← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

Note 64 — In en over Amsterdam. (continued 5)

Reading edition

Van het tooneel is nog niets te zien, behalve de voorgrond, waar de muren aan weerskanten als gevangenis geschilderd zijn. De achtergrond is afgesloten door het groote gordijn, waarvan de banen met de stadskleuren afwisselen, zwart, wit en rood, en dat daar van dien ijzeren dwarsstang afhangt. Moet het tooneel eene gevangenis voorstellen, dan blijft het gordijn hangen; anders gaat het open en men ziet.... wat gij zien zult. Maar van boven kunt gij over ’t gordijn heenzien, en bemerkt alzoo, dat de zoldering, die zich in ’t midden tot een hoog gewelf verheft, over zaal en tooneel doorloopt. Pas op! daar beginnen al langzamerhand toekijkers op te dagen. Zie, die man daar op de gaanderij, met zijn donker uitzicht, zijn platten neus en smallen, doorloopenden knevel, dien gij voor een Oosterling zoudt aanzien, en die toch een geboren Amsterdammer is, ja geen andere taal spreekt dan zijne eigene, is Jan Vos, de schilder-glazenmaker, wiens verzen gij zooeven gelezen hebt, en die jonkman met dat levendige oog, die met hem spreekt, is de boekverkooper Otto Barentsz Smient. Hij heeft, twee jaar geleden, eene der uitgaven van Vondels „Gijsbreghd” bezorgd; maar het is niet als uitgever van boeken, dat hij zijn naam zal vereeuwigen; neen, hij herkauwt een plan, waar hij nu nog om wordt uitgelachen, maar dat hij eenmaal, zij het ook na jaren, zal verwezenlijken:64 hij wil namelijk eene „loopmare” of courant uitgeven, die niet, gelijk nu, bij bijzondere gelegenheden alleen, maar eens, ja meermalen in de week, de nieuwstijdingen, zoo uit het vaderland als van elders in de wereld, mededeelt. Gij schudt het hoofd, gij acht het onmogelijk, dat een dergelijk ontwerp ooit tot stand kome: gij vreest, dat de schrijver van eene zoodanige courant zich dikwijls verlegen zal vinden, om geschikte stof; maar Smient is vol moed en voorspelt zelfs, dat er eenmaal een tijd zal komen, waarin de courantiers het formaat hunner bladen vergrooten zullen, wanneer die bladen niet meer eens of tweemalen ’s weeks, maar dagelijks in ’t licht zullen komen: wanneer hun getal bestendig zal toenemen, zonder dat de concurrentie hinder doet aan ’t debiet: wanneer zij eene macht in de wereld zullen worden, opwegende tegen die van Vorsten en Parlementen en legers, en wanneer men de beschaving van een land zal afmeten naar het getal zijner couranten, en dan zal het voor ons land geene geringe eer zijn, het eerste gewest te zijn, dat geregelde, goed geschrevene en met juiste berichten voorziene couranten geleverd heeft.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings