← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

De slechte Maaltijd.

Reading edition

Een ware gebeurtenis.

Niemand is er, of hij kent de fabel van den Vos en den Ooievaar en de grappige wijze, waarop de langgebekte vogel den listigen Reijnaert het slechte onthaal betaald zette, dat hij bij dezen genoten had. Nimmer misschien werd deze fabel op een meer krachtige wijze verwezenlijkt, dan bij gelegenheid van het voorval, mij onlangs door een geachten vriend verhaald. Zijne waarheidsliefde staat mij borg voor de echtheid van het verhaalde ’t welk ik, tot in de kleinste bijzonderheden uit zijnen mond heb opgeschreven en merkwaardig genoeg acht om mede te deelen.

Het was, zeide mijn vriend, in den nazomer van 1815, dat ik mij te Aken bevond, om aldaar, door het gebruik der baden, van een zware rheumatische ongesteldheid, welke mij het gebruik mijner beenen schier geheel ontnomen had, te herstellen. De beroemde Keizersstad was te dien tijde opgepropt van Pruisische, Russische en andere officieren der Gealliëerden, die er deels in garnizoen lagen, deels de vermoeienissen van den grooten krijgstocht tegen Napoleon in blijde ledigheid kwamen vergeten. Gelijk doorgaans geschiedt hokten de krijgslieden van denzelfden landaard en van hetzelfde korps bij elkander, en vandaar was elk hotel tot een soort van hoofdkwartier herschapen, waarin men de zeeghafte vertegenwoordigers van dezelfde natie dagelijks bij elkander aan de table d’ hôte ontmoeten kon. Zoo verzamelden zich tegen het middaguur de Pruisische officieren bij uitsluiting in het hotel van Mad. D., waar ik mijn intrek genomen had, en dag aan dag, wanneer de etensbel luidde, hoorde ik hunne sabels tegen de trappen kletteren en zag ik hen een voor een, slank van leest, maar stijf als harken, met hunne prachtige uniformen, en hoog opgekrulde snorrebaarden, de groote zaal binnentreden en zich aan den langen disch scharen, waar zij als meesters regeerden. Ik zeg: als meesters; maar ik had moeten zeggen als dwingelanden; immers, onverdraaglijk was het despotismus, ’t welk zij aan de vroeger zoo gezellige en zooveel verscheidenheid aanbiedende tafel van Mad. D. uitoefenden. ’t Zij dat de roem, in de vlakte van Waterloo en in zoo menig anderen veldslag behaald en de daarop gevolgde zegevierende tocht naar Parijs hun krijgsmanstrots ten top had gevoerd, ’t zij, dat hunne militaire opvoeding en het gemis van vroegtijdig gemeenzamen omgang met menschen van andere natiën en standen (een onvermijdelijk gevolg van lange jaren van oorlog), min gunstig op hen gewerkt had, zij waren zoo geheel met hun krijgsmansstand en verworven glorie ingenomen, dat zij niemand dan die als zij, den militairen rok droeg, aan den disch, welken zij met hunne tegenwoordigheid vereerden, wilden dulden. ’t Is waar, zij gingen niet zooverre, dat zij hem, die in burgerkleeding aan de publieke tafel verscheen, met geweld verdreven, maar de wijze van uitsluiting was wellicht nog hatelijker. De arme dischgenoot, die het voorrecht niet bezat van een uniform te dragen, mocht zich vrij aan de etenstafel plaatsen, hij kon verzekerd zijn, even hongerig en dorstig weder op te staan, als hij bij zijne komst was geweest: de bedienden toch hadden in last, op straffe der hooge ongenade van de heeren Pruisen, hem niet éénen schotel aan te bieden, hem, zoo hij zelf iets op zijn bord nam, dat bord terstond te ontnemen, en op zijn vragen naar een flesch wijn geen acht te slaan. Toonde deze of gene min geduldige gast zich over deze behandeling ontevreden, of begon hij te reclameeren, niemand stoorde zich er aan: en beklaagde hij zich op eenigszins luidruchtige wijze, terstond waren er tien, twaalf zijner krijgshaftige buren gereed, twist met hem te zoeken, en hem door hunne gebaren te toonen, dat hij slechts de keuze had tusschen een spoedigen aftocht of een tweegevecht met het halve korps. Het spreekt van zelf, dat weldra niemand, die niet tot de geprivilegieerde kaste behoorde, zich meer aan de tafel van Mad. D. vertoonde, en dat de tegenwoordigheid van dames althans geheel buiten kwestie was. Zelfs zoodanige vreemdelingen en badgasten als in het hotel logeerden, wilden zich of de hunnen aan geene beleedigingen wagen, en gingen buiten af hun middagmaal zoeken. Vergeefs waren de vertoogen van Mad. D. bij de Pruisische officieren, wier systema van uitsluiting haar niet slechts van de voormalige habitué’s, maar van lieverlede van alle vreemde gasten beroofd en daardoor een aanzienlijke winstderving veroorzaakt had. De heeren bleven hardnekkig hun beginsel volhouden.

Ik was de eenige, wien hun banvloek niet getroffen had. De omstandigheden, dat ik reeds voor hun komst de tafel bezocht, en hen daar als ’t ware ontvangen had, maar vooral mijn hulpelooze toestand, had hun ten mijnen behoeve eene gunstige uitzondering doen maken. Ook was ik in den aanvang, en eer nog de maatregel zoo scherp werkte, met enkelen hunner in kennis geraakt en men beschouwde mij, om zoo te zeggen, als boven de wet. Intusschen, deze zelfde gunst mij betoond, moest een menschenleven kosten.

Onder andere verdienstelijke vreemdelingen, die zich op dat tijdstip te Aken bevonden, had ik kennis gemaakt met zekeren Klein, Adjudant van den Generaal Wittgenstein, en Officier bij de Keizerlijk-Russische Garde. Ofschoon in den regel niet dan leden van adellijke familiën bij dat wapen werden aangenomen, en Klein eenvoudig de zoon was van een koopman uit Riga, was er ten zijnen opzichte voor ’t eerst, zoo ik meen, eene vereerende uitzondering gemaakt, en zoude hij zich met recht hebben mogen verhoovaardigen op eene onderscheiding, welke hij niet aan geboorte of voorspraak, maar aan zijne zeldzame verdiensten te danken had. Intusschen, de voorspoed had hem niet ijdel of trotsch gemaakt: ja zelfs, terwijl de meeste andere officieren er prijs op stelden, om in hunne uniformen te pronken, droeg hij het krijgsmansgewaad niet dan wanneer de dienst zulks voorschreef, en vertoonde hij zich liefst in een eenvoudigen, maar keurig netten zwarten rok, met pantalon, zijden vest en kousen van dezelfde kleur; en, daar zijne tengere gestalte, een zacht blauw oog, en een blankheid, welke eene jonge juffer zoude benijd hebben, hem alles behalve een krijgshaftig uitzicht gaven, zoude men hem allicht voor een jongen geestelijke hebben kunnen aanzien, had niet zijn uitgeplooide jabot, zijn lange witte das, met een schitterende juweelen speld op het hemdslinnen vastgemaakt, en de keurig gewerkte gouden kuit- en schoengespen hem eerder het voorkomen van een gezantschaps-secretaris of auditeur gegeven. Aan hoogst beschaafden toon en manieren paarde Klein een grondige kennis, welke zich niet slechts tot het vak, waarin de omstandigheden hem gebracht hadden, bepaalde, maar wezenlijk algemeen mocht genoemd worden. Zijne conversatie was altijd aangenaam en meestal leerzaam tevens, want hoe jong hij nog wezen mocht (hij telde toen even vijf en twintig jaren), hij had veel gezien en bijgewoond, en het tijdperk, dat hij beleefd had, was meer dan eenig ander vruchtbaar in rijke en groote gebeurtenissen, en wel geschikt om aan menigen jongeling grootere ondervinding mede te deelen, dan in gewone dagen zelfs grijsaards kunnen verwerven. Maar in alle tijden zoude Klein, met zijn vlug verstand, veel omvattende kunde en beminnelijke hoedanigheden, zich de achting en vriendschap verworven hebben van al, wie zijn omgang mocht genieten. Wat mij betrof, die toen nog eenige jaren jonger was dan hij, ik stelde er hoog belang in, zijne kennis aan te kweeken, en was niet weinig trotsch op de welwillendheid, welke hij mij bewees. Meermalen toch, wanneer ik, na het gebruiken van het bad, op mijne gewone plaats in ’t zonnetje gezeten was en de meer gelukkigen dan ik, als bonte vlinders voor mij heen en weer zag wandelen, gebeurde het, dat hij zich van de uitgelezenste en aanzienlijkste gezelschappen afscheidde, om zich naast mij neder te vlijen, en een uurtje met mij, armen verlamde, te keuvelen.

Eens had ons onderhoud zich zoo lang uitgestrekt, dat alleen de verschijning der draagstoel, welke mij naar mijn logement terug moest brengen, ons herinnerde, dat het tijd was te scheiden.—„Kom!” zeide hij met een minzamen lach, „ik heb u heden wat laat opgehouden, en ons onderwerp is nog lang niet uitgepraat. Wat dunkt u, indien wij het morgen aan tafel voortzetten?”

„Ik verlang niets liever,” was mijn antwoord: „maar daar ik te weinig mobiel ben om mij naar uw kwartier te verplaatsen, zult gij mij het genoegen dienen te doen, van mijn gast te wezen.”

„Met genoegen,” zeide hij; „waar eet gij?”

„Aan mijn hotel, bij Mad. D., klokke één uur.”

„Ik zal er zijn,” hernam hij, mij de hand tot afscheid gevende; „sans adieu, tot morgen.”

„Maar ééne zaak moet ik u verzoeken,” zeide ik, mij de gewoonte mijner dischgenooten herinnerende; „vergeet niet, in monteering te komen.”

„In monteering? en waarom dat?” vroeg Klein, met dezelfde woorden, welke Almaviva tegen Figaro bezigt.

„Omdat mijn Pruisische tafelvrienden ongaarne iemand toelaten, die als Pekin gekleed is, en gij u wellicht onaangenaamheden op den hals zoudt halen.”

„Bah!” riep Klein, met een gullen glimlach, doch waarin iets ongeloovigs gemengd was; „gij weet,” vervolgde hij, na een oogenblik zwijgens, „dat ik niet van dien onnoodigen opschik houd.”

„’t Is waar,” hernam ik: „maar zonder u eenige les te willen geven, ’t geen mij zeer slecht passen zou, wat hebt gij er aan, om.... om....”

„Om ruzie te zoeken, meent gij,” viel Klein in, ziende dat ik eene uitdrukking poogde te vinden, welke hem niet kwetsen mocht, „wees gerust, ik heb nog nooit ruzie gezocht, maar evenmin zie ik reden om van mijn vrijheid afstand te doen en van toilet te veranderen ter voldoening aan de grillige luim uwer dischgenooten. Nogmaals, tot morgen.”

Na dit afscheid kon er wel geen twijfel meer bij mij bestaan, dat Klein besloten had, zich aan de gedane waarschuwing niet te storen, het interdict, door de Pruisen tegen alle burgerkleeding uitgesproken, te trotseeren, en er de gevolgen van af te wachten. Evenmin twijfelde ik aan den moed van mijn Rigaschen vriend: ik was overtuigd dat hij zich niet straffeloos zoude laten beleedigen, en niet zonder bezorgdheid zag ik den uitslag van een hoogstwaarschijnlijk tweegevecht te gemoet; want hoe wakker, vlug en behendig Klein ook wezen mocht, hij scheen mij toch bij lang niet opgewassen tegen de ijzervreters, die zich aan de table d’ hôte vereenigden.

Den volgenden dag verbeidde ik dan ook zijne komst met die koortsachtige nieuwsgierigheid, welke zich van ons meester maakt zoo dikwerf een belangrijke doch hachelijke gebeurtenis op handen is. Somtijds wenschte ik wel, dat ik de uitnoodiging niet gedaan had, of dat het een of ander toeval mijn vriend verhinderen mocht daarvan gebruik te maken; maar spoedig maakte die opwelling weder plaats voor het verlangen, om te weten op welke wijze hij zich zoude gedragen in de moeilijke positie, welke hem te wachten stond.

Het etensuur naderde. Reeds had ik een geruimen tijd op mijne, door ancienniteit verworven, plaats aan het boveneinde der tafel gezeten: reeds begon zich de eene snorbaard na den anderen in de eetzaal te vertoonen, de pijpen werden al weggezet en de vluchtig in de hand genomen dagbladen op zijde geworpen: de eene stoel voor, de andere na, werd door zijn gewonen bezitter ingenomen; alleen die naast mij leunde nog voorover tegen de tafel, ten teeken dat zij besproken was, en ik begon reeds mij zelven af te vragen, of Klein ook bij nadere overdenking, beter geacht had niet te komen. Daar ging de etensbel! Ieder zette zich; de kelners rukten aan met de kokende soep—en ziet: onmiddellijk achter hen, trad mijn vriend de zaal in, zoo net alsof hij uit een doosje kwam, doch, gelijk ik trouwens verwachtte, in een kleeding, waaronder Lavater zelf geen krijgsman herkend zou hebben.

Daar, gelijk ik reeds zeide, mijne plaats aan het hooger einde der vrij lange tafel was, moest Klein die geheel langs loopen om naast mij te komen, en kon zijn verschijning des te minder onopgemerkt blijven. Ik merkte dan ook dadelijk op, hoe menige wenkbrauw zich fronste, hoe menige zijdelingsche wenk door de officieren onderling gewisseld en menige glimlach over de aanstaande pret, welke men zich voorstelde, ter nauwernood werd onderdrukt. Klein was intusschen den afstand, die de deur van mijn plaats scheidde, met een bedaarden tred ten einde geloopen, de aanwezigen nu en dan met een bescheiden en minzame hoofdbuiging groetende. Alleen trof het mij, dat de uitdrukking der helderblauwe oogen, welke hij in ’t voorbijgaan op hen richtte, hoe beleefd ook, toch iets onderzoekends had, als wilde hij zich vergewissen met welk slag van menschen hij zou aanzitten.

Recht tegenover mij was zekere ritmeester Voss gezeten, een krachtig gespierde forsche krijgsman, met een gelaat of het uit brons gegoten was, en knevels van eene buitengewone lengte en breedte: een man, die altijd en bij alle gelegenheden het hoogste woord voerde, die meer dan een zijner kameraden het stelsel van uitsluiting tegen alle Pekins had doorgedreven, wien de uniform aan ’t lijf gegroeid scheen, zoodat het mij niet verwonderd zou hebben, indien mij verhaald ware geweest, dat hij er in sliep;—in ’t kort, een sprekend tegenbeeld van mijn vriend Klein. Aan de table d’hôte oefende hij de volkomenste heerschappij uit; want geen zijner medeofficieren was er op gesteld met hem in twist te raken: de bedienden sidderden voor hem en vlogen op zijn wenken; het was dan ook die man, van wien ik verwachtte, dat het sein zoude gegeven worden om mijn armen vriend de stoutheid in te peperen, waaraan hij zich had schuldig gemaakt.

Ik bedroog mij niet. Nauwelijks had Klein mij de hand gedrukt en plaats genomen, of de ritmeester Voss zag den Oberkelner aan en wierp toen, schoon bijna onmerkbaar, een zijdelingschen blik op den nieuw aangekomen gast. Die wenk, hoe snel ook gegeven, was echter bemerkt en begrepen geworden, zoowel door hem, tot wien hij gericht was, als door hem, die er het slachtoffer van wezen moest. De soep werd gediend: ik bekwam het eerste bord: mijn buurman werd overgeslagen: ik bood hem mijne portie aan; doch nauwelijks had hij er zijn lepel in gedoopt, of, op een nieuwen wenk van Voss, nam hem een knecht het volle bord voor den neus weg. Gelijk met de soep, zoo ging het met het vleesch, met de groenten, met de pudding, in ’t kort, met alles; en slechts bij toeval, of wanneer deze of gene kelner wat onhandig was in ’t snel verruilen der borden, kon het Klein gelukken een mondvol van het een of ander behouden binnen te brengen. Gewis had Sancho op het eiland Barataria geen zoo slechten maaltijd gedaan als nu mijn vriend, die niet eens, als Sancho, den troost had, dat de genomen maatregel uit zorg voor zijn gezondheid plaats had.

In weerwil dier teleurstelling, of wel misschien, omdat hij voorzien had, wat er gebeuren zoude, en het slechte maal, dat hij genoot, dus niet als teleurstelling beschouwde, bleef Klein bedaard en zelfs even opgeruimd als altijd, onderhield zich met mij over de nieuwtjes van den dag, en gedroeg zich, zoolang de maaltijd duurde, als bemerkte hij niets van de tegen hem in ’t werk gestelde uithongeringsmaatregelen. Met nieuwsgierigheid sloegen zijn overburen hem gade; maar de schijnbare onverschilligheid, welke hij voorwendde, strekte slechts om hen des te feller te maken in den oorlog, welken zij aan zijn maag hadden verklaard. Ik had een flesch Rudesheimer besteld; maar na lang toeven kwam de kelner, aan wien zeker de ritmeester Voss zijn les had voorgezegd, mij in ’t oor fluisteren, dat de dokter mij den wijn verboden had (’t geen ook waar was), „en aan dien heer ook,” voegde hij wat luider, met een half lachend, half benauwd gezicht er bij.—„Welnu! dan zullen wij water drinken,” zeide Klein met den goedhartigsten glimlach van de wereld: en zette terstond het gesprek weder voort over onverschillige dingen.

Zoo duurde het tot het nagerecht op tafel was, en Klein als door tooverij de onder zijn bereik staande schaaltjes in een oogenblik door de vaardigheid zijner buren van peren, pruimen, abrikozen en wat er verder geschaft was, ontledigd zag. Toen eerst stond hij op, nam mij bij de hand en beet mij zachtjes toe: „ik heb van middag slecht gegeten, maar die man daarover (hier wees hij op den ritmeester Voss), zal morgen nog een slechteren maaltijd hebben, en op zijn nagerecht zal hij zich althans niet beroemen. Wees zoo goed en bewaar mij morgen deze zelfde plaats.”—Dit gezegd hebbende, vertrok hij, in ’t heengaan even kalm en vreedzaam rondziende en even bescheiden groetende, als hij bij ’t komen gedaan had.

„Ik denk niet, dat wij spoedig de eer zullen hebben uw vriend weder hier te zien!” riep, zoodra Klein verdwenen was, de Pruisische ritmeester mij over tafel toe, terwijl hij zijn grooten Meerschaum stopte.

„Integendeel, Ritmeester!” antwoordde ik; „ik wacht hem morgen weer terug.”

„Verd....! dan heeft de man courage en is met weinig tevreden,” hernam Voss. „Wat mag de vent zijn? zeker een Commis-voyageur of een gouverneur bij eene adellijke familie?”

„Ik heb u gezegd, dat hij morgen terugkomt, Ritmeester,” zeide ik droogjes weg, „dan kunt gij het hem zelf vragen.—Tot de eer van u weder te zien.”

En meteen liet ik mij uit de zaal en naar mijn kamer rollen, met nog meerder ongeduld dan te voren den volgenden dag afwachtende.

Wederom was de disch gespreid: wederom waren de gasten om de tafel vergaderd: wederom luidde de etensbel en wederom trad Klein de zaal binnen; maar quantum mutatus ab illo! Niet meer in de eenvoudige burgerkleeding van den vorigen dag verscheen hij thans, maar in de prachtige, met goud gestikte en geborduurde rusting van zijn rang, de hooggewelfde borst met ordeteekenen overladen, den zwaren pallas aan de zijde en den gordel met rijk gemonteerde pistolen voorzien. Achter hem volgden twee reusachtige, zwaargebaarde kozakken; met dezen onderhield hij zich een oogenblik, terwijl hij hen met den vinger op den ritmeester Voss wees, en stapte toen, de tafel langs, naar zijne zitplaats.

„Wel!” zeide ik, „gij hebt het vandaag beter overlegd om goed bediend te worden.”

„Stil!” zeide hij, een blik op onzen overbuurman werpende, „en let op het diner van den Ritmeester. Kelner! een bord soep en een flesch bourgonje.”

Deze reis toonden zich de knechts even gedienstig als zij den vorigen dag onbeleefd waren geweest en zochten, door beleefde voorkomendheid jegens den Adjudant van generaal Wittgenstein, weder goed te maken wat zij tegen den onbekenden burgerman verkorven hadden. Maar minder lette ik hier op, dan op het kluchtige schouwspel, dat zich aan de overzijde vertoonde. Rechts en links achter den ritmeester Voss had zich een der kozakken geplaatst om den last uit te voeren, hun door Klein gegeven: een last, die in deze korte waarschuwing was vervat geweest: „Indien de ritmeester Voss een enkele bete of een enkele teug van wat het ook zij in den mond neemt, schiet ik u dood.”—Men kent de onbepaalde gehoorzaamheid, welke de Russen aan hunne superieuren bewijzen en bovendien, de kozakken zagen hun officier vlak tegenover zich, met twee geladen pistolen in den gordel, waarvan hij zich—ook dit wisten zij—bij de minste onachtzaamheid hunnerzijds, zonder complimenten bedienen zoude, om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen. Was het wonder, dat zij een streng toezicht hielden, en dat noch van de rechter-, noch van de linkerzijde een schotel onder het bereik des Ritmeesters kwam? Vergeefs zat deze zich te verbijten van woede: vergeefs riep hij de kelners een voor een bij name toe, om hem eten te bezorgen: de meesten hunner hadden te veel ontzag voor de norsche satellieten, die achter zijn zetel stonden, om zich in hunne nabijheid te wagen; en was er soms een, die, uit ouden eerbied voor den Ritmeester, aan de oproeping gehoorzaamde en hem een bord met spijs voorzette, dan was het altijd weggehaald eer hij, voor wien het bestemd was, had kunnen zien wat het bevatte.

Opmerkenswaardig voor ’t overige was de diepe stilte, welke aan de geheele tafel, bij de anders zoo luidruchtige gasten heerschte. Voorzeker had het hun geen moeite gekost zich te vereenigen en gezamenlijk de kozakken ter deure uit te werpen; maar het was, of de plotselijke verschijning van Klein allen, ik zeg niet met schrik geslagen, want het waren moedige kerels, maar in beelden veranderd had: zoo onbeweeglijk zaten zij hem en den Ritmeester aan te gapen. Gewis gevoelden zij het billijke der zonderlinge weerwraak, door den Rus genomen, en daar zij bijna zeker konden nagaan wat daarvan het gevolg zoude zijn, begrepen zij waarschijnlijk, dat het hun niet paste tusschenbeide te komen, maar dat zij het aan Voss moesten overlaten, zich de noodige voldoening te verschaffen.

Wat Klein betrof, deze haalde zijn schade in van den vorigen dag, at en dronk voor vier en onderhield zich met mij over onverschillige zaken, op even vroolijken en ongedwongen toon als anders, terwijl hij zich vergenoegde, nu en dan een blik op de kozakken te slaan, om zich te overtuigen, dat zij aan den hun opgedragen last voldeden. Eindelijk, toen het middagmaal was afgeloopen en het nagerecht stond te worden opgebracht, begreep hij dat het tijd werd om het koddige blijspel, tot nu toe gespeeld, te doen ophouden, en het treurspel te doen aanvangen. Hij rees overeind, en, Voss vlak in ’t aangezicht ziende: „heeft u de maaltijd wel gesmaakt?” vroeg hij hem overluid.

„Schwernaut!” was alles wat de woedende Ritmeester kon uitbrengen, terwijl hij oprees, met de gebalde vuist op de tafel sloeg, en zijn gebronsd gelaat de kleur van rood koper aannam.

„Ik ben thans bereid u het dessert toe te dienen,” hernam Klein, zich buigende en tevens een teeken aan de kozakken gevende, dat zij zich konden verwijderen.

De Ritmeester antwoordde geen syllabe, maar greep naar zijn hoed en gaf een wenk, die zooveel wilde te kennen geven, als dat hij gereed was; waarna hij een der in zijne buurt zittende officieren op den schouder tikte. Deze begreep de zwijgende uitnoodiging, rees op en maakte zich gereed om mede te gaan.

„Mijn getuige wacht ons reeds buiten,” zeide Klein: „derangeert u niet, mijne Heeren!” vervolgde hij tot de overige officieren, waarvan sommigen insgelijks onwillekeurig waren opgestaan. „Vaarwel! B.!” mij met een hoofdknik groetende, „ik ben terstond weder hier.”

Met deze woorden vertrok hij, terwijl Voss en diens getuige hem onmiddellijk volgden. Ieder hernam zijn plaats en wachtte, terwijl men het nagerecht opbracht, met gespannen verwachting wat de uitslag wezen zoude van den kamp, die buiten plaats had.

Geen tien minuten waren er verloopen, of Klein keerde, maar thans geheel alleen, terug. Aller oogen waren op hem gevestigd; maar zijn kalme en effene gelaatstrekken waren even ondoordringbaar als altijd. Intusschen, zijne terugkomst zelve zeide, na hetgeen voorgevallen was, reeds genoeg.

Hij nam weder aan mijne zijde plaats, schonk zich in, at van de fruit, die hem werd aangeboden, en hervatte ons gesprek waar hij het had afgebroken, als ware er nooit een ritmeester Voss in de wereld geweest. Eerst des avonds, na zijn vertrek, vernam ik, ’t geen ik trouwens wel vermoedde, dat de Pruis, en wel op het eerste schot, levenloos gevallen was. Toen zijne makkers zich over het gebeurde bij den Veldoverste beklaagden, haalde deze de schouders op, zeide, dat Voss zijn verdiende loon ontvangen had en dat hij hoopte, dat het voorval ook hun tot les zoude verstrekken.

Tweegevechten waren voor ’t overige te dien tijde zoozeer aan de orde van den dag, dat men spoedig de geheele gebeurtenis vergat, of er althans niet meer van gewaagde.

Nog eenmaal, en wel op den volgenden dag, verscheen Klein aan de table d’hôte van Mad. D.; doch deze reize wederom in burgerkleeding. Niemand kreeg in ’t hoofd hem in zijn maaltijd te storen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings