck,” zegt Witsen, „alleen doet het ons leed, u te moeten melden, dat onze ambtgenoot, de heer Hudde, door onpasselijkheid verhinderd is, bij dit mondgesprek tegenwoordig te zijn.”

„Ik wil niet hopen, dat de ziekte van den Heer Hudde van ernstigen aard is,” zegt Bentinck.

„Hij lijdt aan zijne gewone kwaal, de jicht,” herneemt Witsen, om alle vermoeden van eene voorgewende ongesteldheid weg te nemen: „Ik heb nog heden morgen tijding van hem vernomen; hij is buiten en kan zijne kamer niet verlaten.—Mijnheer De Wildt, ik verheug mij, u te zien.”

„Hoe maakt het de Heer Secretaris?” vraagt Geelvinck, aan De Wildt de hand reikende: „wij zien elkander tegenwoordig, tot mijn leedwezen, zelden meer.”

„Ik wenschte,” zegt De Wildt, „dat dit leedwezen zoo groot ware, dat zich de Heer Geelvinck genoopt voelde, bij de Admiraliteit terug te keeren, die hij ter kwader ure verlaten heeft.”

„Vergun mij vóór alles,” zegt Bentinck, terwijl hij op den hem aangeboden armstoel plaats neemt, en ook de overige Heeren zich zetten, „eene onbescheiden vraag; maar de campagnes, die ik heb medegemaakt, hebben mij geleerd, dat het bij alle gelegenheden goed is, te weten, niet alleen hoe men ergens aankomt, maar ook hoe men er weder vandaan raakt, en daarom veroorloof ik mij, mij bij uwe Achtbaarheden te vergewissen, of ik heden nacht de stad zal kunnen verlaten?”

„De Heer De Wildt had mij onderricht, dat het uw wensch was,” zegt Witsen, „en de noodige bevelen zijn dienaangaande gegeven. En thans,” vervolgt hij, de roemers volschenkende, „zij het mij vergund, mijn edelen bezoeker welkom te heeten in ’t vaderland en te mijnen huize. De Heer Bentinck heeft zoo pas het land verlaten, waar de wijnstok groeit, en zal ongetwijfeld beteren wijn gedronken hebben dan ik hem kan aanbieden.”

„Ik ben den Heer Witsen grooten dank schuldig voor zijne heusche ontvangst,” zegt Bentinck: „voor ’t overige kan ik wat zijn Ed. Achtbare zegt niet opvatten dan als eene loutere scherts; de bovenlanders weten zeer goed, als zij den edelen wijnstok planten en snoeien, dat het beste druivennat uitsluitend bestemd is, om de kelders der Heeren van Amsterdam te voorzien; maar wat daarvan zij, ik ben, ja, aan den Rijn geweest, en zelfs nog een weinig verder: en ’t is om aan de Heeren verslag te doen van mijn wedervaren aldaar, dat ik zoo vrij ben geweest, bij hen gehoor te verzoeken.”

De beide Burgemeesters buigen zich zwijgend, en de spreker, dit stilzwijgen aanmerkende als eene vergunning, om voort te gaan, vervolgt aldus:

„Ik behoef niet aan de Heeren te herhalen wat hun bekend is, dat Z. Hoogheid, bewogen met den toestand der Kerk in Engeland, en bovendien bezorgd voor alle inbreuk op de rechten, welke aan de Prinses krachtens hare geboorte toekomen, het zich tot plicht heeft gerekend, aan de roepstem gehoor te geven, die van over zee tot hem gekomen is, en die, in ’t voorbijgaan gezegd, zich al luider en luider doet hooren. Zou het opzet gelukken, dan waren er drie dingen noodig: schepen, krijgsvolk en geld; en dat een en ander—wat de zaak niet gemakkelijker maakte—op de meest bedekte wijze te zamen gebracht. Wat de scheepsmacht betreft, die moest uit den aard der zake aanzienlijk wezen; immers men mag de kans niet loopen, dat ’s Konings vloot aan de onze te gemakkelijk het landen belette. Hoe men heeft beproefd, te dezen opzichte in de behoefte te voorzien, is aan de Heeren grootendeels bekend, inzonderheid aan den Heer Van Castricum, door zijne betrekking als Lid der Admiraliteit?”

„Wellicht weet de Heer Bentinck niet, dat ik met Mei als zoodanig ben afgetreden,” zegt Geelvinck.

„Ik weet dit,” hervat Bentinck, „doch ook, dat de gewichtigste maatregelen aldaar nog met uwe voorkennis genomen zijn. Intusschen, de Heer De Wildt is bij machte, aan de Heeren, gelijk Z. Ed. dit reeds aan mij gedaan heeft, volkomen opgave te doen van de hier en elders verkregen uitkomsten.”

„Met genoegen,” zegt De Wildt, „indien de Heeren ’t mij vergunnen. Behalve de een en twintig schepen van oorlog, die, volgens hetgeen in December van ’t vorige jaar besloten was, zijn uitgerust en met Mei gereed waren, om zee te kiezen, is, overeenkomstig den last, door Z. Hoogheid in ’t laatst van Februari aan de Admiraliteiten verstrekt, zorg gedragen, alle schepen van oorlog, zonder onderscheid, in bruikbaren staat en onder hun want te brengen, en nu drie dagen geleden is mij een ander bevel van Z. Hoogheid geworden om al degene, die nog hier beneden de 145 voet aanwezig zijn, naar de zeegaten op te zenden.”

„En dat nader bevel vond gewis mijn wakkeren vriend niet onvoorbereid,” viel Geelvinck in, wel wetende, hoe, in al wat het zeewezen betreft, Willem III, evenals vóór hem Jan De Witt, niets besluit of beveelt, zonder voorafgaand overleg met De Wildt.

„Ik had er iets van gehoord,” antwoordt De Wildt met een glimlach, „en daarom ook zorg kunnen dragen, dat, van heden af, bij tusschenpoozen, om geen opzien te verwekken, niet alleen dagelijks eenige schepen kunnen vertrekken, maar dat bovendien ieder schip zal voorzien zijn van ettelijke gewapende sloepen, bekwaam om bij eene landing gebezigd te worden, en van andere vaartuigen, om voor branders of adviesjachten te dienen; terwijl ik tevens onder de hand door vertrouwde lieden onderscheiden galjoten en fluiten heb doen huren, tot transport voor krijgsvolk, paarden, vivres en ammunitie.—Naar mijne berekening, opgemaakt uit hetgene mij van de Maas en van ’t Noorderkwartier bekend is, zal de vloot kunnen bestaan uit omstreeks 50 schepen van oorlog en fregatten, en, als men daaronder rekent de branders, adviesjachten, transportschepen enz., uit omstreeks 400 zeilen. Daarmede is in allen gevalle wat aan te vangen, en is de tijd daar, dan zullen er nog wel eenige pinken kunnen bijgevoegd worden om de landing te bevorderen.”

„De werkzaamheid van den Heer De Wildt is ons genoeg bekend,” zegt Witsen, „alsmede, dat wat hij voorneemt ook geschiedt, zoo hier als in ’t Noorderkwartier, ja zelfs aan de Maze.”

„Het zal,” herneemt Bentinck, „aan de Heeren bekend zijn, dat het commando over de vloot bij instructie van 22 Mei j.l. is opgedragen aan den Luitenant-Admiraal Evertsen, volgens welke instructie zij alleen moet dienen, om onzen handel te beschermen en inzonderheid te waken tegen de Algerijnen; en in zooverre heeft zij dan ook aan den last voldaan, als reeds, volgens de laatste berichten, de retourvloot behouden voor Texel is aangekomen.”

„En,” vraagt Witsen, „heeft de Heer Evertsen, behalve die officiëele instructie, waar UEd. van spreekt, geen geheimen lastbrief ontvangen omtrent de ware bestemming van de vloot?”

„Dit is nog niet raadzaam geoordeeld,” antwoordt Bentinck: „de Heer Tromp alleen is in ’t geheim; doch hij zal niet met het uitvoeren van den tocht belast worden;—en dit acht hij, met den Prins, in ’t belang der zaak zelve.”

„Hoe kan dat zijn?” vraagt Witsen.

„Ik heb,” voegt Geelvinck er bij, „hooge achting voor de verdiensten van den Heer Tromp; maar ik kan toch niet vermoeden, dat hij, de Luitenant-Admiraal-Generaal, de belangen der onderneming beter zou verzekerd achten in de handen van een ander en die nog wel een minderen rang bekleedt.”

„Dat is ook het geval niet,” zegt Bentinck: „maar de Heer Evertsen zal evenmin het bevel voeren over de onderneming.”

„Niet?” roept Witsen: „ik hoop toch niet, dat men de fout begaan zal, die den Staat eenmaal zoo duur kwam te staan, van het opperbevel der vloot toe te vertrouwen aan een Generaal der Landmacht?”

„Neen, dat niet,” antwoordt Bentinck; „maar de Prins heeft geoordeeld, dat, wil men de gevoelens der Engelschen niet krenken, alle schijn moet vermeden worden, alsof men als vijand, en met eene veroveringsvloot kwam aanzetten. Die vloot moet alle waarborgen aanbieden, dat zij ter hulpe opdaagt geheel voor een Engelsch belang: en geen betere waarborg was daarvoor uit te denken, dan door haar onder ’t commando te stellen van een Brit. ’t Zal den Heeren niet bevreemden, wanneer ik hun zeg, dat die Brit geen ander zijn zal dan de Admiraal Arthur Herbert, die zich, als bekend is, sedert eene maand hier te lande bevindt. De Heer Tromp heeft zelf de aandacht op hem gevestigd: de zaak heeft haar beslag en zijne benoeming tot Luitenant-Admiraal-Generaal zal weldra plaats hebben. Hij heeft een tal van vrienden op ’s Konings vloot en het is zijne en onze verwachting, dat, zoodra zij weten, dat hij op onze vloot het bevel voert, geen hunner zich genegen zal betoonen eenigen weerstand te bieden, ja dat wij spoedig de helft der Officieren en matrozen tot ons zien overkomen. Het eenig bezwaar, dat zich zou kunnen voordoen, bestaat in de wijze, waarop ons zeevolk en vooral onze Vlootvoogden de zaak zullen opnemen; doch ik vlei mij, dat ook dit vraagpunt eene gunstige oplossing zal bekomen. De Heeren Evertsen en Almonde zijn verstandige lieden, en de Prins bezit de gave der overreding—althans,” voegt hij er bij, „wanneer hij met geene al te zwaartillende Heeren te doen heeft.”

„Zeer waar,” zegt Witsen: „er behoort moed toe, om ’t met Z. Hoogheid oneens te blijven.”

„Dit nu,” vervolgt Bentinck, „wat de Zeemacht betreft; met opzicht tot de troepen had het verzamelen daarvan wel geen bezwaar in, maar wel de kunst, om dit zoo te doen, dat er geen achterdocht ontstond. Z. Hoogheid rekent 9000 voetknechten en omstreeks 4000 ruiters noodig te hebben voor den tocht: die waren licht te vinden; doch door ze uit de bestaande krijgsmacht te nemen, zou men deze te veel verzwakken, en ’t ging niet aan, Engeland te verlossen, om zelve de prooi van een ander te worden. Bovendien, die vermindering onzer krijgsmacht kan niet geschieden buiten bewilliging der Staten: en om deze te verkrijgen, zou de Prins hen van zijn oogmerk hebben moeten doen kennis dragen, en, ware dit geschied, de Markies van Albeville, althans de Graaff d’Avaux, had er spoedig de lucht van gehad. De Prins rekende op zijne geluksster en die was gunstig: het binnentrekken der Franschen in Keulen gaf een geschikt voorwendsel: en de wensch, dat de grensplaatsen zouden versterkt en ons grondgebied behoorlijk beveiligd worden, werd uitgesproken door de Staten zelven.”

„Wat hun Fagel had ingegeven,” zegt Geelvinck, binnensmonds.

„Aan de Heeren, die tot dat einde gecommitteerd werden, en waartoe ik,” vervolgt Bentinck, „ook behoorde, ontdekte de Prins zijn toeleg, en nu, terwijl Keulen de dekmantel was, bevorderden zij met hem het verzamelen van krijgsvolk.”

„Wij hebben zoo iets vermoed,” zegt Witsen, zich de kin wrijvende.

„Intusschen,” herneemt Bentinck, „het werven van krijgsvolk is een werk van langen nasleep en onzekeren uitslag en dat in ons geval te veel gerucht zou gemaakt hebben; er moest dus een ander middel gevonden worden, om ons doel in dezen te bereiken, en Z. Hoogheid droeg mij de taak op, dat middel te beproeven. Ik werd naar Berlijn afgevaardigd, quasi om bij den nieuwen Keurvorst den rouw te beklagen over zijns vaders dood; doch inderdaad, om hem bekend te maken met onzen toeleg en zijn bijstand te verzoeken. Met die zelfde boodschap heb ik de Hertogen van Lunenburg-Zels en van Wurtemberg, en den Landgraaf van Hessen bezocht, en allen bereid gevonden, om ’s Prinsen toeleg te begunstigen, in geval van oorlog met Frankrijk de Staten bij te staan, en desnoods de manschap aan te vullen, die van hier over zee gezonden wordt.”

„Ik twijfel er niet aan,” mompelt Geelvinck; „of men zal die Duitsche Vorsten steeds bereid vinden, hun onderdanen in te wisselen tegen Hollandsche dukaten.”

„En wat meer is,” vervolgt Bentinck; zich houdende of hij de aanmerking niet gehoord had, „de Hertog van Hanover zal niet aarzelen in elk geval partij voor ons te kiezen.”

„Hoe?” vraagt Witsen, eenigszins verrast: „in weerwil van zijne verbintenis met Frankrijk?”

„Wanneer ik zeg, de Hertog,” herneemt Bentinck, glimlachende, „dan meen ik, onder ons gezegd, de Hertogin. Zij heeft niet vergeten, dat zij eene kleindochter is van Koning Jacobus I, en, bij ’t afsterven van de Prinses van Oranje en die van Denemarken zonder wettig oir, de naastgerechtigde tot de kroon van Groot-Brittannië. De gesprekken van den Heer Burnet hebben de staatzuchtige vrouw vuur doen vatten en zij heeft haar Vorstelijken gemaal zoodanig weten te bewerken, dat ik hem, bij mijn bezoek, geheel op onze hand vond.—Voeg hier nu bij, dat wij op het bondgenootschap van Zweden kunnen rekenen, zoodat eerstdaags een tractaat met Koning Karel XI staat gesloten te worden, waarbij het ons zesduizend man toezegt, die in onze soldij zullen komen.—De Heeren zien dus, dat twee der hoofdbezwaren bereids zijn overwonnen, en het was Z. Hoogheid nuttig en noodig voorgekomen, mij hierheen te schikken, om hiervan Uwe Achtbaarheden kennis te doen dragen.”

Wederom eene wijl stilte. De Burgemeesteren zien elkander een oogenblik aan, als wilde de een den ander de eer laten om ’t woord te voeren: eindelijk vat Witsen, als gastheer, het op.

„Ik geloof ook in naam van mijn ambtgenoot te spreken, wanneer ik Uwe Edelheid dank zeg voor de ons bewezen eer; maar ik geloof evenzeer in zijn naam te spreken, als ik er bijvoeg, dat Uwe Edelheid zich de moeite der reis had kunnen sparen. De Heer Bentinck versta ons wel; zijn bezoek is ons welkom en zijne tegenwoordigheid vereert ons huis; maar de mededeeling van nieuwe en meer staatsgeheimen verzwaart den last, die al reeds op ons drukt en ons hoe langer hoe meer in eene valsche stelling doet verkeeren tegenover onze mederegenten, wie wij niet mogen waarschuwen voor de kans, die zij loopen, om hunne schepen of goederen in Frankrijk of Engeland te zien in beslag nemen. Hadden wij tot de onderneming geraden of ons zelfs bijzonder gunstig daarover uitgelaten, de zaak ware verschillend; doch, wat mij althans betreft, ik heb daar ten allen tijde bedenkingen tegen aangevoerd, en ik geloof, dat de Heer Van Castricum daarover niet anders denkt dan ik.”

„Ik dank den Heer Witsen voor zijne rondborstigheid,” zegt Bentinck; „doch hij zal mij wel willen toegeven, dat een iegelijk onverstandig handelt, die, als hij zijn vertrouwen iemand schenkt, hem zijne geheimen maar ten halve mededeelt: en dewijl nu de Heeren van den aanvang af door Z. Hoogheid zijn geraadpleegd geworden, geboden plicht en noodzakelijkheid, dat zij niet onkundig bleven van den tegenwoordigen stand der zaak. Maar bovendien, ik heb gezegd, dat twee der voorwaarden, zonder welke de onderneming niet kan doorgaan, zijn vervuld: over de derde heb ik nog niet gesproken. De zenuw van den krijg is—geld:—en Amsterdam heeft de koorden van de beurs in handen.”

„Ik verbeeldde mij,” zegt Witsen, „dat de geldzaak in orde was, althans geen bezwaar kon maken.”

„Ja, en neen.—’t Is waar, de Admiraliteiten hebben ter dezer gelegenheid goedgunstig toegestaan—iets wat zelfs de Heer De Witt indertijd nooit van haar heeft kunnen verkrijgen—de uitrusting bij wijze van voorschot voor hare rekening te nemen;—doch de huur der transportschepen, de soldij van het te verwachten krijgsvolk en de hemel weet hoeveel meer nog, moet betaald worden, en daartoe zal geld, en niet weinig ook, benoodigd zijn.”

„Dat zal te zijner tijd aan de Staten dienen gevraagd te worden,” merkt Witsen aan.

„Ja, dat zal kunnen geschieden, als eens de Staten in ’t geheim zijn genomen; doch de tijd daartoe is nog niet geboren—en het is den Prins thans maar alleen te doen, om te weten, of, naar de meening van de Heeren, Amsterdam genegen zal bevonden worden, om ter Staten-Vergadering tot onderstand te raden, en desnoods de middelen aan te wijzen, om de zaak te bevorderen.”

„Ik heb vroeger,” zegt Witsen, „reeds mijn twijfel te kennen gegeven, of een voorstel in dien geest hier bij de Vroedschap wel zou doorgaan.”

„Dat weet ik,” herneemt Bentinck: „maar er zijn sedert dien tijd twee maanden verloopen en de verontwaardiging over de tirannieke handelwijze van Koning Jacobus heeft meer en meer veld gewonnen: de gemoederen zullen wellicht thans meer ten voordeele der onderneming gestemd zijn, dan vroeger het geval is geweest.”

Hier vat De Wildt, die tot nog toe bescheiden gezwegen heeft, het woord op, om ’s Prinsen vertegenwoordiger te steunen: „Ik weet zeker,” zegt hij, „dat bij niet weinigen een kruistocht ten behoeve der Protestantsche Kerk als eene Gode behaaglijke daad wordt beschouwd.”

„Juist!” voegt Bentinck er bij: „en men vergete niet, dat, toen de Heeren ’t eerst over deze zaak onderhouden werden, er geen Prins van Wales meer verwacht werd, dewijl het gerucht vrij algemeen liep, dat de Koningin een miskraam had gehad. Mocht men toen de hoop voeden, dat de staat van zaken in Engeland alleen van tijdelijken aard was, en dat, als, na het overlijden van den Koning, Prinses Maria de kroon aanvaardde, alles daar weder op den ouden voet zou terugkeeren, thans is alles veranderd; men is op eene wijze, die ik niet zal qualificeeren, voor den dag gekomen met een Prins van Wales: komt morgen Jacobus II te sterven, er is niets veranderd, men behoudt een Jezuïeten-regeering, en, in stede van een Protestantsch, een Roomsch Engeland. Daartegen dient gewaakt, en kon men vroeger beweren, dat alleen de belangen van Z. Hoogheid, als echtgenoot der Prinses-royaal, in de zaak gemengd waren, thans is het onze geheele Republiek, die belang heeft, een einde te maken aan den toestand, die ginds bestaat.”

„Ik heb vroeger gezegd, en zeg het nog,” hervat Witsen, „dat, waar het de belangen van den godsdienst geldt, men die Gode alleen behoort over te laten.—Houdt de meerderheid in Engeland krachtig aan de Protestantsche Kerk vast, dan zal zij ook bij machte zijn, de Paperij te weren, en desnoods Koning Jacobus te behandelen als zij vroeger zijn vader heeft gedaan.—Als wij echter de zaak niet als theologanten, maar—wat geloof ik, onze plicht is—als staatslieden beschouwen, dan komt zij mij voor, eene minder aanbevelenswaardige zijde te hebben. De onderneming gelukke al of niet: wij maken ons Frankrijk ten vijand, dat enkel op een voorwendsel wacht, om den krijg te hervatten: en, hebben wij herhaaldelijk met roem oorlog gevoerd, een land van commercie, als het onze, heeft behoefte aan vrede.”

„De Heeren,” zegt Bentinck, „hebben mij echter vroeger de verzekering gegeven, dat zij zich niet tegen het verleenen van onderstand zouden verklaren.”

„Ongetwijfeld,” zegt Geelvinck: „en de Heer Witsen wil alleen het gevoelen uitdrukken van hen, die de zaak bloot van een politieke zijde beschouwen.”

„Wel,” hervat Bentinck, „verbeuren wij de vriendschap van Frankrijk, waar toch al niet veel op te roemen valt, wij verzekeren ons van die van Engeland:—en ’t is vooral dat Rijk, onze mededinger op zee, waar wij in goede harmonie mee moeten leven. Verdeeld hebben wij alles te vreezen: dit heeft ’t jaar 72 genoeg geleerd:—vereenigd kunnen wij geheel Europa tarten.”

„Wij zullen,” zegt Witsen, „dan wachten tot wij officieel worden uitgenoodigd, de Vroedschap te raadplegen, en dan wil ik den Heer Bentinck gaarne ons voornemen mededeelen, ’t welk strekken zal te verklaren, dat, zoo de Prins volhardt in zijn plan, wij het betamelijk achten dat de Regeering hem ondersteune, mits men met de Engelsche Natie op een goeden voet blijve, en, zoo mogelijk, worde schadeloos gesteld voor de opofferingen, ten haren behoeve gedaan.—En nu, mijne Heeren! het avondmaal wacht: de Heer Bentinck zal niet weigeren het geringe voor lief te nemen en voor eene wijl, aan mijn disch, met ons, alle staatszorgen en politieke quaestiën aan eene zijde te stellen en ons ’t een en ander te vertellen van het merkwaardige, dat hij op zijne reizen bespeurd heeft. Hij is toch een Ulysses

en wij kunnen van hem vernemen, hoe het in die Duitsche steden er uitziet, sedert wij ze in onze jeugd bezochten.”

Bentinck buigt zich, wel inziende, dat voor ’t oogenblik elke poging om tot het behandelde onderwerp terug te keeren, geheel vergeefs zou wezen, en de vier Heeren begeven zich naar de eetkamer, waar een prachtige en overvloedige maaltijd is aangerecht. Wat onder het nuttigen daarvan gesproken wordt, hebben wij hier niet te vermelden: alleen dit, dat, als op het nagerecht Bentinck aan de beide Burgemeesters afvraagt of zij niet met hem een roemer willen ledigen op den goeden uitslag der onderneming, zij zich beleefdelijk daarvan verschoonen.

De tijd van scheiden komt. Bentinck, die zijne bekomst heeft van het schokken en hossen in de toeslede, en niet bevreesd is, dat nu, bij donkeren nacht, hem iemand herkennen zal, verkiest zich te voet naar den Overtoom te begeven, waar de karos hem wacht, die hem naar Honselaarsdijk bij den Prins zal brengen. Hij neemt afscheid van de Burgemeesters en vertrekt, met De Wildt, die hem tot buiten de poort vergezellen zal.

„Slechte troost, die men mij gegeven heeft,” zegt hij, zoodra zij op straat zijn, tot zijn geleider.

„Wees niet bekommerd, mijnheer!” antwoordt deze: „de Heer Witsen is—wat zelden voorkomt—tevens een man van strenge nauwgezetheid en een doorslepen diplomaat. Hij wil niet bepaald afraden wat wellicht ten voordeele van den godsdienst strekken kan, en evenmin kans loopen, dat men hem, als de onderneming verkeerd uitvalt, ten laste legge, die met woord of daad te hebben aangemoedigd, maar wordt eens de zaak in de Vroedschap aangebracht en aldaar, waar ik niet aan twijfel, tot het ondersteunen van den Prins besloten, dan zal hij, dan zullen de Heeren Van Waveren en Van Castricum, niets onbeproefd laten wat dienen kan, om die ondersteuning zoo krachtig mogelijk te doen zijn. Overhaasting alleen had ons voornemen kunnen verijdelen: de zaak moet zooverre gevorderd zijn, dat het terugtreden onmogelijk is, en de Stads-Regeeringen zelven dit inzien.”

En de uitkomst leerde dat De Wildt de waarheid had voorspeld. Toen de Raadpensionaris Fagel bij omzendbrief van 9 September aan de Steden verzocht, haren Afgevaardigden ter dagvaart te gegelasten, een besluit te nemen tot verdediging van den Staat, en te Amsterdam de regeerende Burgemeesters benevens eenige Gemachtigden uit den Raad werden verzocht van voorlichting te dienen, werd zoowel door dezen geadviseerd als bij de Vroedschap begrepen, dat, onder de bestaande omstandigheden, er geene keuze meer overbleef dan aan den Prins den verlangden steun op de meest afdoende wijze te verleenen: en hoe zich Witsen daarin tot genoegen zoowel van den Prins als van zijne Vaderstad kweet, bleek daaruit, dat hij, toen, gelijk men weet, de onderneming met goeden uitslag bekroond was, tot Buitengewoon Gezant naar Engeland werd afgevaardigd, om den nieuwen Koning met zijne troonsbestijging geluk te wenschen, en dat deze hem, tot loon voor zijne diensten eene baronie wilde verleenen en het Curatorschap der Leidsche Hoogeschool. Hij bleef echter ook toen zich zelven gelijk en sloeg titel en waardigheid af, geen rang of voorrechten voor zich begeerende te trekken uit eene gebeurtenis, waarvan het bevorderen aan zijne stadgenooten wel veel eer en oogenschijnlijk ook veel blijdschap had gegeven, maar tevens, door den oorlog met Frankrijk, die nu ontstond, onmetelijke nadeelen had toegebracht.

I.

Costers Academie.

Wij willen nu, van het huis van Witsen naar de overzijde gaan, om stand te houden voor dat poortje, tusschen de Run- en Beerestraten, en eens te zien, wat op die smalle strook papier te lezen staat, die er is aangeplakt en de aandacht van de voorbijgangers niet weinig schijnt te trekken. Daar zijn wij er, en, vergeet dit niet, het is op een Decemberdag van ’t jaar. Zie maar; gij behoeft er uw bril niet voor op te zetten: de letters zijn groot en duidelijk genoeg. Er staat:

I. v. Vondels Gebroeders, Treurspel.

’t Gerecht des hemels haet het gruwlijck bloedvergieten,

Verdelght al Sauls huis en zijn gedachtenis.

Al schijnt het aen den tijd hier jaren lang te ontschieten,

Hoe langh de wraeck vertrecht, zij komt in ’t end gewis.

Eilieve! een stuk van den ouden Joost! dat zal wel de moeite waard zijn, dat wij ’t eens gaan kijken. Maar ’t is nog geen drie geslagen: wij hebben nog den tijd, en terwijl wij een straatje omwandelen, zal ik u inmiddels eens vertellen, waar wij Amsterdammers dien schouwburg, die daar nu eerst sedert drie jaren staat, eigenlijk aan te danken hebben.

Gij weet, naar ik onderstel, dat, reeds vóór de hervorming, het in de Nederlanden krioelde van zoogenaamde Kamers van Rhetorijke, of Rederijkers-Gezelschappen, in welke men moralisatiën of „Spelen van Sinne” vertoonde, prijsverzen opgaf en beantwoordde, plechtige optochten hield en zich en anderen op verschillende wijze poogde te vermaken. De geestelijke heeren, die toen juist allen geen heiligen waren, kregen er in die zedespelen niet zelden ongenadig van langs: en zij getroostten zich dat: al sedert de dagen van „den vos Reynaert” waren zij het gewend, dat men met hen schertste. De leus van Mazarin: „laat ze gerust zingen als zij maar betalen,” was ook toen de hunne, en zoolang noch hun gezag noch hun inkomen schade leed, lieten zij dat Rederijkersvolkje gerust zijn gang gaan, ja vermaakten zich nog wel over de uitgekraamde zedelessen en schimpscheuten, die zij, natuurlijk ieder op zijn frater, en niemand op zich zelven toepasten. Maar zie! daar kwam Luther; daar vond zijne stem, en die zijner medestanders weerklank hier te lande, en dat wel bijzonder in de Kamers van Rhetorijke, die, hoezeer dan op kleine schaal, toch de critiek vertegenwoordigden, evenals in latere eeuwen de dagbladpers. Nu veranderde de zaak van natuur. Wat men uit den mond van de predikers der hervorming niet hooren wilde, dat wilde men even zoomin hooren van de Rederijkers: en zoo werden op vele plaatsen de kamers verboden en de leden gestraft. Te Amsterdam, waar in 1553 eene dier Kamers een batement of blijspel vertoond had, in ’t welk de zeden der geestelijken wat onvoorzichtig waren doorgestreken, werden de negen liefhebbers, die ’t stuk gespeeld hadden, tot eene bedevaart heel naar Rome veroordeeld: wat hun althans belette, in de eerste maanden zulk een waagstuk te herhalen.

Van dien tijd af schijnen alle Kamers voor eene wijl uit Amsterdam verdwenen te zijn, op eene na, die, ook na de Regeeringsverandering in 1578, in stand bleef, en de „Oude Kamer” genoemd werd. Zij voerde, tot blazoen, een kruisbeeld met een egelantier onder de doornen, en tot zinspreuk In Liefde Bloeyende. Werkelijk bloeide zij dan ook, niet enkel door het getal en het aanzien harer leden, waaronder schier al de voornaamste Regenten geteld werden, maar ook door hare werkzaamheden, als een school, waar de regelen der schrijftaal door mannen als Coornhert, Spieghel en Roemer Visscher onderzocht en het Nederduitsch, zooals wij het thans spreken en schrijven, gevormd zou worden.

In ’t jaar 1585, na ’t overgaan van Antwerpen, kwamen twee Brabantsche Kamers vandaar naar Amsterdam over. De eene, die niet lang in wezen bleef, had tot blazoen „het Vijgeboomken,” met de zinspreuk Het zoet vergaeren: de andere heette „De Witte Lavender,” met de zinspreuk Uit levender jonst. Tusschen deze laatste en de „Oude Kamer” ontstond alras groote naijver: op de Oude Kamer werden sommige stukken van Hooft, op de Brabantsche in 1612 Vondels „Pascha,” op beide de geestige kluchten van Bredero vertoond. Maar de naijver ontaardde in twist, eerst tusschen de beide Kamers, toen tusschen de leden onderling; het personeel was van lieverlede niet meer wat het vroeger geweest was; schier alle mannen van aanzien en smaak hadden zich onttrokken aan een gezelschap, waar lieden zonder opvoeding den boventoon voerden. De gelijkheid van allen op het gebied der kunst is op zich zelve eene schoone zaak; maar evenals elke andere gelijkheid, mist zij veelal hare toepassing, wanneer zij in practijk gebracht en aan vaste regelen moet onderworpen worden. Het mocht een schoon denkbeeld heeten, dat in de Rederijkerskamer de nederige ambachtsman zich eene plaats kon verschaffen naast den vermogenden handelaar of den deftigen regent: dat, waar alleen iemands letterkundige verdiensten in aanmerking kwamen, de winkelier Vondel of de smid Krul eene hoogere plaats innamen dan deze of gene Schepen of Commissaris; maar niet alle winkeliers en ambachtslieden, die in de Kamer werden opgenomen, waren mannen van bekwaamheid en studie als Vondel en Krul. Velen waren onbeschaafd, lieden, die handwerk en huisgezin verwaarloosden, om zich toe te geven aan onbeduidende rijmelarij: lieden, die geen behoefte naar onderricht, geen zucht tot veredeling van hunnen smaak, geene liefde tot de kunst als zoodanig naar de Kamer dreef, maar het verlangen om lof in te oogsten voor hun erbarmelijk broddelwerk, om hunne ijdelheid gestreeld te zien door zich in denzelfden kring te bevinden met hunne Magistraten, of wel, wat nog erger was, om zich bij kroes en kan te vermaken in gezelschap van „vroolijke jongens” gelijk zij. Was het wonder, dat, toen die „vroolijke jongens” den boventoon kregen, de meer beschaafden zich allengs terugtrokken? Was het wonder dat een man van kiesche vormen en keurig in zijn omgang als Pieter Corneliszoon Hooft, toen in 1611 de Schepen Dr. Jan ten Grootenhuis eene poging aanwendde tot herstel der Kamer, zijne medewerking alleen verbond aan de voorwaarde, dat „den onnutten en ongebondenen, die alleen tegen de geregeltheid schoorvoeten, uit naam der Heeren Magistraten beluit werden, op boete van geweldt, haar der Kamer te onthouden.” Hoe weinig ook de vroolijke blijspeldichter Gerbrand Adriaensz. Bredero, van wien men anders een min gestreng oordeel over de leden der Kamer verwacht zou hebben, met hen was ingenomen, bleek uit de benaming van

Dit wraeck-goed, dat uitschot, dees onwetende buffels,

die hij den toenmaligen toongevers naar ’t hoofd wierp, en uit de naastvolgende vergelijking, welke hij tusschen de vroegere en latere leden der Kamer maakte:

Besiet de kaerten self en overleest de namen

Van over twintigh jaer, gy zult schrickend u schamen,

Dat ghy nu met dit schuym soudt wonen hier ten pronck

Of in de schouplaets, daer eerst niet dan goud in blonck.

Toch was er een man, blakende van liefde voor de kunst, en die er niet aan wanhoopte, door zijne pogingen aan de Kamer eene betere toekomst te bereiden. Die man was Dr. Samuel Coster. Met echt Hollandsch overleg begreep hij, dat, wilde men eene goede uitkomst verkrijgen, men vóór alles moest beginnen met de financiën der Kamer op een geregelden voet te brengen.

Vroeger had de Stad de onkosten gedragen, die op het spelen liepen; nu wisten Coster en zij, die hem ter zijde stonden, met de Regenten van het Oude-mannenhuis eene schikking te treffen, die aan weerszij de voordeeligste uitkomsten opleverde. Men liet de toeschouwers eene kleinigheid betalen en stond de ontvangen penningen af aan het genoemde gesticht, uit welks inkomsten daarentegen de kosten vergoed moesten worden tot het spelen gemaakt. Het voordeelig slot van rekening had omstreeks ’t jaar 1615, in minder dan tien maanden tijds, ƒ 2000 beloopen; terwijl de Kamer, nu geene uitgaven hebbende, in dien tusschentijd merkelijk verrijkt was geworden. De verkregen uitkomsten moedigden Coster aan, met des te meer kracht de handen aan ’t werk te slaan, om eene algeheele hervorming der Kamer tot stand te brengen. Wel is waar, de tegenkanting, die zijne pogingen ondervonden, was niet gering. Aan de eene zijde had hij te kampen met velen uit de Rederijkers zelven, die hij voor een troep „moolikken” schold: aan de andere zijde verhieven de kerkelijken hun krachtige stem. De dominees hadden, tevens met de onverdraagzaamheid der priesters en der monniken, ook hun haat tegen de Rederijkers overgenomen, en bij hun afkeer van alle wereldsche vermaken konden zij het aan Coster niet vergeven, dat hij in zijn treurspel „Ifigenia” de geestelijke heerschzucht in den persoon van Eurypilus had tentoongesteld. Maar Coster was de man niet, om zich aan het gekef van ontevreden Rederijkers of aan het gebulder van vergramde predikanten te storen: te minder, daar hij een krachtigen steun vond in de „politieken,” gelijk men de zoodanigen noemde, die het evenwicht tusschen de partijen zochten te bewaren, en den Staat buiten of liever boven allen kerkelijken twist te houden. Coster scheidde zich met zijn aanhang af van dien ordeloozen hoop en richtte de Kamer van nieuws af op, onder den naam van „Academie,” en wel in een gebouw, op zijne kosten gesticht op het erf, dat wij zooeven verlieten, en dat hem de Regeering daartoe had afgestaan. Inmiddels was tusschen hem en de Regenten van het Burger-Weeshuis op 23 September 1617 eene overeenkomst gesloten, waarbij bepaald werd, dat het Weeshuis al de kosten dragen en gedurende de eerste zes jaren een derde gedeelte van de ontvangsten genieten zou, en hij de overige twee derden: na verloop dier zes jaren zouden partijen de winsten gelijkelijk deelen.

Nog in ’t zelfde jaar 1617 werd de Academie ingewijd met een voorspel, „Apollo” genaamd, en vervaardigd door zekeren Siffridus Sixtinus, na hetwelk men het treurspel gaf van G. Van Hoogendorp „de Moord beghaen aan Willem Prince van Oranien.” Des anderen daags vertoonde men „Warenar met de Pot,” die allervermakelijkste klucht van Hooft.

Of nu, toen de termijn, bij de overeenkomst bepaald, begon te naderen, Coster geld noodig had, of zijne praktijk als geneeskundige hem geen tijd genoeg overliet, om zich met de beslommeringen van eene tooneeldirectie te bemoeien, dan of hij er door andere redenen toe genoopt werd, zeker is het, dat hij op den 9den Augustus 1622 aan het Weeshuis het erf, den opstal en al den theatralen toestel overdeed voor eene som van—schrik niet!—ƒ 6850, en eene kusting van ƒ 3200 ten behoeve van Lammert Lammertsz., die er op kleefde en ten laste van ’t Weeshuis werd overgeteekend. En ik kan er u bij vertellen, waar die theatrale toestel in bestond: ja, ’t was niet min, en de merkwaardigheden van ’t Doolhof zelf konden er niet bij halen. Luister maar:

1º. Eenige geschilderde omdraaiende doeken.

2º. 22 wapens van de voornaamste prinsen, op ovalen geschilderd.

3º. 9 vierkante wapens van de Unie en 6 prinsenwapens op doek.

4º. 3 groote schilden, daar de lampen aan hingen, aan de andere zijde geschilderd, met hunne blokken en koorden.

5º. Het dalende hemelwerk met zijne loopstangen, koorden en blokken.

6º. 3 tafels, met hare schragen en banken.

7º. Nog eene tafel, wat kleiner, met twee schragen.

8º. 3 stukken, daar het tooneel mee vergroot wordt.

9º. Eene gevangenisdeur, traliesgewijze gemaakt.

10º. Twee groote houten traliën, in het spel van Hersilia gemaakt.

11º. De blaffeturen, gemaakt tot hemelwerk.

12º. 2 groote zwarte linnen gordijnen, daar het tooneel mee gesloten wordt.

13º. Al de losse deelen op de hoogste zoldering.

14º. Het graf van Achilles.

15º. De triumfwagen.

16º. Het vierkante autaartje.

17º. Vormen van tienwerk, op zolder liggende.

Ziet ge, al dat moois, die blaffeturen en dat graf van Achilles, die ovale wapens en die gevangenisdeur, en wat er meer op den catalogus stond, met nog een huis en erve op den koop toe, voor even ƒ 10,000! Men kan niet zeggen, dat Dr. Samuel die Heeren te erg het vel over de ooren gehaald heeft.

Maar terwijl de Academie nu voor rekening van het Weeshuis speelde, bleef dat gedeelte van de leden der Oude Kamer, dat Coster niet gevolgd was, zijne vertooningen in zijn oude lokaal boven de vleeschhal in de Nes voortzetten voor rekening van het Oude-mannenhuis: en wat men al praten moge van de voordeelen eener vrije concurrentie, goede tooneelspelers zijn zoo dik niet gezaaid, dat men ze maar voor ’t vragen heeft, en dewijl de stukken van onze vrienden Hooft, Coster, Bredero, Vondel, enz. doorgaans elk voor ’t minst een dozijn bekwame tolken vereischen, wat al zooveel was en nog is als de stad met moeite oplevert, zoo spreekt het wel van zelf, dat men met den bestaanden voorraad van goede tooneelspelers maar op zijn best één schouwburg gerieven kon, en dat, zoolang de bestaande krachten tusschen twee wedijverende Kamers verdeeld waren, geen van beiden meer dan half werk kon leveren. Zoo sukkelde men aan weerszij een jaar of wat voort: men poogde elkander zooveel mogelijk de loef af te steken en men onttroggelde elkander de goede spelers; gaf men in de Nes een nieuw stuk, dan moest men het op de Keizersgracht ook geven; hield men hier optochten bij feestelijke gelegenheden, dan moest ginds ook hetzelfde groot spektakel vertoond worden: ’t ging hard tegen hard: de Regenten over en weer konden elkander niet langer luchten of zien, en de beide godshuizen leden er niets dan schade door. Burgemeesteren begrepen eindelijk, dat het zóó niet langer gaan kon en drongen er op aan, dat de twee inrichtingen, de Oude Kamer en de Academie, goedschiks of kwaadschiks, zich tot één lichaam zouden vereenigen; maar het duurde toch nog tot in ’t jaar 1635, eer die zaak haar beslag kreeg en het Weeshuis een derde gedeelte van den Schouwburg met diens toebehooren, aan het Oude-mannenhuis verkocht. Eens echter, tot een vergelijk gekomen zijnde, begreep men, geen half werk te moeten doen, en, in plaats van de houten loods, waarin men tot nog toe gespeeld had, een fiks gebouw van kalk en steen te zetten: en de Regenten der godshuizen konden met te meer gerustheid daartoe besluiten, omdat zij in hun midden den bouwmeester bij de hand hadden, wien zij ’t werk konden opdragen: den Mederegent van ’t Weeshuis en Vroedschaps-Lid Nicolaas Van Campen.

Aan den naam van Van Campen hecht zich bij u, als bij iederen Amsterdammer, menige herinnering, niet waar? en misschien wenscht gij te weten of en in hoeverre de man, dien ik u noemde, met den beroemden bouwmeester van ’t Stadhuis in betrekking stond. Gelukkig ben ik in staat tot zekere hoogte aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. Er leefden in de zestiende eeuw twee gebroeders, Willem en Jacob, en eene zuster, wier doopnaam ik niet gevonden heb. Willem was de grootvader van den bovenvermelden Nicolaas, Jacob had twee zoons, Cornelis en Pieter. Cornelis, in 1564 geboren, was een man van hooge beschaving en fijngevormden smaak; op gevorderden ouderdom was hij, bij zijn verbazend geheugen, nog de vraagbaak van velen. Vondel zong hem zijn „Koninklijke Harp” toe en Hooft raadpleegde bij ’t schrijven zijner Nederlandsche Historiën hem over al, wat betrekking had tot hetgeen te Amsterdam in de Spaansche tijden en bij ’t „geus worden” der stad was voorgevallen. Hij, Cornelis, was getrouwd geweest met Catharina Quekels, die hem twee kinderen schonk, Jacob, in 1598 geboren, en de bekoorlijke Machteld, haar, die door Constantijn Huygens bemind werd, en op wier dood in ’t bloeien harer jeugd Vondel zulk een alleraandoenlijkst gedichtje schreef. Pieter, de broeder van Cornelis, in 1568 geboren, had bij zijne vrouw, Gerritje Claessen, vrouwe van Randenbroek, twee dochters, Margaretha en Geertrui, en een zoon, Jacob, den bouwheer van ’t Stadhuis.—En nu de zuster van Willem en Jacob? Ik zeide u, dat haar naam mij niet bekend was; maar des te meer die van haren man en hare drie dochters. Die man was Roemer Visscher, de drie dochters Anna, Geertrui en Tesselschade.

Het was dan aan Nicolaas Van Campen, dat, als ik u straks zeide, het bouwen van den nieuwen schouwburg werd opgedragen. Die bouw, waaraan ruim ƒ 29,000 besteed werden, was in ’t jaar 1637 voltooid. Op 3 Januari 1637 werd het gebouw ingewijd, en wel, gelijk gij weet, met de vertooning van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, en in tegenwoordigheid van Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raden—wat natuurlijk niet weinig ergernis gaf aan de predikanten, die al zoo tegen de Academie geijverd hadden. Hoe voortreffelijk de bouwmeester zich van zijne taak gekweten heeft, zou ik u kunnen aantoonen uit de verzen, die Vondel tot zijn lof zong; doch ’t is eenvoudiger en beter, dat gij er met eigen oogen over oordeelt en, dewijl wij nu de plek weer genaderd zijn en wij, al zijn de twee groote lantaarns boven de poort reeds opgestoken, nog een half uurtje den tijd hebben, kunnen wij dit besteden, om de localiteiten op te nemen. Ik ben bij Regenten en suppoosten bekend en kan u overal binnen brengen, ook waar ’t publiek geen toegang heeft.

II.

De nieuwe Schouwburg.

Hier hebt gij nu, om te beginnen, de hardsteenen poort, van Dorische orde gebouwd, en zeer eenvoudig, wat ook niet meer is dan naar behooren; want maakt men den ingang van een gebouw te mooi, dan valt somtijds het binnenste af. Kijk, die twee borstbeelden boven de poort zijn Herakliet en Demokriet; in het frontespies leest gij het woord „Schouwburg,” en daaronder, in gouden letteren, de gouden spreuk, door Vondel berijmd:

De wereld is een Speel-Tooneel,

wat onlangs een spotter aldus parodiëerde:

De wereld is een pijp kaneel,

Elk zuigt er aan en krijgt niet veel.

Binnengaande, vinden wij hier rechts ’t „Comptoyr,” waar wij ieder ons lootje nemen!—tweemalen in de week wordt er gespeeld, ’s Maandags en Donderdags; wij stappen het binnenplein over en treden, door de tweede poort, die van ’t gebouw zelf, het portaal binnen. Hier mangelt het voorwaar niet aan verzen: lees dit maar, al wederom van Vondel, en dat u meteen de verklaring geeft van de twee borstbeelden boven den ingang:

Tooneelspel quam in ’t licht tot leersaem tijdverdrijf,

Het wijckt geen ander spel, nocht konincklijke vonden,

Het bootst de weereld na: het ketelt siel en lijf;

Het prickelt ze tot vreughd of slaet ons soete wonden,

Het toont in ’t klein bestek al ’s menschen ydelheyd,

Daar Demokryt om lacht en Heraklyt om schreyt.

en dan dat andere, van den glazenmaker Jan Vos:

De Godsdienst roept de ziel: het lijf de zorg voor ’t leven,

Elck heeft haer eygen tijt, wie die hier tegen streven,

Wie tijt in tijden vint, wort geen tooneel ontseyt.

Zoo leert men door het spel noch deught in ledigheyt.

Vindt gij, zooals ik, die regels wat volle hoogdravend, en daardoor wat duister, zoo lees deze, die zijn eenvoudig en verstaanbaar; doch zij zijn ook weer van Vondel:

Geen kind den Schouburgh lastigh sy,

Tobackspijp, bierkan, snoepery

Nocht geenerley baldadigheyd.

Wie anders doet wordt uytgeleyd.

Eene nuttige waarschuwing inderdaad! Boven in de vleeschhal zaten zij niet zelden onder hun pijpje en hun biertje naar de Kameristen te luisteren; maar hier hebben de Regenten begrepen, dat wie op zijne tabak en zijne kan verzot was, naar de kroeg kon gaan, en alleen beschaafde lieden hier behoorden te worden toegelaten. En nu gaan wij links deze breede trap op naar de Regentenkamer. Zie, ’t ruime vertrek staat vol met beelden van goden en godinnen, die nog van de „Oude Kamer” hierheen zijn verhuisd, en boven de ruime Schouwe leest gij dit raadseltje van Vondel:

Geluckigh is het Land,

Daer ’t kind sijn moer verbrant.

Hierboven zijn de woonvertrekken van den kastelein; daar zult gij niet veel vinden, om uwe belangstelling op te wekken. Wij keeren dus maar naar ’t portaal terug, en gaan, langs de trap tegenover de poort, de schouwburgzaal binnen.

Wij bevinden ons nu in ’t „ruim,” waar de kijkers mogen staan, doch in vergoeding vrijheid hebben heen en weer te loopen; wij zullen dan ook gedurende de vertooning hier niet blijven, maar ons zetten in een van die „cierlijke huisjes of kamerkens,” die, ieder tusschen twee fraaie pilasters in Korintischen stijl, in twee rijen boven elkander, om ’t „ruym” heenloopen. Daarboven is de gaanderij, met oploopende banken, voor hen, die niet verkiezen te staan, en voor wie die „huisjes” te duur zijn. Achter de banken, tegenover het tooneel, is een halfrond kerkraam, dat, als de dagen lengen, vrij wat licht geeft en vrij wat kaarsen spaart; echter is de kerkkroon, die in ’t midden hangt, bereids opgestoken.

Maar dat afdwalen naar de toekomst, die de „loopmaren” wacht, moet ons niet doen vergeten, dat wij in den schouwburg zijn, en dat gij nog wel andere personen wilt leeren kennen dan Jan Vos of Otto Barentsz Smient. Gij kijkt naar die Juffer, die daar zoo meteen in een der kamerkens van de benedenste gaanderij heeft plaats genomen: nu! ik kan het u niet ten kwade duiden; de fiere Katharijne Baeck is, al telt zij reeds 38 jaren, nog altijd

en

eene der schoonste onder de Amsterdamsche schoonen. Zij is de dochter van den rijken koopman Lourens Baeck, en zoowel zij als haar vader en al de zijnen hebben altijd veel vriendschap aan Vondel bewezen: wat hij hun dan ook ruim vergolden heeft door de bevallige gedichtjes, die hij hun heeft toegezongen, of waarmede hij hunne hofstede Schei-beek bij de Beverwijk vereeuwigd heeft. Hij plaagde er haar vroeger mede, dat zij alle vrijers afsloeg; doch was zij lang

Ja waarlijk! de gordijnen worden over de dwarsstang heengeslingerd. Nu! wat zegt gij? is ’t niet een fraai tooneel, met zijn prachtigen troon in ’t verschiet, tusschen standbeelden in nissen? Dat borstbeeld boven den troonhemel is dat van Prins Frederik Hendrik, en hooger nog ziet ge op een schilderij de goden van den Olympus, en in ’t frontespies de Bijkorf. De zijwanden worden gevormd door uitspringende balkons, met kolommen en pilasters van Korintische bouworde. ’t Is waar, het eene balkon is nu gedekt door een geschilderd rotsscherm, dat er tegen aangezet is; wat te kennen geeft, dat de handeling in de open lucht voorvalt; gij moet u alzoo den troon en al ’t getimmerte wegdenken en u voorstellen dat gij in een bergachtig landschap kijkt. Een weinig verbeelding is er bij noodig: maar bovendien, Vondel zorgt altijd in zijne stukken, dat zijn personages aan den toeschouwer eene dichterlijke en toch zeer juiste en nauwkeurige beschrijving geven van de plaats, waar zij zich bevinden. Pas op! daar vertoont zich de Hoogepriester Abjathar met zijne priesters op ’t in een rots verkleed balkon; hij wordt ondersteld nedergedaald te zijn van den bergtop, waar Gabaa gelegen is. Gij zoudt voorwaar in dien deftigen grijsaard, wiens hoogepriesterlijks kleeding Vondel zelf tot in de kleinste bijzonderheden heeft voorgeschreven, den vroolijken offeraar aan de godin Bierana en den god Brandemoris, Harmen Van Ilt, niet herkennen. Die voor de Rei van Priesteren ’t woord voert, is de letterzetter Frans Schuylingh. En daar treedt van de andere zijde, zoo ’t heet uit de vallei, de bontwerker Jan Lemmers te voorschijn als Koning David, die den Hoogepriester komt raadplegen over de middelen, om Gods toorn te verzoenen en de droogte te doen eindigen. Voor de Levieten, die hem volgen, spreekt Adam Carelsz. van Zjermesz, dezelfde, die ik u zooeven noemde als uitgever van den vertaalden Horace—een uitmuntend tooneelspeler. En nu geluisterd....

Het eerste bedrijf is uit. Heerlijke verzen, niet waar? en hoe prachtig is niet die beschrijving van de driejarige droogte en de daaruit voortgesproten rampen! En hebben zich die vier zangers, Barend Van Hoorn, Jacob Willemse, Jan en Jelis Noseman, niet voortreffelijk van hunne taak gekweten? Ofschoon ik beken, dat ik de Reien liever hoorde zeggen dan zingen; er gaat met dit laatste te veel van de woorden verloren. Nu zullen die wraak- en moordlustige Gabaonners optreden, voorgesteld door Thomas De Keyser, van wien Gansneb Tengnagel zong:

’t Cieraad onzer treurtoneelen,

Tomas Keyzer meen ik, die

Ziel en zinnen plagt te streelen,

Ik, als Keyser, naad’ren zie

Die de wereld zoo verbeelde,

Stem noch uytspraaks weerga had,

Zelf ook met zijn wesen speelde,

Als hij maar ’t toneel betrad.

Hoor! de Gabaonners zijn verlangend te weten, welk antwoord de Koning van God ontvangen heeft; doch hunne nieuwsgierigheid wordt maar half bevredigd. Maar nu komt David zelf uit het heiligdom en meldt hun, dat Gods toorn alleen te stillen is door verzoening van het kwaad, aan die van Gabaa door Saul gedaan. Dat is den Gabaonners koren op hun molen en zij vorderen nu bloed—den dood van Sauls onschuldige zonen. De Koning is alles behalve geneigd, om hun dien harden eisch toe te staan; maar de Hoogepriester wijst hem op Gods geopenbaarden wil, en Benajas—door Paulus Pierson voorgesteld—voegt er politieke redenen bij.

Volgt het gevangennemen der zeven gebroeders, voor wie Jan Heerhuyzen de barbier het woord voert, en de jammerklachten der bedrukte moeders, die in ’t vierde bedrijf tot radeloosheid overslaan, wanneer zij van David geen genade hebben kunnen verwerven en de zeven gebroeders aan de Gabaonners overgeleverd en door hen ter strafplaats geleid worden.

De gordijnen worden nu nedergehaald; zeker zal er aan den toestel veranderd moeten worden. Ik hoor al dat er gesjouwd en getimmerd wordt.

Daar gaat het tooneel weer open; ja, ik dacht wel, dat ons eene verrassing bereid was: daar hebben wij zoowaar een tusschenspel! Daar hangen de zeven broeders—net eene galg vol—van Gabaonners, Staatsjuffers en Levieten omringd. De Keyser zegt er de verzen bij op, die wij op het aanplakbiljet lazen. Zie! daar treedt eene van de staatsjuffers voor, om eene weeklacht uit te boezemen. Hoor, hoe er in de handen geklapt en gejuicht wordt! Ja, zulke vertooningen kan ons publiek niet buiten:—hoe gruwzamer en hoe akeliger hoe mooier, en ik ken er zelfs onder de zoogenaamd deftige lieden, die, wanneer zij hun hart recht uitspreken, zullen bekennen meer vermaak te scheppen in zulk een poppenspel, dat eigenlijk bij Lingelbach in ’t Doolhof thuis behoorde, dan in ’t aanhooren der fraaie verzen van onzen puikdichter. Maar ik merk, dat gij niet van dat gevoelen zijt, gij wordt bleek: dat schouwspel maakt u wee en gij verlangt naar frissche lucht. Goed! dan zullen wij de rest maar voor gezien houden en zoowel den Schouwburg als het jaar 1639 verlaten.

III.

De herbouwde Schouwburg.

Nauwelijks vijf en twintig jaren zijn verloopen, sedert dat wij ons bezoek aan den Schouwburg brachten; maar als te Amsterdam een gebouw 25 jaren gestaan heeft, dan heeft men tegenwoordig er al genoeg van, en dan moet het noodwendig veranderd, verfraaid of, liever nog, geheel hernieuwd worden: adres aan het Pesthuis, dat pas gezet was of het werd weder elders opnieuw herbouwd, aan de geheel van gedaante veranderde Beurs, aan het spiksplinternieuwe Stadhuis, aan het Zeemagazijn, aan de Heiligewegs- en andere stadspoorten, die, pas gebouwd, weer gesloopt werden, om door fraaiere vervangen te worden. Neen! men houdt in Amsterdam niet van lapwerk! bevalt iets niet, dan moet het weg, om voor wat beters plaats te maken, en ieder gebouw moet zijn eigen en passend karakter hebben. Zoo behoort het ook en lang moge het zoo duren!

Evenals met zoovele andere gebouwen is het ook met den Schouwburg gegaan. Zie, zulk een vast tooneel, dat voldeed op den duur niet langer; altijd op zoo’n troon te kijken, ook al kwam er in ’t stuk geen troon te pas, en dat nog wel sedert dat men in Italië beweegbare schermen was begonnen te maken en zulks te Parijs en elders was nagevolgd. ’t Is waar, men had zinkluiken, om geesten te doen opkomen, en eene wolk, met het opschrift: Jupiter omnibus idem, om goden en engelen te doen nederdalen; maar dan was ook het voornaamste gezegd. En dan was er, wanneer ’t vol liep, gebrek aan zitplaatsen, terwijl fatsoenlijke lieden er voor bedankten om in ’t ruim onder ’t gepeupel te staan. Om aan deze en andere bezwaren te gemoet te komen, vonden Regenten dan ook maar goed, geen halve maatregelen te nemen: zij smeten ’t gansche gebouw onder den voet en op 24 Maart 1663 lei Mietje Vos, het dochtertje van den dichter, den eersten steen van de nieuwe stichting. Niets bleef er bewaard van wat er geweest was, dan alleen de beelden van Melpomené en Thalia, die naast den troon plachten te staan en nu den voorgrond van het tooneel versieren. En willen wij ’t nieuwe gebouw, nu ’t voltooid is (’t heeft ƒ 36,663 gekost: ’t getal des Beestes tusschen twee drietjes, zeiden de vrome lui), niet weder eens gaan bekijken?—Tot uwen dienst; maar dan wachten wij, zoo ’t u hetzelfde is, liever nog eene goede honderd jaren: ik breng u dan in de zaal op een merkwaardiger tijdsgewricht en ik geef u meteen een kort overzicht van wat er intusschen met betrekking tot den Schouwburg is voorgevallen.

Wij verplaatsen ons alzoo naar het jaar 1772 en wel naar Maandag den 11den Mei van dat jaar. Wederom staan wij op de Keizersgracht voor den ingang, die zijne gedaante nagenoeg behouden heeft, doch Herakliet en Demokriet zijn van boven de poort verdwenen en de lantaarns tegen de zijmuren aangebracht. Ook het kantoortje, waar wij onze lootjes nemen, bevindt zich nog op de oude plaats. Het voorplein overgaande, bevinden wij ons, evenals voorheen, voor eene tweede poort, naar welker bovenlijst de beide zooeven genoemde borstbeelden in 1668 zijn verhuisd. En nu treden wij nogmaals het portaal binnen en geven links onze plaatsbewijzen aan ’t kantoor af. Helaas! geen verzen hier meer aan de muren; doch daarentegen, in stede van eene, drie deuren tegenover ons, die naar de zaal geleiden, en links eene deur en eene trap. Die trap opgaande, komen wij in de Regentenkamer boven ’t portaal, een fraai en ruim vertrek, nog onlangs, in 1765, rondom vergroot, met kasten voorzien en prachtig beschotwerk, en van boven koepelsgewijze bepleisterd. De schoorsteenmantel is geheel naar den nieuwerwetschen smaak opgebouwd en versierd; maar daarbij zijn ook alweer de twee regels van Vondel verdwenen, en evenzoo is ’t het geval met al het beeldwerk, dat vroeger aanwezig was.

Eer wij de Regentenkamer weer verlaten, een enkel woord over de veranderingen, die de wijze van bestuur heeft ondergaan. Behalve de Regenten der godshuizen, die niet altijd komediegangers waren en zeker niet allen verstand van tooneelzaken hadden, waren er oorspronkelijk ook letterkundigen (of die er voor doorgingen) als Jan Vos en dergelijken, door Burgemeesteren tot hoofden van den Schouwburg aangesteld. Doch juist deze lieden, van wier medewerking men zooveel goeds hoopte, gaven aan alle zijden stof tot beklag. Vondel moest op zijn ouden dag ondervinden, dat men zijne treurspelen door tooneelisten van den tweeden en derden rang en met versleten kleeren spelen liet, en de ernstige lieden riepen wraak over de goddelooze stukken, die men vertoonde. Dat de klachten niet ongegrond waren, bleek daaruit, dat in 1672 de Regeering den Schouwburg deed sluiten, die eerst in 1678 weer geopend werd. Maar ook toen ging het in de eerste jaren met het bestuur daarvan alles behalve vlot: ’t eerste jaar vertrouwde men het aan zes personen, van stadswege aangesteld; maar toen klaagden de Regenten der godshuizen, dat zij niets te zeggen hadden, waar ’t hunne eigen stichting gold, en men gaf hun deel aan ’t bestuur, ja men droeg hun in 1680 het geheele bewind over de ontvangsten en uitgaven op, waardoor nu op hunne beurt de andere hoofden ontevreden waren en hun afscheid namen. Maar ’t zij dat die van de godshuizen, nu zij alleen weer meester zijnde, begonnen in te zien, dat zij voor hunne taak min geschikt waren: of dat die hun te lastig viel, ’t zij, dat zij eene zekere boven eene onzekere rente verkozen, zij verhuurden in 1681 den Schouwburg voor ƒ 20,000 in ’t jaar. De huurders maakten er echter geene rekening bij; in 1687 verzochten zij vermindering van den huurprijs tot op ƒ 17,000 en in ’t volgende jaar finaal ontslag. Zoo namen de Regenten der beide godshuizen het bewind weer tot zich, doch kregen een paar bezoldigde assistenten of directeurs onder zich, om hun behulpzaam te zijn in het aannemen van stukken en in de huishoudelijke beschikkingen, en zoo is de toestand nog.

Dat er keuren betreffende den Schouwburg gemaakt zijn, behoef ik u niet te zeggen: niet alleen ten opzichte der levenmakers en rustverstoorders, die, als zij ’t te grof maken, achteraf gebracht worden; niet alleen ten opzichte van de acteurs en actrices, die, als zij hunne verbintenissen niet nakomen, met boete, onthouding van gage, en, als zij den eerbied te buiten gaan, aan ’t publiek verschuldigd, met een verblijf van soms 24 uren in de kortegaard gestraft kunnen worden; maar ook ten opzichte der poëten, aan wie het volstrekt verboden is, ten nadeele van den Schouwburg samen te spannen (!) Maar bedenk ook, welke voorrechten die heeren genieten. Wanneer Regenten iemand als Poëet erkennen, dan heeft hij voor een jaar en zes weken vrijen toegang tot den Schouwburg; en bovendien, als er een stuk van hem gegeven wordt, krijgt hij, wanneer ’t een voorspel in vijf bedrijven is, zes lootjes, en is ’t een nastuk of kluchtspel, drie. Voorts geschiedt hem nog de eer, dat zijn stuk buiten zijne kosten gedrukt, maar dan ook uitsluitend en onaantastbaar eigendom van den geprivilegiëerden schouwburgdrukker wordt. Men ziet, het is aanlokkelijk genoeg, poëet van den Schouwburg te zijn.

Maar dit tot daaraan toe: wij gaan de trap weder af, en de deur links binnentredende, nemen wij een kijkje in de woning des kasteleins. Hij, die thans met deze betrekking begunstigd is, waaraan, behalve vrije woning, vuur en licht en eenige percenten op ’t bespreken der plaatsen verknocht zijn, is niemand anders dan de beroemde acteur en plaatsnijder Jan Punt. Kijk! daar hangt zijn portret, in ’t karakter van Achilles, met Griekschen helm en gepoederde pruik, schild en witte das, rijk versierde tuniek, in den vorm van een hoepelrok en kanten lubben, sandalen en cabretten handschoenen—keurig uitgevoerd, niet waar? en daartegenover hangt zijn jong en aardig vrouwtje, Cornelia Fokke, die de première amoureuse speelt, in ’t karakter van Zaïre, met een tulband en eene stijve panier. Nog andere platen en vooral vignetten zien wij hier, door de bekwame graveernaald van Punt vervaardigd, en nog vrij wat meer zou hij u kunnen toonen, als hij zijne kunstboeken voor u ontsloot. Ook heeft hij bij de schilderloods, die achter het tooneel aan de noordzijde gebouwd is, eene rijke verzameling teekeningen en schilderijen. Doch de tijd van de vertooning begint te naderen en wij willen dan ook maar binnengaan. Van de drie deuren in ’t portaal brengt die aan ’t noorden naar de loges (zooals men tegenwoordig noemt wat men vroeger „kamertjes” of „huisjes” heette) en de middeldeur naar den bak. Zij, die op de gaanderij of op de staanplaats moeten wezen, gaan de deur ten zuiden in, doch als de voorstelling is afgeloopen, verlaten zij den Schouwburg langs eene trap, die naar een keldergang en zoo in een zijgang voert, welke laatste op de Prinsegracht uitloopt, wat het gedrang en tevens de vrees voor zakkenrollers, heel wat vermindert. Dat alles is in ’t vorige jaar zoo geschikt, nadat de zaal vrij wat vertimmering had ondergaan.

Wat ons betreft, wij zullen de deur ingaan, die naar den bak geleidt: wij hebben daar het beste overzicht van ’t geheel.

Zooals gij ziet, er zijn twee rijen, en achter de bovenste eene gaanderij, waarvan de zitbanken tot aan de zoldering oploopen. In plaats van het „ruim,” waar men vroeger staan moest, hebben wij nu den „bak,” met een aantal ruime zitplaatsen, en de staanplaats is naar achteren gebracht, tegenover het tooneel en diep onder de loges, zoodat, al maakt men er wat rumoer, het geluid gedempt wordt en voor de rest van ’t publiek niet hinderlijk is. Heden avond zal ’t ons echter in geen geval storen; ’t is eene voorstelling met verhoogde prijzen en de staanplaats wordt niet gebruikt. Het orkest, dat vroeger ter zijde van het tooneel was, is nu daarvoor gebracht, en, terwijl het tot voor een paar jaren slechts het middelste gedeelte daarvan besloeg, beslaat het thans de geheele breedte. En let eens op die fraaie beelden van Melpomené en Thalia tusschen de Korintische kolommen van ’t portiek, van achteren met pilasters gedekt, en op de goede uitwerking, die de als wit marmer geschilderde ornamenten doen tegen den roodgevlekten grond. Gij ziet, dat het gordijn nog de vereeniging van de Academie met de Oude Kamer herinnert, als vertoonende den Bijenkorf, omvlochten met den bloeienden egelantier, daarboven het woord yver, daaronder de regels van Vondel:

De Byen storten hier het eêlste datze lezen,

Om d’ ouden stok te voên en d’ ouderlooze weezen.

En mij dunkt, op de verlichting valt ook niet aan te merken: vijf kroonen, die van den boog hangen, ieder met twaalf kaarsen: twaalf luchters, ieder met drie kaarsen, langs de bovenste loges, en even zoovele lantarens langs de zijmuren van den bak, om nog niet eens van het voetlicht te spreken: ik verzeker u, dat kaarsesnuiter en lampeknecht hunne handen vol hebben.

Maar zie! er begint al vrijwat volks te komen, en uitgelezen gezelschap daarbij. In de loges, in den bak, tot zelfs op de 12stuiversplaats de elegantste damestoiletten: altemaal nieuwe voorjaarsmodes en juweelen bij de vleet. Geen wonder: het Vlaamsche Operagezelschap van Neyts, dat met verlof van Regenten gedurende den zomer zijne gaven hier ten toon zal spreiden, geeft heden avond zijne tweede voorstelling, en zoo het groote ergernis geeft aan de gestrenge voorstanders van het nationaal tooneel, het lokt den beau monde hierheen.

’t Mag nog al toevallig heeten, dat wij hier weder onder de toeschouwers lieden van denzelfden naam en hetzelfde geslacht aantreffen als die wij bij de voorstelling van „de Gebroeders” opmerkten. Die jongeling met zijn bruinen rok, in gindsche loge, is Joan De Wolff, en heeft, evenals zijn voorzaat, een Joost tot zwager, wel geen Joost Van Vondel, maar een Joost Van Eik, van de Heerengracht over de Driekoningenstraat, die met zijne vrouw en drie kinderen nevens hem zit. Die dikke man vlak boven hen op de gaanderij is Bram De Haes, kantoorbediende bij Colonius en achterkleinzoon van den dokter in de Wijk. Vlak bij u in een bak zit Koo Van Lennep, ook al een afstammeling van die Sara, die gij in 1639 zaagt, en, nevens hem, Cornelia Bierens, zijne echtgenoote, met hun’ zoon en dochter. Om u nog eenigen der aanwezigen te noemen: die heer, die daar een bank verder zit, is Govert Lubs, die rijk uitgedoste dames zijne vrouw en dochter en die jongeling zijn zoon: die vrouw met dat prachtige garnituur is Mevrouw Teixeira De Mattos, eene vermogende Portugeesche jodin, en om hare weldadigheid bekend: die heer met zijn gouden knop aan zijnen rotting is de rijke Waalsche koopman Louis André, van over de Gouden Ketting; die vrouw in het parelgrijs, de weduwe Van Oostveen, van de Leliegracht, met hare zoons; die.... doch genoeg!.... de orkestmeester heeft zijne plaats ingenomen en het voorstuk, „de kwalijk bewaarde dochter,” gaat beginnen.

De opera-buffa is afgespeeld. Het spijt mij, dat u hedenavond de middelmatige zang en het Vlaamsch accent dier operisten niet bevalt; zeker hadt gij er meer belang in gesteld, Jan Punt te hooren en den zeventigjarigen, maar nog altijd voortreffelijken Isaak Duim, en de uitmuntende tragédienne Cornelia Bouhon, of een blijspel te zien, waarin Nicolaes Evers in de karakterrollen, Pieter Zuyderhout als Frontin en Maria De Bruyn als soubrette uitmunt; maar dat kan nu niet, en ik heb bovendien mijne reden, waarom ik juist den avond van heden heb uitgekozen, om u hier te brengen.

Ziezoo! de twee eerste bedrijven van Sedaines bevallige opera „de Deserteur” zijn afgespeeld. Ik hoop, dat gij op de fraaie decoratiën gelet hebt, waar onze verdienstelijkste schilders aan gearbeid hebben. Wij hebben nu in het derde bedrijf weer, om te beginnen, de gevangenis, en dewijl het tooneel donker moet zijn, heeft men de schuiven voor de smeerkokers tusschen de schermen laten vallen. Ik hoor reeds menschen klagen, dat die Vlaamsche troep, uit zuinigheid, een slechter smeersoort gebruikt dan de gewone, en zeker riekt het alles behalve liefelijk; er is een walm, die iemand tegen de borst slaat, en Mevrouw Teixeira heeft al driemalen in de vijf minuten haar kostbaar gouden, met robijnen omzet lodderein-doosje aan den neus gebracht. Wij willen hopen, dat het ongerief zal ophouden, als, bij ’t vijfde tooneel, de gevangenis in een landschap verandert, en ’t weer licht moet worden. Maar zie! merkt gij dat vlammetje wel, dat daar aan de noordzijde van ’t portret schuins boven ’t beeld van Thalia flikkert? Ha! er zijn er meer, die ’t merken. Daar stijgen de lieden rechts en links en overal met bleeke aangezichten van hunne plaatsen op: daar hoort men hier en daar een kreet van angst; maar zacht! Most, die voor Montauciel speelt, poogt ons gerust te stellen. Een van de Regenten heeft een suppoost geroepen, en na ontvangen inlichting verklaart de man ons uit zijne loge, dat er geen stof tot bezorgdheid is; en daar komt de Directeur van de stads-gebouwen, Rauws, ons dezelfde verzekering geven. Een van de vaste tooneelknechts heeft een bak vol water gehaald, om dien in de smeerkamer over de vlam te gieten; maar o wee! het ophalen van de schuif heeft lucht in den koker gebracht en daar slaat de vlam bruisend tegen de zoldering aan! daar heeft zij reeds het eerste scherm bereikt! Haal neder dat scherm, eer het het volgende aansteke! „Brand! brand!” klinkt het uit honderden van monden: geen enkele kreten meer, een algemeen noodgegil doet zich hooren en ieder is op ’t middel bedacht om zich langs den kortsten weg door de vlucht te redden. De acteurs hebben ’t eerst het hazenpad gekozen, de muzikanten springen uit het orkest op het tooneel, om langs den uitgang op de Prinsegracht weg te komen, de toeschouwers uit de loges snellen naar de trap. Op het tooneel woedt de vlam voort. De friezen en zijschermen branden lichterlaie: daar heeft het vuur de koorden, waar de lichtkronen aan hangen, aangetast en zij storten, de eene voor de andere na, brandende naar beneden: daar valt ook het gordijn: wij zien eene wijl niets anders dan de flikkering daarachter; maar de verblindende damp dringt tot ons door: hoor dien slag! ’t is een der evenwichten, dat naar beneden stort. En nog een!—nog een!—friezen, schermen, wolkgevaarten, al wat het vuur bereikt, ploft met donderend geweld op en door elkander op den vloer.

En toch, op ’t gevaar af van verplet te worden, zijn er wakkere mannen, die zich wagen in dien gloed. De Directeur Rauws, de grijze tooneelmeester Brinkman, de machinist Teffers en twee der vaste timmerlieden blijven op het tooneel het woedend element trotseeren en pogen te redden wat te redden is. Doch weldra zien de beide laatsten het vruchtelooze in hunner pogingen; zij vluchten en ’t gelukt hun door een open raam in den zijgang te springen, en de Prinsegracht te bereiken. Maar vergeefs hadden zij, eer zij zich op weg begaven, de drie anderen zoeken over te halen, van hun ijdel waagstuk af te zien: het heldhaftige drietal blijft zich in dien laaien vuurgloed, in die wolken van stikdamp, tot in het uiterste kwijten: eerst over zeven dagen zal men hunne schier onkenbare overblijfselen van onder ’t smeulend puin kunnen opdelven.

Maar om ons heen, in de zaal zelve! De snelle voortgang van den brand, de drift om het gevaar te ontvlieden, de angstige bezorgdheid, door echtgenooten, ouders, kinderen, vrienden en verwanten voor elkander gevoed, alles loopt te zamen, om eene verwarring te weeg te brengen, die den nood nog vermeerdert. Wijd genoeg is de deur, zoo die uit den bak als die uit de loges naar buiten geleid; maar de samenpersing van dien hoop menschen, die gelijktijdig een uitweg zoeken, belemmert den doortocht: ieder wil de eerste zijn en de eene houdt den ander tegen; menigeen raakt in ’t gedrang onder den voet: anderen vallen duizelend neder, half gestikt door den ingeademden damp. Sommigen zoeken zich een uitweg over de staanplaats; doch daar, aan den buitensten uitgang gekomen, vinden zij dien gesloten en zij moeten op hunne schreden terugkeeren naar die hel van smook, die zij verlaten hebben, en, nu de achterste zijnde, achten zij hunne kans op lijfsbehoud nog verminderd door de gedane poging, om die te verbeteren.

Maar nog erger is het op de bovenste gaanderij gesteld. De deur aldaar, door welke de toeschouwers gekomen zijn, is gesloten; de deur naar de Prinsegrachtzijde, langs welke zij ’t gebouw verlaten moeten, is nog niet geopend. Radeloos hollen zij heen en weder en vergeefs pogen zij de deur op te loopen. Daar trachten sommigen zich in de loges neder te laten; daar waagt de zwaarlijvige De Haes een sprong naar beneden: hij valt op de vloertegels in den bak en, helaas! om nimmer weder op te staan.

Ha! eindelijk hebben zij de deur opengerammeid. Als onzinnigen stormen zij naar beneden, en meer dan een raakt in ’t nederdalen van de been, en komt dan gekneusd en hinkend op ’t portaal.

Het aan stukken slaan van het raam aan de noordzijde van ’t portaal, waardoor men naar buiten klautert, en het verminderen hierdoor van het gedrang heeft ten gevolge, dat de buitendeuren weder open geraken; dit verschaft eindelijk den uittocht aan de menigte, in het portaal te zamen gepakt. Maar, zoo verreweg de meesten, zoodra zij het voorplein bereikt hebben, zich haasten dat oord van schrik te verlaten en hunne bezorgde huisgenooten gerust te gaan stellen, talrijk is nog het getal van hen, die hier vertoeven en dooreen dwalen, om de naaste panden te zoeken, van welke zij gescheiden zijn. Hoe ontzettend is de vertwijfeling van hen, die vruchteloos om hunne geliefden roepen, hoe blijde de vreugdekreet van hen, die ze behouden wedervinden!

„Waar is uwe moeder?” vraagt Van Lennep aan zijne kinderen, die hem in de armen snellen.—„Was zij niet bij u, vader?” klinkt de wedervraag, die hem door ’t hart snijdt.—„Mijn God! uwe moeder!” roept hij: „eene halve ton voor wie mijne vrouw redt!” schreeuwt hij luide. „Gij, redt u van hier, ik moet haar wedervinden!” en onder ’t geroep van „Keetje! Keetje!” snelt hij terug naar de plaats des onheils. Hij dringt binnen, hij klieft de walmende rookwolken door, hij stort zich in den bak, ja.... daar bij den ingang vindt hij haar, die hij miste, maar spraak- en roerloos nedergezegen. Hij poogt haar op te heffen: de leden zijn reeds verstijfd, en terwijl hij in radeloozen angst haar omhelst, bedwelmt ook hem de stikdamp: morgen zal men beider samengeklemde lijken terugvinden.

„Waar is Piet?” krijt angstig Mevrouw Van Eik. Zij zelve heeft een harer kinderen, haar man het andere met zich gered; zij vinden elkander, zij vindt haren broeder op de straat terug, doch waar is haar zevenjarige Pieter? Van Eik, even bezorgd als zij, wil zich weder naar den brandenden Schouwburg begeven, doch zijn zwager De Wolff houdt hem terug. „Gij moet voor vrouw en kinderen gespaard blijven,” zegt de edelmoedige jongeling; „maar ik ben een vrijgezel, aan wien niets gelegen is. Ik zal gaan en zonder hem niet keeren!” En met deze woorden van Arend Van Aemstel verlaat hij hen: doch beter dan Arend Van Aemstel, die terugkeerde, maar zonder Gijsbrecht, houdt hij zijn woord: hij keert niet, en eerst aanstaanden Zondag zal men zijn lijk en dat van het kind van onder de ingestorte balken halen.

De wijngaard aen de straet, geleyt van maegdenhand

Tot daer ’t gehemelt deckt de nonneledikant,

Hingh swanger, in een nacht, van rijpe muskadellen.

„Sesamé, open u!”

1. J. de Neufville Van Lennep. Allen Dinsdag voormiddag.

Illustration from Vertellingen van vroeger en later tijd

2. Cornelia Bierens, zijne vrouw.

3. Louis André.

4. Mw. Lubs, geb. Feitama.

5. Hare dochter.

6. De jonge François Van Oostveen.

7. De dochter van den waagdrager Wijland.

8. Abraham de Haes.

9. De kleêrmaker van den troep Van Neyts. Donderdag.

10. De tooneelmeester Brinkman. Vrijdag nam.

11. Mw. Teixeira de Mattos. Zat. morgen.

12. De machinist Teffers. Zondag morgen.

Illustration from Vertellingen van vroeger en later tijd

13. P. van Eik.

14. De knecht van Verhamme. Zondag morgen.

Illustration from Vertellingen van vroeger en later tijd

15. De Directeur Rauws.

16. Js. de Wolff.

17. Johannes Roos.

18. Gerrit Kuik, een pijpgast.

Notes in this chapter

Note 1 · Ik spreek hier natuurlijk niet van de kleeding der dames: dezen kleeden zich thans wel geheel anders dan hare overgrootmoeders; maar—maar alNote 2 · Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.Note 3 · Het wapen, dat Wagenaar in zijne Beschr. v. Amst. opgeeft als dat van Willem Eggert, is het zijne niet, maar dat van een lid van zijn geslacNote 4 · Ik heb van deze dochter een der heldinnen gemaakt van mijne Legende getiteld: „Jacoba en Bertha”.Note 5 · Ik geef hier het grafschrift, zooals er behoorde te staan, zooals er nog tot even na 1700 stond, en zooals het bij Fokkens en Le Long is oveNote 6 · De Burgemeesteren Klaas Meeuwiszoon en Jacob Gerrit Teeuwiszoon.Note 7 · „Wandeling in het midden der zeventiende eeuw, door Joannes Aurelius.” Amst. Gebr. Kraay, 1859.Note 8 · Ik voor mij heb althans, ’t zij in 1831 België, ’t zij later de Krim of Italië het tooneel des oorlogs was, de krijgsoperatiën nergens beterNote 9 · Vermakelijker zeker dan hetgeen Vondel hier zegt, en wel den geest kenmerkende van den tijd, waarin zij geschreven werden, zijn de uitdrukkiNote 10 · Zie deze meer omstandig vermeld in mijn Iets over D. P. Pers en zijne werken, geplaatst in het tijdschrift Nederland. Jaargang 1853, bl. 249Note 11 · Vondel spreekt van dien wijngaard aldus:Note 12 · D. i.: „huwelijksmaker” en niet heiligmaker zooals velen zeggen—eene zeer bekende koeksoort.Note 13 · „Kameraadjes, vriendinnetjes,” van cara: „dierbare, lieve.”Note 14 · Betuttelen is: „critisch nazien,” ’t Fransche: mettre les points sur les i.Note 15 · Baeren is hier „bruisen.”Note 16 · „Blijf ik.”Note 17 · Noch is: „neen.”Note 18 · Versteen ick: „word ik onbeweeglijk en ga niet.”Note 19 · De kortste gelegenheid om van Den Haag naar Amsterdam te komen, was toen over ’t Haarlemmermeer.Note 20 · Versta: „laat hen klappertanden, terwijl zij onder den schoorsteen kruipen om zich te warmen.”Note 21 · Is hier een woordspeling te zoeken, zooals de kapitale letter schijnt aan te duiden, dan had wellicht de bruiloft in den Doel of Doelen plaaNote 22 · „Amsterdam, rijk aan ponden” (geld).Note 23 · De ooren van den Winter namelijk. Zie vers 1.Note 24 · Hij wil zeggen: „indien het te slecht weer is, dan zal ik over ’t Sparen (d. i. over Haarlem), en zoo verder van daar naar Amsterdam met rijNote 25 · Adelaer is Allart Crombalgh zelf, die, als ik boven zeide, door den zang van Tesselschade uit het „kerkgewelf” tot haar gelokt was.Note 26 · Glaukus is hier de Zuiderzee, waar de Vechtstroom zich bij Muiden in uitstort, wat in deze regels dichterlijk wordt voorgesteld.Note 27 · Lees: „sta niet naar uw leven (begeef u niet roekeloos in gevaar), vermits ik bevreesd ben dat gij mocht omkomen.”Note 28 · Dat is: „zonder huif of kaper op ’t hoofd.” De huif was bepaald de dracht der getrouwde vrouwen.Note 29 · Anna en Tesselschade:—diertje wordt hier voor „meisje” gezegd, evenals dikwijls bij Cats.Note 30 · Het eerste onlangs staat hier in den zin van: „niet lang geleden,” het ander in dien van „sedert kort.”Note 31 · De toortsen van Cupido.Note 32 · Men herinnere zich, dat Machteld met laurieren gekapt was.Note 33 · Naam, dien hij aan de gelaurierde schoone geeft.Note 34 · Men store zich niet aan de wijze, waarop Hooft die namen geheel verschillend spelt dan zij elders luiden. Men gaf in die dagen volstrekt nieNote 35 · Bij letterkeer voor Kampen. Hooft wil, evenals Huyghens gedaan had, den naam verbloemen.Note 36 · Vastert of vasthart is eene overzetting van den naam Constantijn.Note 37 · „Cupido, de Minnegod.”Note 38 · „Om menschen in zwijnen te veranderen,” als Circe deed.Note 39 · „Aangewaaid.”Note 40 · Darren is „durven,” ’t Eng. To dare.Note 41 · „Wilt gij, dat ik tot haar spreke als Alard tot mij deed?”—Het slaat op ’t verzoek, door Huyghens gedaan. Zie blz. 90, reg. 33 en volgg.Note 42 · „Hij voelt geen echte liefde, die er zoo luide over spreken kan.”Note 43 · „Daar liefdebrand in woont.”Note 44 · Zoo althans schijnt Brandt (Leven van De Ruyter, bl. 77) er over te denken, waar hij zegt, dat door dit Grootburgerschap De Ruyter in staat Note 45 · Zie dit breeder ontwikkeld in mijn verhaal, getiteld: de Twee Admiralen.Note 46 · Leven van de Ruyter, blz. 741.Note 47 · Men weet, dat De Ruyter kort voor zijn overlijden door den Koning van Spanje met den titel van Hertog was vereerd geworden, doch dat Engel, Note 48 · De aanhaling der zoo beroemde formule uit de bekende vertelling der „Veertig roovers, door eene slavin verdelgd,” brengt mij onwillekeurig dNote 49 · Woolwich.Note 50 · Hier Uilenburg, in ’t vorige vers, reg. 3, Uylenburgh, en toch zijn de twee gedichten terzelfder gelegenheid gemaakt. Waarschijnlijk kwamen Note 51 · In zijn Amsterdam, VI Deel, III Boek.Note 52 · Thebe.Note 53 · Tesselschade:—hare vertaling is nimmer in druk verschenen en het handschrift zoekgeraakt.Note 54 · Nagelbloem, giroflé.Note 55 · Nagelpoêr staat voor nagelpoeder, „fijngestampte kruidnagel.”Note 56 · Maria van Medicis.Note 57 · Gaston van Frankrijk, broeder van Hendrik IV.Note 58 · Kosmo stamde van moeders zijde van de Duitsche keizers af.Note 59 · De tocht naar Chattam, onder ’t beleid (zoo ’t heette) van Cornelis De Witt, Ruwaard van Putten, had kort te voren plaats gehad.Note 60 · „Die veler lieden zeden zag en steden.”Note 61 · En niet ten vier ure, zooals door een abuis bij ’t overschrijven, drukken of corrigeeren verkeerdelijk op blz. 645 van ’t IIIe deel mijner uNote 62 · Zie In Roemers Visscher, blz. 72 dezer Uitgaven.Note 63 · Tot recht verstand van dezen regel herinnere men zich, dat, in die dagen, de tooneelspelers nog geen vaste jaarwedde genoten, maar hun deel Note 64 · ’t Was eerst in 1655, dat Smient van Burgemeesteren verlof kreeg tot het uitgeven der Fransche Amsterdamsche Courant; wat hij echter reeds eNote 65 · Zie Vondels Leven en Werken, II. 224.Note 66 · Aldaar, II. 223.Note 67 · Aldaar, II. 223.Note 68 · Gij schrijft voor de eeuwigheid.Note 69 · Zie mijne vertelling, Cornelia Vossius, geplaatst in de Romant. Werken, Dl. XIV.Note 70 · Izaak, de eenige van zijn kinderen, die hem overleefde, was bij den dood zijns vaders uitlandig.Note 71 · Zie Wagenaar, Amst., IV. 416.Note 72 · Zie Wagenaar, Amst. (op ’t jaar 1628).Note 73 · Bij de rolverdeeling, van Vondels hand geschreven, en voorkomende in een exemplaar van „de Gebroeders,” dat in mijn bezit is, komen alléén mNote 74 · Bij den kastelein Punt werd al ’t zilver weggeroofd, en de waarde der juweelen, enz., op dien avond gestolen of vermist, werd op bijna een mNote 75 · Als een tegenhanger dier voorbeelden van zelfopoffering diene het voorbeeld van zelfzucht, mij indertijd verhaald door wijlen mijn ouden leeNote 76 · Het gedeelte van het gebouw naar de zijde der Keizersgracht bleef staan: de kamers van den kastelein leden maar weinig, die van de Regenten Note 77 · De vlam was zoo sterk, dat die door geheel Holland, zelf op Texel, gezien werd.Note 78 · Het getal der slachtoffers van den brand bedroeg niet meer dan achttien, zijnde gevonden lijken van:Note 79 · Dat die Vlaamsche Operisten alles behalve liefderijk werden behandeld in de pamfletten, na het ongeval uitgekomen, en hun de schuld daarvan Note 80 · mores hominum qui vidit et urbes60Note 81 · Ten vier uren presijs61.Note 82 · Gij ziet alzoo, dat de familie zich over hare leden niet te schamen had, en gij ziet tevens, dat, toen ik u bij eene vorige gelegenheid62 veNote 83 · Elck speelt sijn rol en krijgt sijn deel,63Note 84 · Van het tooneel is nog niets te zien, behalve de voorgrond, waar de muren aan weerskanten als gevangenis geschilderd zijn. De achtergrond isNote 85 · levend, helder, welgedaen,65Note 86 · Die schrander, snel en even jeughdigh siet,66Note 87 · Katrijn, die met Diaen ten reie ging,67Note 88 · zij schijnt begrepen te hebben, dat er een tijd voor alles is; althans op 18 November j.l. heeft zij zich onder ’t juk begeven, en wel met dNote 89 · Wilt gij nog meer bekenden van onzen puikdichter zien, zoo wend uwe oogen eens eene verdieping hooger naar het echtpaar, dat in ’t vierde kaNote 90 · Nu hebben wij ’t derde bedrijf. Daar komen Rispa en Michal, Sauls weduwe en dochter, in zwart en wit rouwfloers uitgedost. Voor Rispa had DeNote 91 · Maar ook zij, wien ’t gelukt is, van verschillende zijden dat portaal te bereiken, zijn daarom hun leven nog niet zeker. Zoo heftig is het sNote 92 · Waarom ben ik niet in staat, bij de namen van die beide slachtoffers ook den naam te vermelden van dien knecht des Heeren Verhamme, die, totNote 93 · Evenals ik u, waarde lezer, den Schouwburg heb binnengeleid, om u getuige te doen wezen van akelige en hartverscheurende tafereelen,78 had iNote 94 · Zie mijne uitgave Deel II, bladz. 192.Note 95 · De vertaler had gewis het Fransche woord Sésame voor een onvertaalbaar tooverwoord of voor een eigen naam aangezien en daarom de moeite nietNote 96 · Terwijl vertrapt en aan ontvangen kwetsing in zijn huis is overleden:Note 97 · en van het dak des Schepens Huydecoper gevallen is:
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings