In en over Amsterdam. (continued 3)
Reading edition
Nevens Jacob Baeck bemerkt gij diens boezemvriend, den drie-en-twintigjarigen Willem Van den Vondel, met wien hij redeneert over een voornemen, dat zij hebben opgevat, om te zamen het klassieke land der kunst, het schoone Italië te gaan bezoeken. Met zeldzame gaven des verstands en des harten toegerust, is Willem Van den Vondel steeds de lust en de vreugd geweest, eerst van zijns vaders huis en later van allen, die hem kenden, maar vooral is hij de lieveling van zijn ouderen broeder, die, zij het ook al te nederig, aan al wie ’t hooren wil verklaart, „dat Willem hem verre overtreft.” De zooveel belovende jongeling zal die reize naar ’t verre Schiereiland doen; maar helaas! om nimmer in zijn vaderland terug te keeren.
De jongeling, die evengoed in de dans-, muziek-, krijgs- en staatkunst te huis is als in de oude en nieuwe letteren, die in vlugheid van vernuft, schranderheid van oordeel, blijmoedigheid van geest en voortreffelijkheid van inborst voor geen der hier aanwezigen onderdoet, en die eenmaal als geheimschrijver van drie vorsten uit het huis van Oranje en niet minder als kernachtig dichter zich een beroemden naam zal weten te verschaffen, is de Hagenaar Constantijn Huyghens.
Was het wonder, dat hij de hofstad verlaten had om het bruiloftsfeest van Tesselschade te komen vieren? Reeds voor een jaar of vijf had hij de kennis met Roemers dochter op ’t Huis te Muiden gemaakt en tusschen hen was eene vriendschap ontstaan, gelijk men zelden tusschen lieden van verschillende kunne aantreft, en die hun geheele leven duren zou. Hiervan getuigde o. a. het gedichtje, dat hij aan de gezusters geschreven had, in dank voor suikerpeen.
Gesonde peen,
Ik vatt’ de reên
Van uw geschenck:
’t Is met een wenck
Smaecklijk bewezen;
De wortel soet,
De vrucht moet goet
En heilsaem wezen.
Op eer en deughd
Stond d’ eerste vreughd
Van ons vergaeren:
Al wat der jaeren
Knoop en gespann
Tot noch daer van
Heeft uytgegeven
En bij ons leven
Uytgeven moet,
Sal goed en soet
En heylsaem wesen.
Vriend’lick paar Weesen,
Dit is ’t beduyd
Van mijn besluyt
Uyt uwe gaven:
Daer ick begraven
En ghy tot stoff
Sult wederkeeren,
Sal deze lof
Ons graf vereeren,
Hier light C. H.
En Tesselscha
En Anna, d’ eerste.
Die elck om ’t seerste
Met schrift en praet,
Met wensch en daed,
Haer vriendschap sloten:
Vriendschap gesproten
Uit grond en reên
Als suycker-peen.
Reeds vroeger, bij den dood van haren vader, had hij aan het „vriendelijk paar Weesen” een aandoenlijken troostbrief in verzen geschreven, haar bemoedigende met het denkbeeld, dat Hooft haar voortaan tot een voogd en tweeden vader verstrekken zou: en nu een jaar geleden schreef hij uit Londen, waar hij zich bevond als Gezantschaps-Secretaris, een anderen berijmden brief aan ’t waardige drietal, zijn vurig verlangen uitdrukkende om hen terug te zien.
Hoe weinig het echter gefaald had, of hij zou door het slechte weer verhinderd zijn geweest de reis naar Amsterdam te ondernemen, blijkt uit de volgende dichtregelen, die Tesselschade weinige dagen geleden van hem ontvangen had:
Tesselschade,
Die uw gade
Niet te spade,
Niet te vroegh
Hebt gevonden
En verbonden
Van de wonden,
Die hij droegh,
Wees te vreden
Met de reden,
Die my heden
Seggen doet:
Bruiloftslusten,
Laet my rusten,
Daar ick rust en
Rusten moet.
Stuersche buyen,
Die zich ruyen
Tegen ’t Zuyen,
Tegen ’t West,
Hoor ik schreeuwen
Door het sneeuwen:
Zomer-spreeuwen
Houdt uw nest.
...........
Had de Son en
Lucht begonnen
Weer te gonnen
’t Soet gelach
Van de haegen
En te traegen
’t Wintrigh jaeghen
Van den dagh,
’k Waer geschapen
Vreughd te rapen
Van ’t begaepen
Van uw feest,
En het proncken
Van uw loncken
Tot ontfoncken
Van mijn geest.
Maar ’t benijden
Deser tijden
Moet ik lijden
Met geduld;
’t Zijn geen treken
Om te wreken
Woord te breken
Sonder schuld.
Oh! hoe vliegh ik,
Hoe bedriegh ick,
Hoe beliegh ick,
Mijn gemoed!
’k Wil der wesen,
Alle vreesen
Sijn geresen
Uyt mijn bloed.
Swackheit, lijden,
Winter-tijden,
Die ick mijdden,
Staet van kant.
Wech vervaren
Van de baeren:
’k Wil van land.
Neen ick? Ja ick:
Emmers gae ik;
Ja ick, meen ick.
Gae ick? neen ick.
Ja ick, toch.
’t Bleef dus ja, en het werd nog nader door een tweede brief bevestigd:
Winter-dagen,
Die de slagen
Van de vlagen
En de macht
Van de winden
Schijnt te binden,
Daar men in den
Haeg op wacht.
Sendt het raesen
Van dit blaesen
Over Maes en
Over Schelt:
Laat de Veeren
t’ Mijner eeren
Ongequelt.
Laat de schueren
Onser Bueren
Wat besueren
Van uw kouw,
Laat se lipp’ en
Tanden klippen
Met de slippen
Onderwijlen
Sal ick ijlen
Als de pijlen
Afgezonden
Na de gronden
Van den Ponden-
Niet te hooren
Tot verhooren
Van mijn bee?
Soud’ ick sollen
Tegen ’t rollen,
Tegen ’t grollen
Van de zee.
’k Sal uw baeren
Eer ontvaeren,
Danck het Sparen
En het pad,
Dat den wagen
En de slagen
Kan verdragen
Maar, nu wij de gasten, immers de voornaamste onder hen, in oogenschouw hebben genomen, wordt het tijd een blik te slaan op haar, die eigenlijk in de eerste plaats onze belangstelling, althans onzen groet verdiend had, op haar, die den last der bezorging van het feest op zich genomen heeft, en ons tot harent ontvangt, op Anna Roemers.
Tien jaren ouder dan Tesselschade en dus reeds in haar veertigste jaar getreden, is Anna nog immer in de volle pracht eener schoonheid, die van geen verwelken schijnt te weten, nog immer
De roem van haren tijd, waar Roemer op mocht roemen.
Vreemd moge het schijnen, dat eene zoo bevallige, zoo rijk begaafde vrouw tot heden ongehuwd gebleven is; maar, zoo zij nog geen plichten als echtgenoote te volbrengen heeft, het is alleen daaraan toe te schrijven, dat tot heden andere plichten op haar rustten: eerst de verpleging van haren vader en het bestier over diens huis: later, na zijn dood, de gehechtheid aan hare jongste zuster, bij wie zij eenmaal de rol eener moeder vervuld had en ook nu nog bleef vervullen, al was het kind voorlang opgegroeid tot maagd en nu reeds haar derde kruis nabij. Maar thans staat die zuster op het punt het ouderlijke huis voorgoed te verlaten en zich met haren gemaal elders neder te zetten: en thans heeft ook Anna begonnen te gevoelen, dat het niet goed is voor den mensch, alleen te zijn. Reeds is haar hart, weldra wordt ook hare hand weggeschonken aan den zoon uit een aanzienlijk Dordtsch geslacht, doch zelf in ’t Noorden van West-Friesland gevestigd; aan Dominicus Booth Van Wesel, wiens kennis zij te Alkmaar gemaakt had, toen zij aldaar met hare zuster het gezin van diens verloofde bezoeken ging, en zij zal hem volgen om hem gelukkig te maken en, door geheel Nederland bij voortduring vereerd, nog als zestigjarige vrouw om hare zeldzame gaven en bevallig voorkomen en minzaamheid, den geleerden Puteanus te Leuven en diens gezin in verrukking te brengen en door hem als eene tiende Muze te worden afgeschilderd.
Maar hoor!—een gedruisch ontstaat daar buiten: een geluid van vedels en fluiten klinkt van uit een zijvertrek, waar de muzikanten vereenigd zijn: al de gasten geraken in beweging, zien naar de deur en scharen zich rechts en links om den vrijen doortocht te laten aan het jeugdige paar, dat, vergezeld van zijne getuigen, teruggekeerd is van ’t Stadhuis en nu onder oorverdoovend gejuich der op straat verzamelde menigte,—een gejuich van uit de opperzaal straks beantwoord—de woning, en weldra ook de zaal is binnengetreden.
„Ruim baan! ruim baan! Plaats voor de Bruid!” klinkt het van allerwegen: en Tesselschade begeeft zich naar den voor haar bereiden troon; maar haar oog zoekt en ziet onder die schare hare zuster Anna alleen, en de beide zusters vallen in elkanders armen, terwijl warme tranen uit beider oogen elkanders gelaat bevochtigen. Eene eerbiedige stilte vervangt het gedruisch en met aandoening staren de omstanders op de zoo innig verknochte—nu welhaast voor lang gescheiden—zusters. Nu vermant zich echter de Bruid en, na nog een hartelijken kus aan hare beminde Anna, laat zij zich door haren Bruigom verder leiden en neemt plaats op den voor haar bestemden zetel. En wel verdient die thans zijn naam van „troon;” want geen koningin kon dien waardiger bekleeden dan zij van wie wij ’t nauwelijks durven beproeven, eene beschrijving te geven.
Een hoog opstaand kanten mutsje, boven hetwelk een gouden kroontje, met paarlen omzet, zich verheft, omvat het hoog gekapte „goutdradich hayr” van Tesselschade: haar hals is door een drie dubbel geplooiden, breed uitstaanden kraag van kostbaar kant omvat; een blauw satijnen kleed met bonten rand omsluit hare rijke gestalte en laat, van voren open, een borstlap zien, die schittert van gesteenten en een onderkleed van gele zijde, op ’t rijkst met bloemen gestikt, waarop, van den gordel af, een gouden snoer nederhangt, van afstand tot afstand met paarlen geschakeld en aan welks einde een reukbal vastzit, van gouddraad gevlochten en met vonkelende robijnen, turkooizen en andere puik-juweelen bezet. Maar hoe fraai dit alles zij, het kan de schoonheid alleen opluisteren, niet verhoogen, van haar, die wij als Bruid begroeten. Bevallig, rank en toch krachtvol is hare gestalte: en de gezondheidsblos op het lelieblank gelaat getuigt, dat wij hier niet te doen hebben met eene dier loome, smachtende, verwende juffers, die den halven morgen in ’t bed verslapen, een groot gedeelte van den dag aan de kaptafel doorbrengen, en zoowel den zonnegloed als het minste tochtje vreezen: en evenmin met eene dier savantes, die, aan studeervertrek of salon gekluisterd, de kamerkleur verkrijgen als een onmisbaar gevolg van een zittend leven; maar wel met eene zoodanige, die noch lucht noch zonnestralen schuwt en zelfs voor geen lichaamsoefeningen terugdeinst. En inderdaad, niet alleen is Roemers jongste dochter ervaren in muziek en schilderkunst, niet alleen weet zij op ’t glas te snijden, in was te boetseeren en met de borduurnaald te tooveren, niet alleen weet zij Tasso’s „Verlost Jeruzalem” in Nederduitsche verzen te vertalen, maar ook heeft zij, toen nog haar vader in „de Kreeft” over den Stads Singel woonde, waar in den tuin een groote en diepe vijver was, met hare zusters het zwemmen geleerd. Wakkerheid en levenslust stralen dan ook af van haar gelaat en schitteren ons tegen uit die groote bruine oogen, die spiegels der reinste en edelste ziel: parelwitte tanden glinsteren tusschen het koraal van fijngevormde lippen: het breede voorhoofd duidt een kloek en veel omvattend verstand—de kleine, recht nedervallende Grieksche neus vastheid van karakter aan: de fraaie handen, aan de polsen met een zesdubbel parelsnoer omgeven, zijn blank en zacht als fluweel: maar zoo ’t u gebeuren mag, ze te drukken, zult gij voelen, dat in die poezele vingers kracht verborgen is en dat de vereelte toppen gewoon zijn, vedelsnaar en graveerstift te hanteeren.
Ter rechter-en linkerzijde van de Bruid, op lagere zetels, doch mede op den „troon” wordt de plaats van de Bruid, die anders aan de wederzijdsche moeders zou toekomen, bij ontstentenis van dezen, rechts bekleed door ’s Bruigoms zuster, links door de tweede van Roemers dochters, Truitje, sedert eenige jaren de gade van Nikolaas Van Buyl. Misschien is het aan dat huwelijk te wijten—waardoor zij vroeg reeds haars vaders huis verliet, en, aan huiszorg gebonden, minder dan hare zusters den omgang bleef aanhouden met doorluchte en beroemde vernuften—dat Truitje Roemers, twee eeuwen lang, geheel vergeten zal blijven bij de geschiedschrijvers, die zoo luid van Anna en Tesselschade zullen gewagen. Maar wij vergeten haar niet, de derde in een trits bevalligheden: wij kennen ook haar een billijk deel toe van den roem, die hare zusters omstraalt.
De gasten zijn achtereenvolgens de Bruid komen begroeten: daar nadert ook Huyghens, en, hield de etiquette Tesselschade niet aan haren troon gebonden, zij ware hem te gemoet gesneld, om hem de hand te drukken. Dit laatste veroorlooft zij zich echter, terwijl zij hem voor zijn heilwensch dank zegt, hem hare blijdschap te kennen geeft, dat hij toch de winterstormen getart heeft, en zij hem haren Bruigom voorstelt, die nevens haar staat. Ja! den Bruigom!—hebben wij dien vergeten, den held van ’t feest, dat wij van hem geen gewag maakten?—Neen gewis niet; maar juist, omdat hij de held van ’t feest is, kan hij het ons niet ten kwade duiden, zoo wij hem, evenals zulks met de theaterhelden doorgaans het geval is, na de mindere personages laten optreden.
Wie is hij nu, de man, aan wien Tesselschade de voorkeur heeft geschonken boven zoovele kloeke vernuften als naar hare hand dongen? Zeker een geleerde, een toonkunstenaar, een dichter, een staatsman, of in allen gevalle iemand, die zich op deze of gene wijze heeft beroemd gemaakt?
De Bruigom is niets van dat alles: hij is eenvoudig een zeeofficier, die, wanneer hij aan wal is, te Alkmaar woont en antwoord geeft op den (alles behalve dichterlijk klinkenden) naam van Allart Janszoon Crombalgh.
Maar—dat mogen wij niet ontkennen—hij is een flinke, kloeke borst, wiens blauwe oogen helder blinken in dat echt mannelijk gelaat, door de zon der keerkringen gebronst; en is Tesselschade dichteres, zangster en geleerde, voor alles is zij vrouw, en ’t is als vrouw, dat zij de liefde van haren Allart of Adelaar, gelijk zij hem soms bij letterkeer noemt, gewonnen en hem de hare geschonken heeft.
De liefde—Vondel zal het ons leeren in het bruiloftsdicht, dat hij bij zich heeft—is in de kerk begonnen:
Een wijl hiernae geviel ’t, toen deser dochtren geest
Kerckpleghtigh besigh was te vieren ’t jaerlyx feest
Met lofsangh en gebeên, gelijckse ’t noô versloffen,
Dat d’ een van ’t kerckgewelf werd in de borst getroffen, enz.
Allart had Tesseltje hooren zingen: eerst hare zuivere tot het hart dringende stem, vervolgens hare bekoorlijkheden, hadden hem verrukt, en wederkeerig had zij bij den eersten aanblik in hem den man gezien, die haar tot gade beschikt was. Weldra was de zaak beklonken en tusschen hen bepaald, dat het huwelijk zou voortgang hebben, zoodra hij zou terug zijn gekeerd van een zeetocht, dien hij nog te ondernemen had.
Vóór zijn vertrek was hij op ’t Muiderslot genoodigd, waar zich de gezusters, aan welke Hooft, gelijk gezegd is, tot vader, of, beter, tot broeder verstrekte, zich veelal onthielden. Ook Vondel was er te gast, en het aanstaande vertrek van den verliefden zeeman gaf hem de navolgende regels in de pen, waarbij hij Hooft onder den naam van den zanglustigen veldgod Pan, den vrijer onder dien van Dafnis, diens liefste onder dien van eene Sirene, wier verleidend gezang allen tot zich lokt, en zichzelven als Tityr voorstelde. Het luidde aldus:
De vleiende Sireen,
Wiens zang en vedelsnaer
Verlockten naar beneên
Die met zijn wiecken hingh,
Daer zangh zijn hart bekneep
En hy verslingert vingh
Het keeltjen, dat hem greep.
Dees op den oever stondt,
Kust en herkust den mont
Der blancke stroomgodin,
Die in zijn armen glijdt
En zijght van liever leê
En voegt haer bruytschat by ’t
Rijck hylixgoet der zee.
Pan zanghziek, op dat pas,
Had Dafnis laten noôn,
En, om te luystren, was
Hier Tityr mede ontboôn.
Zij huckte neêr in ’t groen
Daer van een hoogen wal
Het oogh moght ronde doen
En weien overal.
Toen sloegh haer keel geluyt;
Help Godt, wat zoeter zangh!
Zwijgh Tityrs boerefluit.
Wat was hier een gedrangh
Van ooren, om dit liedt
Te vangen in de lucht.
Toen tot haar neighde riet,
Geboomte en vogelvlught.
Ach Dafnis, zong zy, ach!
Wat gaet u, Ridder, aen?
Zoo dit uw moeder zagh,
Het hair te bergh zou staen.
Is ’t groen, daer ghy op staet,
Dan ’t engh en veel te naeuw,
Dat ghy ’t verwislen gaet
Voor ’t wilde en woeste blaeuw?
Versin eer ghy begint,
En hou uw oude buurt,
Denckt wat de zee verslindt,
Als zij den afgrond schuurt,
En gaept den Hemel toe,
En grimt dat alle Goôn
Optrecken, zorgens moê,
Hun aangevochten troon.
Wat is hy overstout,
Die leven, lijf en ziel
Den lichten wint betrout
Op ’t drijven van een kiel.
En stuyft ter weerelt uyt,
Daer loot geen gronden peilt,
Daer ’t schip aen starren stuyt
En door de klippen zeilt.
Noch hiel ick u te goe,
Indien uw trotse moedt
Niet reede een oorloogh toe,
O gruwel! op den vloedt,
Op grondeloosen plas
Te vechten, lijf aen lijf:
Die bodem is van glas,
O Reuzen, treet niet stijf.
Te lande is vlughtens troost,
De wanhoop drijft in ’t schuym,
Och! of ghy ’t land verkoost.
Ghy schudt helmet en pluym,
En slaet mijn beden af,
Wel aen ick neem geduldt,
Ghy kiest dan ’t levent graf
En ick blijf zonder schuldt.
Ten minste denck aen my,
Wanneer ghy, als Jupijn,
Zult op uw vyants zy
Met blixems woênde zijn
En Hollants zeebanier
Met hoop van zege voên
En braken vlam en vier
In ’s Konings galioen.
Dan denck eens, hoe ’t mij kruyst,
Als ghy den Spanjaart tart,
Met ’t slaghswaert in de vuyst,
En duy ’t zorgvuldigh hart
Van uw Sireen dien raedt
Altijt ten beste na:
Mits ick uw schipbreuk haet,
In de afwachting van den dag, waarop de vertrokken zeeman zou terugkomen, waren de zusters haars vaders huis blijven bewonen. Wij leeren dit o. a. uit het slot van een gedicht tot lof der zeevaart, ’t welk Vondel omtrent dien tijd zijn vriend Reael had toegezongen.
Wy naecken Schreyers hoek, daar lieffelijck en bly
Een waterlandsche Rey, de juffertjens van ’t Y,
En nae den toon van sangh en spel hun treden dwingen.
D’ een volght met soet musyck des anders violons.
En hebben toegewijt haer kuysheyd Phoebus suster.
Laet vallen ’t ancker, stryck, hier is de vloed geruster.
Hier gaet noch eb noch ty, hier hoort men geen geruys.
Hier open ick mijn reis in ’t saligh Roemers huys.... enz.
Na behouden reis en terugkeer der Bruid,
toen de faem op Schreyers toren sat
En bruyloft bruyloft blies, en noodighde al de stad
Op ’t schaterend bancket, beluyt wet soete rijmen,
Van ’t Noorden Krombalck quam, verzelschapt met God Hymen.
Wij keeren, na deze uitweiding, tot onze beschouwing terug. Tesselschade stelt—als wij gezien hebben—haren Bruigom voor aan Huyghens, die hem nog niet heeft aangetroffen, en hem in heusche bewoordingen gelukwenscht. De zeeman beantwoordt met beleefdheid den handdruk en den groet des hovelings; maar toch vertoont zich in zijn wedergroet niet die ongedwongenheid, die hem anders zoo eigen is: ’t is of hij zich tegenover Huyghens minder dan tegenover elk ander op zijn gemak gevoelt. En geen wonder: hij weet, hoe hoogen prijs zijn liefste op het verkeer met Huyghens stelt: hij weet, welke innige gemeenzaamheid tusschen hen beiden bestaat, en, al heeft hij de overtuiging, dat het gevoel van Tesselschade voor den jongen hoveling niet dan zuivere, zusterlijke vriendschap is, en niets te kort doet aan hare liefde voor hem, Crombalgh, geen Bruigom bestaat er, die zich bijzonder voelt aangetrokken tot den man, die reeds vóór hem met zijne Bruid op een gemeenzamen voet verkeerde, die beweren kan ouder brieven te hebben dan hij, en die haar zijn „kameraadje” noemt—al is ’t dan maar om ’t rijm.
Maar Huyghens let niet op die koelheid van Allart. Hij heeft het oog gewend naar de blonde, met lauweren gekapte speelnoot der Bruid, de bevallige Machteld Van Kampen, die op dit oogenblik tot hem genaderd is en hem op een zilveren schenkblad de bruidstranen aanbiedt—en zie! een hooge blos kleurt zijn gelaat, terwijl hij een der ingeschonken roemers tot zich neemt. Maar zijne tegenwoordigheid van geest verlaat hem niet. „Schoone juffer,” zegt hij, met eene hoffelijke buiging, „geboden mij plicht en genegenheid niet, dezen roemer aan Bruid en Bruigom te brengen, ik had hem reeds ter eere eener zoo bevallige Hébé geledigd.”—En nu is het de beurt der juffer te blozen en zich met eenige verlegenheid terug te trekken: verlegenheid, ja; want er bevindt zich onder de aanwezigen een jongeling, die haar met de oogen volgt, en wiens hart reeds in bitterheid ontstoken is tegen den Hagenaar, in wien hij een medeminnaar ziet.
En nu, nu zou ik gaarne met u, waarde lezer! aan het Roemershuis verblijven om er de feestvermakelijkheden bij te wonen en mede aan te zitten aan het overvloedige banket en te luisteren naar de gesprekken der opgewekte dischgenooten, naar de muziek, achter tafel uitgevoerd, naar de liedjes, door de speelnoots gezongen, naar de bruiloftsdichten, door dichters en rijmers voorgedragen. Maar ik vrees, dat die gesprekken, hoezeer dan ook tusschen de uitstekendste vernuften gevoerd, veel van hun zout en aardigheid zouden missen voor u, die niet zijt ingewijd in de nieuwtjes van den dag, in al de bijzondere betrekkingen en omstandigheden van de sprekers, of zelfs in de taal van die eeuw. Ook om de geestige scherts kan alleen hij lachen, die haar verstaat, en ik vrees, dat het snarenspel, al streelt het de ooren der gasten als hemelval, in de uwe, die aan meer ingewikkelde muziek gewend zijt, te schraal zou klinken, ja dat zelfs de beurtzang van Francisca Duarte en Machteld Van Kampen u te eenvoudig zou voorkomen: maar vooral vrees ik, dat gij in slaap zoudt vallen bij de verzen, die men voor zal dragen; ’t moge der moeite waard zijn, Vondel te hooren: zijn feestdicht, hoe vol fraaie brokken en vernuftigen zwier, zou u te lang en te mythologisch voorkomen. Bovendien, wij zijn wandelaars en moeten weer verder voort: wij zullen dus het gezelschap vaarwel zeggen, terwijl ik u alleen, bij wijze van toegift, nog vertellen wil, wat het gevolg was van den indruk door de verschijning van de gelauwerde Machteld op Huyghens gemaakt. Hoezeer hij door hare bevalligheid, haar geestig onderhoud, haar zang en snarenspel getroffen werd, getuigt de brief, dien hij, kort na zijne terugkomst te ’s-Gravenhage, aan Tesselschade schreef:
Aen joffrouw Tesselschade Visschers. Nieuw-getrouwde.
Teere leerlingh van de Trouw,
Tesselschade, die uw gade
Hebt gevonden, niet te spade,
Hebt verbonden, niet te vroegh,
Van de wonden die hy droegh;
Heeft u noch in ’t nieuwe leven
d’ Oude vriendschap niet begeven,
Huyst gy noch in uw gedacht
Die die huysingh, als gepacht,
In uw vriend’lickheit besaten,
Doe ghy, eenigh by de straten,
Eenigh t’ huys, en om uw bedd
Met de eenigheit besett,
Die u doch met sijner koortsen
Onafbiddelijcken brand
t’ Uwer beurten heeft vermant?
Zijt ghy noch bedenckens machtigh,
Hoe de Herten, heet en jachtig,
Na de beeck te koelen gaen,
Die de min ten doele staan?
Leent my dry der toover-woorden,
Die soo menigh oor bekoorden,
Dat het mijne van my rooft...
Seght haar, Wie? Oh! vraeght niet verder,
Seght haer hoe een Haeghse Herder....
Onbewogen voor de vonk
Van soo menig’ minne-lonck....
Endelick de fiere schichten
Van haer’ ongemeene lichten
Heeft onmogelick gesien
d’ Overwonnen borst te bien....
Na vervolgens aan Tesselschade al de dwaasheden te hebben geschetst, tot welke de liefde hem vervoerd had, roept hij hare hulp in; zij toch heeft hem met Machteld in kennis gebracht; zij is er de schuld van, dat hij verliefd is geworden en moet hem dus tot „soete voorspraak” zijn, en zoo de juffer weten wil, wie het is, die naar hare hand vraagt, tot haar zeggen: dat het iemand is, den meer bezadigden leeftijd genaderd;—terwijl hij haar verder dit afbeeldsel van zichzelven in den mond geeft:
’t Welgevall van schoone leden
Schreef hem niemand toe met reden:
Aen het bruynen van sijn huyt
Kijkt de Haeghse Herder uyt;
Maer hy dunckt sich selfs te blosen
Als de morgenstondsche roosen,
Zedert hy den wederslagh
Van haer oogh in ’t sijne sagh.
Soo verlicht der Sonnen-luyster
Aller wegen alle duyster,
Soo is heel den Hemel schoon
Om het bij-zijn van de Goôn.
Overwicht van gulde schijven
Die ’t ter wereld al bedrijven,
Meer als noodelycke Munt
Heeft sijn ster hem niet vergunt;
Weinigh maeyen, weinigh ploegen,
Klein besitt in groot genoegen,
En dat middelmaetigh veel,
Zijn gevallen tot sijn deel.
Maar sijn nieuwe Min-gedachten,
Heele dagen, halve nachten,
Zijn sijn schatten in ’t gemoed,
Daer hy ryck af heeten moet.
Voorraet van gegeten letteren
Om geleerde t’ overschett’ren,
Schuylt er weinigh in sijn hoofd,
Waer het evenwel geklooft.
’t Waer vol letteren te vinden,
Letteren, die harten binden,
Maer met hope van gena,
Soete lettren M. V. K.
Sterre-stocken aen te stellen
Om de fackelen te tellen,
Om de keerssen ga te slaen,
Die het Hemel-holl begaen
Zijn gesifte wetenschappen
Die sijn herssenen ontsnappen,
En de geesten van sijn oogh
Weygeren haer vier soo hoogh;
Maer twee helderer Planeten
Zijn de doelen van sijn weten
En de sterren die hij schiet
Hooger hemel kent hij niet.
Stemme-streelingh, snaren-krabb’ling,
Is een konstelicke brabb’lingh,
Die sijn handen en sijn keel
Niet en kennen als ten deel,
Maer, al stinckt het eigen roemen,
Of sy staet er af en trilt
Als een Eicken rijs in ’t wild;
Snaeren kan sijn hand niet raecken,
Die wat Laura’s-achtig kraecken,
Of sijn vingers gaender af,
Als een viervoet naer een draf.
Daer dan hand en keel vergaeren,
Laura zeggen al de snaeren,
Laura kort en Laura langh
Zijn de Noten van sijn sangh.
Verr en versch geraepte Rijmen,
Regeldicht aen een te lijmen,
Hooger sweven als ’t geberght
Is sijn pen te veel geverght;
Kruypen kan hy, gaan en springen
En gelijcks der aerde singen;
’t Water dat de Rijmers maeckt,
Heeft sijn lippen noyt genaeckt.
Maer de wel gevoeghde giften,
Die den Hemel door de siften
En het keurlijck onderscheid
Van een’ milde gierigheid
Over haer beminde kuyven
Nederwaarts heeft laten stuyven,
Kittelen sijn aandacht nauw;
’t Vliegen wordt hem wel soo gaeuw
Als de best-gewieckte vliegers
(Dat ’s Poëtelickste liegers)
En sijn afgevlogen dicht
Rijst hem selven uyt ’t gesicht.
Seght haer dan, hy heeft den segen
Van de schoonheit niet gekregen,
Noch de geestelicke gonst
Van gesogen Letter-konst.
Sterren kan hij niet beroemen
Van de seven een te noemen
Op de Noten is hy schorr,
Op de Snaren vinger-dorr;
Rijmens is hy onervaeren
Als de Ploeger in de baeren,
Als de Zeeman in de Terw,
Als de blinden in de verw.
Evenwel ’t bevalligh wesen
’t Rijck, het ruym-gelettert wesen,
’t Spelen dat by geen en lijckt,
’t Singen dat maer ’t uwe wijckt,
’t Rijmen dat hy self kan achten
Houdt hij all’ van uwe krachten,
Kont ghy ’t schepsel van uw’ sin
Min vereeren als uw Min?—
Schijnt sy na de min te hooren
Vatse vaster bij die ooren,
Seght haer dan als Alard sei’,
Doe sijn krachtiger gevlei
Perste door de koele korsten
Van uw overvrosen borsten
En uw Ys-lijck’ ongena
Dede doijen in een Ja.
Dese sijn de scherpste pijlen
Die wy samen konnen vijlen;
Soo haer dan de tegenstand
Van een herder Hert vermant:
Tesselscha, hoe sal ick ’t herden?
Ghy, vergeefsche Tolck te werden,
En, oh armen, ick! en ick,
Proye van mijn eigen strick.
Sullen niet mijn eigen schachten
Met de woeckerloon van krachten
Keeren op het brosse bloot
Van de schutter diese schoot?
Oh! ick spel het langh te voren,
Lieve Tolck! ick sal ’t besmooren,
’k Heb geen’ Lauwer op de muts
Tegen sulcken blixem-bluts.
Wil ’s haer dan in bloed vermaecken?
Ja sy;—’k sie de dood genaecken.
Neen sy; ’t is geen Maeghden-deughd;
Ja sy; ’t is onnoosel’ vreughd;
Neen sy; ’t Mocht haer namaels rouwen;
Ja sy; Droefheit kan verkouwen:
Neen sy; ’k heb het niet verdient;
Ja sy; om een liever’ vriend.
Oey! daer waggelt mijn vermoeyen;
Tesselscha, om tijd te spoeyen;
Korte moeyt voor langh bediet,
Vraeght haer of sy wil of niet.
Tesselschade mag zich met dezen brief vermaakt hebben, zij vond waarschijnlijk zich in de wittebroodsweken minder opgewekt, dien te beantwoorden, en wellicht begreep zij, dat haar Allart die briefwisseling met een jongen vrijer, al vrijdde die ook naar eene andere, minder noodig achten zou. Had zij geen geheimen voor haren man, zij had die evenmin voor Hooft: zij liet hem den brief lezen en droeg hem de taak op, dien uit haren naam te beantwoorden. Dat antwoord begon aldus:
Dus geloopen in het hooft
Dat u teffens zijn ontrooft
Loddertong en troeteltaalen,
En ghy willigs in moet haalen
Om voor u te houden ’t woordt.
Woorden krachtig om bezweeren,
Quaadt van buitene te leeren,
Zijn noit opgezocht door my
Uit Armidaas boekery
Noit en heb ik neus gesteken
In de snoo bibliotheken
Van Médé of Circe. Trek
Had ik noit. En zoo mijn gorgel,
Dien ghy prijst als waer ’t een orgel,
Iet kolachtigs heeft geseit,
Vastaartje, beleefde baasje,
Wil je nu juist op een aasje
Weegen, wat ik my mishad,
Toen ik u te bruiloft had
Aan des Ys en Aamstels zoomen?
Wie zoud’ darren denken, dat
Oogenvlam zoud’ konnen vat
Op uw schootvrij borstjen vinden?
Hebben niet als duistre kleuren
Mogen uwen huit gebeuren,
Neemt daer inne geen verdriet
Koop en zal dat breeken niet.
Vaaken zagh ik ’t meisjen tasten
Naa de karssen bruinst van basten.
’t Heeft zoo wel verstandt daar of
Als de grootsten van het hof.
Heb je niet te veel van duiten,
Dat doet meenigh huwlijk stuiten.
Maat in geldtkas luidt zoo wel
Niet, als maat in zangkappel.
Wil je jaagen zulk een wiltje,
Laat haar, door uw gulden briltje,
Niet kleen zandt of ander gruis
Of de schoonheit van een muis,
Maar tot onder in den rijken
Welgespekten geldkist kijken:
’k Wed u, dat dukaat en kroon
Straalen als mijn bruiloftstroon.
Laat van geene zeedigheiden
U altoos zoo ver verleiden,
Dat ghy minder zegt als ’t is
Dat waar ’t heele doelhuis mis.
Maar wie plagh dus voor te stuiven
Als ik doe: die zoek te schuiven
Van my huwlijkmaakers last
En ik hylikmaak al vast....
Venus kint, de looze stooker
Betren pijl in uwen kooker
Vinden kan, dan ik u zen
Al en waar het maar uw pen,
’t Meeste zeid’ hy als hy zweegh.
’t Vuur en moet hem zeer niet bijten,
Wil geen stemme bovenwaart,
Dacht ik, in ’t gelaat van dezen
Kunnen enkele oogen leezen
Wat in ’t hart geschreven staet.
Alaards woordeloose praatje
Meest heeft uitgekipt het jaatje....
Dat wat lager dan mijn krop
Lagh als in een yrendop.
Evenwel ik kan niet zeggen,
Dat gy ’t ook zoo aan moet leggen.
Hachelijk waar zulk een raadt.
Wat weet ik hoe zij ’t verstaat,
Ieder eene moet men zoeken
Naar haar aangezicht te doeken,
Mislijk oft zy waar gestelt
Op wat woorden voor haar geldt.
Vastaartjen, hoe ’t zal gelukken
Zoudt my konst zijn uit te drukken.
Altijd is het vraagen vry
En het weigren staat er by.
Zou ze zulk een storrem afslaan:
Neen ze: ziet gh’ haar voor zoo straf aan
Jaa ze: zy gelooft te laauw
Neen ze: Vastaart is te gaauw.
Jaa ze: z’ heeft geen zin in zoenen
Neen ze: Minnezon doet groenen.
Jaa ze: z’ hangt haar moeder aan.
Neen ze: dat kan overgaan.
Jaa ze: z’ is te jong van jaaren.
Jaa z’: hy heeft der daegen veel.
Neen ze: ’t is het passe scheel.
Zoetjes; toef wat, nog een woordtjen
Ik u bijten moet in ’t oortjen,
Dat myn hoofjes rammelrad
Schoontjes schier vergeten had.
Spreekje ’t meisjen blond van haaren
Past vooral haar te verklaaren,
Klaarder dan ghy ’t my bediedt,
Vastaart, oft ghy ’t meent oft niet.
De scherts, welke Hooft zich onder Tesselschades naam jegens Huyghens veroorloofd had, smaakte dezen laatste maar half; althans aan het slot van een ander gedichtje, ’t welk hij haar iets later zond, verzocht hij haar vriendelijk, er Hooft buiten te houden:
Tesselschaedje
Kameraedje,
Die dit praetje
Uyt mijn hert
En van binnen
Uyt het spinnen
Van mijn sinnen
Hebt ontwert,
Hebt het, hout het,
Sluyt, ontvouwt het,
Siet, aenschouwt het
Als belooft,
Maar, bewogen
Uyt medoogen,
Sonder d’ oogen
Van uw Hooft.
Of hij nu bij de schoone Machtelt een blauwtje liep, dan of hij zich voorzichtig in tijds terugtrok, toen hij bemerkte, dat een ander in haar hart reeds de plaats had ingenomen, weet ik niet; zeker is het, dat hij, om van de zaak met eere af te komen, die later als eene grap behandelde, en boven zijn brief aan Tesselschade, eer die in ’t licht kwam, het woord Jock plaatste.
Wat de blonde Machtelt betreft, wel had ik gewenscht dit hoofdstuk te kunnen sluiten met de vermelding, hoe zij den man harer keuze huwde en eene gelukkige gade en moeder werd.—Maar helaas! het was anders beschikt: zij stierf toen de Mei in het land kwam, als verloofde: gelijk wij uit de navolgende aandoenlijke regels van Vondel leeren:
De May, veraert en slinx, die trof ons maeghdepuyk,
O Maghtelt, toen zy u benyde ’t jeughdig blosen.
Een andre bloem verwelckt, gesneden van haer struyck,
Maar blancke lelie, och! in ’t midden van de roosen,
Men u op uwen steel sagh flaeuwen en beswymen,
Die waert des vreyers wensch, der oudren soete hoop.
Uw geest gebluscht is en de fackel van uw Hymen,
’t Is kostlyck, dat om gout noch tranen is te koop.
Aanteekening.
Na het schrijven van dit hoofdstuk vond ik mijn vermoeden, dat als getuige bij Tesselschades huwelijk hare getrouwde zuster Truitje zou zijn opgetreden, bevestigd door het navolgende uittreksel uit het Puiboek, mij door mijnen geachten vriend, den Stads-archivaris Scheltema, medegedeeld:
Puiboek No. 9.
1 November 1623 Compareerden voor Claas Pietersz. en Cornelis Schellinger, Allart Jansz. Krombalch van Alkmaar, geen ouders hebbende, geassisteerd met syn swaager Dirk Jansz. Quitingh, woonende tot Alckmaar, al waar de geboden mede gaan, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteerd met Truytie Visschers, haar suster, op de Geldersche kai.
(Get.) Allart Janszoon Crombalch. Tesselscha Roemers Visschers.
Men kan uit dit voorbeeld wederom zien, hoe weinig men zich om de spelling der namen en om de rechte qualificatie bekommerde. Van Truitje wordt o. a. niet eens gemeld, dat zij getrouwd is, evenmin als dit plaats heeft in de volgende aanteekening uit hetzelfde Puiboek, betreffende Anna’s huwelijk.
12 Janwari 1624. Compareerden voor Cornelis Schellinger en Adriaan Raep, Dominicus van Wesel, out 38 jaaren, woonende op de Wieringerwaard, alwaar de gebooden meede gaan, met Anna Roemers Visschersdr. woonende op de Geldersche Kay, geassisteert de bruygom met Jacob Bicker en de bruyt met Truytie Roemers, haar suster.
(Get.) D. v. Wesell 1624. Anna Roemers.
Opmerkelijk is het, dat in de eerste huwelijks-aanteekening alleen de leeftijd van de Bruid, en in de tweede alleen die van den Bruigom vermeld wordt.
De lezer zij wijders verzocht op de eerste bladz. van dit hoofdstuk voor „den eersten November” te lezen „den twintigsten November.” 1 November had de aanteekening, 20 Nov. het huwlijk plaats, als het bruiloftsvers van Hooft ons leert.
Ik zal ook nu wederom het verwijt niet ontgaan, mij, gelijk mij ter ooren is gewaaid, meer gedaan, dat ik gemakshalve mijne opstellen, in plaats van met eigen werk, met verzen van anderen opvulde. Ik geloof echter, dat wie eerlijk denkt en bovendien eenigen goeden smaak bezit, mijne handelwijze aan betere motieven toeschrijven en niet af zal keuren. Die gedichten, door mij geheel of ten deele opgenomen, zijn de bronnen, waaruit ik mijn tafereel geput heb: ’t zijn mijne justificatoire bescheiden; vergenoegde ik mij, met er naar te verwijzen, ik zou den lezer noodzaken, om, tot recht verstand van mijn geschrijf een half dozijn boeken bij de hand te hebben en gedurig op te slaan. Maar bovendien strekken die brokken uit Hooft, Vondel, Huyghens enz. minder nog tot toelichting van mijn opstel, dan wel omgekeerd.—Velen (ik zelf tot nog voor korten tijd) hebben die brokken nimmer met dat genot gelezen, hetwelk alleen dan gesmaakt kan worden, wanneer men ze onderling in verband gebracht en daardoor recht heeft leeren begrijpen. Nu wellicht zal menigeen, die ze tot nog toe of niet of maar vluchtig gelezen had, zich wellicht door de uittreksels, die ik geef, aangespoord gevoelen, om ze eens meer opzettelijk in ’t oorspronkelijke te gaan nalezen, en zoowel zijne kennis van de zeden, de toestanden en het onderling verkeer—als zijn smaak voor de echte, gezonde, krachtvolle letterkunde van die dagen—zal niet anders dan er bij kunnen winnen.—Dat is mijn wensch; wordt die vervuld, dan zie ik mijn doel bereikt.
In den Amiraal.
Wij stonden in ons vorige Hoofdstuk voor en in het huis der dochters van Roemer Visscher op de Gelderde Kade. Wij laten op eens nagenoeg een halve eeuw voorbijsnellen, begeven ons langs de Bantammerbrug naar de overzijde, stappen de dicht ineengebouwde buurt door, die aldaar gedurende dat tijdsverloop verrezen is, komen door eene tweede brug op ’t Waals-eiland, volgen de Nieuwe Bantammerstraat, en staan, den zesden September 1672, op den Buitenkant. ’t Is hier altijd druk en woelig; maar heden moet er toch iets ongewoons aan de hand zijn. Van de eene brug tot de andere is de kade zwart van de menschen, zoo dicht opeengedrongen, dat men, om de geijkte uitdrukking te bezigen, „over de hoofden zou kunnen loopen;” ’t zijn varensgasten, arbeiders aan de werf, sjouwerlieden, vooral—en die zijn niet de minst luidruchtigen—vrouwen, jonge dochters en kinderen;—maar onder die menigte van hoezeer ruwe en onbeschaafde, toch over ’t algemeen ronde en eerlijke aangezichten, wier thans zoo norsche en gramstorige uitdrukking blijkbaar aan de opgewondenheid van het oogenblik is toe te schrijven, vertoont zich hier en daar een gelaat, waarop lage hartstocht te lezen staat, met oogen, die niet van toorn, maar van roofzucht schijnen te branden; oogen, die in rustelooze beweging zijn, nu her- dan derwaarts gluren en overal heen willen kijken, om zich alleen dan af te wenden, wanneer zij den blik ontmoeten van een eerlijk man: en gewis, wanneer wij de fielterige uitdrukking gadeslaan, die zich in den wezenstrek vertoont, wanneer wij letten op die geelachtige, dunne, fijngevormde, maar aan de uiteinden iets gekromde vingers, die zoozeer afsteken tegen de breede, door eerlijken arbeid vereelte, van spek doortrokken handen, die zich naast de hunne bewegen, dan behoeven wij geen dienaars van den Hoofdschout of zelfs geen volleerde gezichtkundigen te zijn, om in de eigenaars van zulke ongunstige aangezichten, van die listige oogen en van die kromme vingers, een slag van volk te zien, dat, zoo ’t niet voorlang reeds met het tuchthuis en met de beulsknechts eene nauwe kennis heeft gemaakt, onmisbaar t’ avond of morgen met hen in aanraking komen zal.
Maar wat zoekt nu die volksmenigte? Met welk doel is zij bijeenverzameld? Wien bedreigt haar woest getier en haar grimmig gebarenspel? Van weerskanten aangeloopen, hebben de voorsten onder dien hoop zich op één punt vereenigd en er stand gehouden: dáár dringen de achter hen aangroeiende massa’s hen op: en wanneer wij nu slechts letten op de oogen der aanwezigen, dan bevinden wij, dat die alle gericht zijn naar een huis, niet ver van de nieuwe Schippersstraat, ’t welk, of welks bewoners alzoo het doel moet zijn van hun toeven.
’t Moest voorwaar een kloekgebouwde en sterkgespierde gast zijn, die zich thans door dien opeengepakten volksdrom heen, een weg baande naar dat huis; maar wij, die zooeven negen-en-veertig jaren doorzweefd hebben, wij bezitten het voorrecht, met hetzelfde gemak, door een muur, ’t zij van steen, ’t zij van menschen, heen te dringen, en wij hebben het dan ook nu maar voor ’t wenschen, om ons te bevinden ter plaatse, waar wij wezen willen. Wij staan voor het bedoelde huis en nemen het in oogenschouw.
Het perceel onderscheidt zich in niets van de daarnevens gelegene; ’t is een enkel erf, waarvan alleen het benedenste gedeelte tot woning is ingericht, terwijl de hoogere verdiepingen tot graanzolders dienen: noch de deur, noch de twee kruisramen daarnevens, noch de gevel trekken ’t oog door eenig buitengewoon snij- of lijstwerk: in één woord, er is niets merkwaardigs aan het perceel te bespeuren, en wie er niet ter wille des bewoners op lette, zou er voorbijgaan zonder er in ’t minst acht op te geven.
Het kan dus niet het huis als zoodanig zijn, waar ’t op gemunt is; die krijtende menigte moet het geladen hebben op den bewoner.
Maar wie is dan die bewoner? Een kapitein of schipper wellicht, die de verontwaardiging der varensgasten heeft opgewekt, door aan zijne manschap hun prijsgeld of gage te onthouden?—Of een scheepsbouwmeester, die zijn werkvolk op het zuur verdiende loon beknibbelt?—Maar neen!—wij leven in een land van rust en orde en de weg van rechten staat immers voor de klagers open?—Is het dan misschien ook een Spion—wij zijn, men vergete ’t niet, in 1672 en de voorposten van ’t Fransche leger zijn te Muiden—een Spion, die met den vijand heult en hem bericht heeft gezonden, waar, hoe en wanneer hij ’t best binnen Amsterdam dringen en Europa’s rijkste stad aan plundering en moord zal prijsgeven?—of een omgekochte booswicht, die brandstoffen in zijne kelders verborgen heeft, waarmede hij de stad op onderscheidene plaatsen te gelijk in brand meent te steken?—’t Kan niet missen of de man, die hier woont, moet al het een of ander zeer boosaardig opzet koesteren, dat het eene zoo krachtige openbaring van verontwaardiging heeft uitgelokt.
De Ruyter—Wanneer men dien naam hoort, dan stroomt ons een zoo hemelsche geur tegen van oprechte godsvrucht, nooit verzaakte plichtsbetrachting, lieftallige minzaamheid, reinheid van hart en wandel, onwankelbare trouw en bestendige gelijkmoedigheid in voor- en tegenspoed, vereenigd met schaars geëvenaard krijgsbeleid, rustigen heldenmoed, vastberaden kloekheid, in ’t kort van alle christelijke, maatschappelijke en krijgsdeugden, dat men niet begrijpt, hoe men in één adem van zulk een man en van eene misdaad, zelfs van een vergrijp, kan spreken.
En toch, die doldriftige hoop, die daar de kaai vult en ’t huis bedreigt, spreekt er van en beticht den Admiraal van niets minder dan van schendig landverraad.
Vanwaar die beschuldiging, die ons even ongerijmd als lasterlijk in de ooren klinkt? En zijn al de menschen, die daar staan, dan op eenmaal krankzinnig geworden?
Het heeft er zeker veel van, maar om op te lossen, wat een onverklaarbaar raadsel schijnt, dienen wij ons helder voor den geest terug te brengen, wat in die laatste maanden had plaats gehad.
Reeds sedert den jare 1670 waren velen hier te lande niet zonder bezorgdheid geweest, dat de Koning van Frankrijk eenig kwaad opzet koesterde tegen de Republiek. Al meer en meer hadden die geruchten kracht en wichtigheid gekregen, en tegen ’t einde van 1671 was de Regeering van Amsterdam zoozeer overtuigd geraakt van de noodzakelijkheid om op alle kansen voorbereid te zijn, dat zij op maatregelen bedacht was, strekkende ter verdediging der stad, de grachten van masten en hout ontledigen en de vestingwerken liet voltooien, den Kolonels aanbeval, de Schutters in den wapenhandel te oefenen en de compagniën voltallig te houden, en zich met Gecommitteerde Raden gelijk mede met de Staten van Utrecht verstond, omtrent de middelen tot tegenweer, aan de Grebbe, aan de Vecht en elders, te bezigen. Tevens was zij, bij ’t besef, dat een en ander niets baten zou zonder een eminent hoofd, in wien de natie vertrouwen stelde, eene der eerste geweest om, reeds vroeg in ’t voorjaar van 1672, aan te dringen op de spoedige verheffing van Prins Willem tot Kapitein-Generaal. Toen nu werkelijk, op 7 April, niet enkel Frankrijk maar ook Groot-Brittannië den oorlog aan onzen Staat had verklaard, was men hier te ijveriger aan ’t werk gegaan met zich ter verdediging toe te rusten en vrijwillige dienstneming aan te moedigen, ja, hoezeer men ’t een geruimen tijd tegenhield, men ging er in Juni toe over alle slooten en polders vol te laten loopen, ten einde de stad, in geval van nood, onder water zou gezet kunnen worden, welk laatste dan ook geschiedde omstreeks de helft der maand, zoodra men de tijding ontvangen had, dat de Franschen over den Rijn, en de Betuwe waren binnen gerukt. Eerlang waren Utrecht, Naarden, zelfs een oogenblik Muiden in hunne handen gevallen, en nu werd het omgelegen land, door ’t inlaten van ’t zeewater, in eene bare zee herschapen, de poorten dicht gehouden, de valbruggen opgehaald, de hameien gesloten:—voorts twaalf compagniën gewapend bootsvolk aangenomen—die, onder ’t bevel van den Vice-Admiraal Isaak Sweers, de uitleggers, in ’t IJ en in den Amstel gesteld werden—en drie compagniën vrijwillige Ruiters, onder ’t bevel van den Oud-Schepen Dirk Tulp, van den Advocaat-Fiskaal der Admiraliteit Hendrik Hooft en van den Stads-Secretaris Jan Van Vlooswijk. De knapen uit de weeshuizen, zelfs vele Doopsgezinden, hielpen mede aan ’t voltrekken der wallen: in ’t kort, ieder werkte mede, behalve de Joden, die verschoond werden, mits ƒ 1260 aan de stad opbrengende. De wallen met tweehonderd stuks geschut, sommige poorten met ravelijnen voorzien en ’t krijgsbestuur opgedragen aan Kolonel Joan Van Beveren, die in Geertruidenberg het bevel had gevoerd.
Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat, terwijl in het anders zoo vreedzame Amsterdam zulke buitengewone dingen geschiedden, de goede burgerij niet weinig stof tot praten vond: en, zooals ’t gewoonlijk gaat, waren er niet weinigen, die de schuld van hetgeen gebeurde aan de Regeering weten. De De Witten, zeiden zij, en zij, die tot de zoogenaamde Loevesteinsche factie behoorden, gingen slechts van één hoofdbeginsel uit, namelijk, zichzelven te bevoordeelen en alle ambten en waardigheden voor zich en de hunnen te houden, en hiertoe den Prins en alle Prinsgezinden er van uit te sluiten. Daarvoor had die verfoeilijke Akte van Seclusie gediend: daarvoor had men jaren lang met Frankrijk geheuld en den Koning van Groot-Britannië, die ’t natuurlijk euvel moest opnemen, dat men den zoon zijner zuster buiten de ambten zijner voorzaten sloot, herhaaldelijk verbitterd: daarom had men oorlog met Engeland, onzen natuurlijken bondgenoot, gevoerd, en zooveel bloeds en schats onnoodig verspild;—en nu scheen ’t wel, dat men liever Frankrijk hier den meester zou zien spelen, dan op het gedane terug te komen en den Prins tot Stadhouder verheffen. En al was de volksmenigte in Amsterdam tot geen uitersten overgeslagen, zooals in andere steden plaats vonden, toch ontbrak het onder de burgerij niet aan de zoodanigen, die maar half tevreden waren met de handelwijze hunner Regenten. Zij hadden, ja, in de benoeming van den Prins tot Kapitein-Generaal toegestemd; maar, naar men de leden der Vroedschap kende, was ’t niet moeilijk na te gaan, dat de meesten niet dan schoorvoetende tot dien stap waren overgegaan: er waren, ja, middelen van verdediging aangewend; maar ook daarmede had de Regeering zich juist niet gehaast: en mocht die vertraging al in billijkheid worden toegeschreven aan een lofwaardige zucht om geene onnoodige kosten te maken en vooral om geen honderden morgens uitmuntend land ontijdig prijs te geven aan ’t geweld der wateren, en alzoo, tot groote schade der eigenaars, millioenen schats te verspillen, de kwade tongen hadden eene andere uitlegging aan de zaak gegeven en zich niet ontzien te fluisteren, dat de Heeren misschien zoo afkeerig niet zouden geweest zijn van, tot loon voor landverraad, met Fransche titels en Fransch goed begiftigd te worden; ja zulke praatjes hadden zelfs bij sommige bedaarde en verstandige lieden geloof gevonden, toen zij vernamen hoe de hofstede van Schepen A, of de landerijen van Raadslid B en zelfs van Burgemeester C, alle in de nabijheid van Utrecht, Amersfoort of Naarden gelegen, op uitdrukkelijken last van den Franschen Veldheer, van alle oorlogslasten waren verschoond gebleven.—In allen gevalle, de Akte van Seclusie was nog niet vernietigd, en de Prins nog geen Stadhouder: en zoolang dit niet geschied was, wilde de Burgerij, nu meest Oranjegezind, zich niet overtuigd houden van den goeden wil harer Regenten, en sloeg zij gretig en gereedelijk geloof aan alle praatjes, waarbij gemelde of andere Heeren, in Lands- of Stads-bediening, verdacht werden gemaakt van ongeoorloofde handeling met het Fransche Hof. Een klaar bewijs had zij daarvan gegeven, door, op den 26sten Juni, den Veldmaarschalk Prins Joan Maurits van Nassau, zeker een der vroomste en getrouwste verdedigers van het Vaderland, bij zijne doorreis naar Muiden, openlijk aan te randen en voor verrader te schelden.—Eene afkondiging op den 29sten Juni door de Regeering gedaan, dat zij gezind was de stad, haar godsdienst en vrijheid, met goed en bloed tot het uiterste te beschermen, en de fiksche wijze, waarop hare Afgevaardigden ter Vergadering van Holland hadden geprotesteerd tegen elke toetreding tot den schandelijken vrede, dien Frankrijk ons aanbood, hadden wel de gemoederen eenigszins tot kalmte gezet; doch groot was nog ’t getal gebleven van hen, die heimelijk morden: en ’t was geen tien dagen later gebleken, toen de Burgemeester Andries de Graeff, aan ’t Nieuwezijds-Heerenlogement op den Haarlemmerdijk gereed staande om den postwagen in te stappen, die hem naar Den Haag ter dagvaart voeren moest, werd aangetast door ’t grauw, dat hem beschuldigde, de stad te gaan verkoopen, en hij niet dan met moeite was ontzet geworden; terwijl op den 3den Juli de Afgevaardigden van Edam, door Amsterdam trekkende, insgelijks door ’t gepeupel aangetast, naar den Dam gesleept, en gedwongen waren geweest, hunne lastbrieven te doen zien.
De eerlang (op 4 Juli) gevolgde benoeming van den Prins tot Stadhouder had wel voor een tijd de Gemeente tot bedaren gebracht; doch de overtuiging, dat de Regenten in dezen van den nood eene deugd gemaakt hadden, was oorzaak geweest, dat hun die deugd niet als zoodanig was aangerekend: en aldra had weder een dwaas gerucht, dat de sleutels der poorten, die ’s nachts ten huize van den voorzittenden Burgemeester berustten, niet goed bewaard werden, aanleiding gegeven tot de bewering, dat het onverantwoordelijk was, die aan één persoon toe te vertrouwen, dewijl toch de ondervinding geleerd had, hoe vaak een Burgemeester, door ’t overleveren van der stede sleutels, zijne Stad en Burgerij den vijand in handen geleverd had. Een oploop, en waaraan deze reis een aantal leden der Schutterij deelnamen, was hiervan het gevolg geweest, waarbij het huis van Burgemeester Van de Poll met plundering was bedreigd geworden, en de Regeering had zich verplicht gezien in dezen aan het verlangen der menigte toe te geven en, overeenkomstig een voorstel, door den Krijgsraad gedaan, de sleutels des nachts voortaan in de Hoofdwacht te doen bewaren in eene kist met twee verschillende sleutels, waarvan de eene bij den Burgemeester, de andere bij een der Hoofd-Officieren berustte.
Willem III had nu, omstreeks half Augustus, de stad met een bezoek vereerd, was hoffelijk ontvangen, had een geschenk van ƒ 30,000, en bij zijn vertrek de hernieuwde verzekering van de zijde der Regeering bekomen, „dat Amsterdam steeds met een genegen hart zijn bezoek erkennen zou en besloten had, alles, ja goed en bloed, op touw te zetten ten dienste van Zijne Hoogheid en tot behoudenis van den Staat.”—Nu, zou men zeggen, kon niemand iets meer verlangen. En toch had het gemor, hadden de onrustige bewegingen onder de burgerij niet opgehouden.
’t Was dan ook wellicht aan min verlichte lieden niet zoo geheel kwalijk te nemen, dat zij met hun gewoon plomp menschenverstand niet begrepen, hoe Regenten, die in der tijd ’t heftigst hadden medegewerkt tot uitsluiting van den Prins, thans, na zijn herstel, met schik in ’t bewind konden blijven, ook al hadden zij zelven thans hun stem gegeven aan dat herstel. De Prins, zoo redeneerden zij verder, moest op een tijdstip als het tegenwoordige, nu het Land in gevaar en de vijand voor de poort was, aan ’t hoofd der steden zoowel als aan ’t hoofd der vloot en des legers alleen zulke mannen vinden, die hij wist, dat aan zijn persoon waren verknocht en hem met trouw en ijver konden dienen; geen politieke weerhanen, die zich nu tot hem keerden, omdat zij niet anders konden en hem, zoodra zij er maar kans toe zagen, weer verlaten, of althans den voet dwars zouden zetten.—De vreeselijke moord, op 20 Augustus, en dus kort na ’s Prinsen vertrek vanhier, aan de gebroeders De Witt gepleegd, mocht afschuw verwekken bij alle weldenkenden, hij had gestrekt om nieuw voedsel te geven aan den geest van wantrouwen, die bij de burgers heerschte. Het stuk was gepleegd, niet door een ordeloos grauw, maar door Haagsche schutters en gezeten lieden uit den burgerstand, ten aanzien en met schijnbare goedkeuring van aanzienlijke personen en familiën, ja van bedienaars des Heiligen Woords; en dit een en ander gold bij onnadenkenden voor een onwederlegbaar bewijs, dat hier geen bloote wraak of moordzucht in ’t spel geweest was, noch zelfs recht gedaan over vroegere misdrijven; maar dat er een nieuw en schendig opzet ontdekt was, even uitgestrekt van omvang als verderfelijk voor den Staat, en dat de Gebroeders daarvoor hunne billijke straf hadden ontvangen:—en het was onder dezen indruk, dat er zich al meer en meer stemmen hadden doen hooren, die aandrongen op ’t ontslag der Regenten, en er in dien geest onder anderen een schotschrift ter beurze was aangeplakt: zoodat de leden der Regeering, zelven beginnende in te zien dat hunne stelling niet langer houdbaar bleef, tot het besluit gekomen waren, hunne ambten ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen.
En nu, nu men onder ’t volk verspreidde, dat De Witt het Land aan Frankrijk had willen verkoopen, was door de hierboven aangehaalde aantijgingen, den weg gebaand, om De Ruyter voor te stellen als medeplichtige aan zoodanig verraad, en hem van niets minder te beschuldigen dan van ’s Lands vloot aan Frankrijk te hebben overgeleverd. En, hoe dwaas en ongerijmd die beschuldiging den naneef ook in de ooren moge klinken, zij deed het niet in de ooren
Van ’t lichtgeloovigh volck, dat veel te los van hooft
Genoten dienst vergeet, en ’t erghste liefst gelooft,
van ’t volk, dat De Ruyter nog niet op het voetstuk zag geplaatst, door de nakomelingschap hem toegekend, noch met den stralenkrans omgeven, welken deze hem waardig heeft gekeurd. Neen, dat volk vergat zijne diensten, of liever nog, het vond in die diensten zelven stof tot verwijt. Immers, was het niet voornamelijk tegen den Koning van Engeland, tegen ’s Prinsen Oom, dat De Ruyter had gestreden? Waren die oorlogen met Engeland niet—althans zoo redeneerde men—juist het werk van De Witt, en alleen gevoerd om het herstel van den Prins onmogelijk te maken?—Was het gehate en ondankbare Frankrijk bij die oorlogen niet onze bondgenoot geweest?—Had De Ruyter niet van Lodewijk XIV de orde van Sint-Michiel ontvangen?—En moest het dan zoo vreemd schijnen, dat De Ruyter, op last van De Witt, en in overeenstemming met diens veronderstelde bedoelingen, ’s Lands zeemacht ter beschikking stelde van den Franschen Monarch?
Ik wil niet beweren, dat verstandige, onbevooroordeelde lieden aan zulke lasterlijke praatjes geloof sloegen; ik heb alleen willen uiteenzetten, hoe hier „het erghste” geloof kon vinden bij de onnadenkende menigte, die langzamerhand—als wij gezien hebben, er toe gebracht was, niemand meer te vertrouwen: hoe het een gretig onthaal vond bij Prinsgezinde matrozen, bij voormalige zeevarenden van Tromp, bij Amsterdamsche werk- en sjouwerlieden, die aan De Ruyter noch zijne Zeeuwsche afkomst, noch zijne lage geboorte vergaven;—want het is opmerkelijk, dat het volk altijd eenigen nijd en wrevel gevoelt tegen iemand, die uit zijn midden tot hooger rang is opgeklommen, en spoediger geneigd is van een zoodanige kwaad te denken dan van iemand van aanzienlijke geboorte. Maar vooral werkten de uitgestrooide geruchten op de beweeglijke gemoederen dier vrouwen, wier mannen of naaste verwanten zich aan boord van de vloot bevonden, en voor wie nu ook, zelfs al hadden zij geen bijzondere reden, om den Admiraal te verdenken, de bloote gedachte, dat hetgeen men verhaalde toch misschien kon gebeurd zijn, reeds voldoende was, om met ongerustheid, met angst, met mistrouwen vervuld te worden, en in allen gevalle te willen weten, waar zij zich aan te houden hadden.
En zoo komt het dan, dat op den meergenoemden zesden September, juist op dien zelfden Dinsdag, nu de Stads-Secretaris, Dirk Schaep naar het leger te Bodegraven is vertrokken, om de Regeeringsambten ter beschikking van Zijne Hoogheid te stellen, de reeds door mij beschreven toeloop plaats heeft voor ’t huis van den Admiraal.
Aller oogen zijn, als wij reeds zeiden, op het huis gevestigd, en wij zullen doen als de anderen, ja meer nog, wij zullen doen wat zij nog niet kunnen, en ons, in spijt dat de deur gesloten is, naar binnen en naar de zijkamer begeven. De blinden voor de benedenvensters van het kruisraam zijn gesloten, doch de bovenvensters verschaffen toch licht genoeg, om ons Mevrouw De Ruyter te doen zien, in niet weinig bekommernis, met gevouwen handen, op een stoel tegen den wit gepleisterden wand gezeten, terwijl haar twintigjarige dochter Margriet in niet minder verlegen houding tegenover haar staat, en de beide dienstmaagden, Aagje de linnenmeid en Klaasje de keukenmeid, zeker om Mevrouw meer moed in te boezemen, handenwringende en schreiende de kamer op en neer loopen.
„Wat zullen wij toch doen, Moeder?” roept Grietje: „en niemand om ons raad te geven! Dat Barend maar hier ware.”
De schrandere lezer zal beseffen, dat de Barend, wiens tegenwoordigheid door de jonge juffrouw verlangd werd, natuurlijk niemand anders is dan haar verloofde, de leeraar Bernardus Somers.—Maar eer wij verder gaan, dien ik een woordje te zeggen over het gezin van onzen zeeheld.
„En wat zou Barend?” vraagt Mevrouw De Ruyter, de schouders ophalende: „denkje, dat die lieden met eene predikatie zijn weg te krijgen?”
—„Och lieve hemel!” roept de keukenmeid: „al hadden wij twintig manskerels, in huis wat kon dat nog helpen tegen zoo’n troep.”
—„Wat willen zij toch?” vraagt Mevrouw—misschien voor de tiende keer:—„ik begrijp hun oogmerk niet. Kijk eens door ’t venster, Aagje! of je ook zien kunt wat ze in ’t zin hebben.”
Niet zonder vreeze van gezien te worden door hen, die buiten staan, voldoet de deern aan het verzoek: zij sluipt naar ’t kruisraam, waarvan de benedenluiken dicht zijn, klimt op een stoel en gluurt even door ’t bovenvenster naar buiten.
—„Wel! wat zie je?” vraagt Mevrouw.
—„Och! juffrouw!”—want al draagt de echtgenoote van een Luitenant-Admiraal-Generaal in officiëele stukken en op officiëele vereenigingen den titel van Mevrouw, in haar huisgezin en in den nederigen kring, waarin zij nog voortdurend verkeert, zou haar die als eene bespotting geklonken hebben.—„Och Juffrouw! zij praten en rammelen allen door elkaar en wijzen maar altijd door op het huis.—Och!—waren wij maar hier vandaan.”
—„Zouden wij niet naar den tuin, Juffrouw! en over de schutting een goed heenkomen zoeken?” vraagt Klaasje.
—„Wegvluchten!” roept hare meesteres op een toon van verontwaardiging: „het huis alleen laten? Sinjeur zou ’t aardig opnemen, als hij terugkwam;—maar toch, je doet me daar aan iets denken.— Aagje! jij bent de jongste en de vlugste: zie jij, dat je over de schutting komt, in den tuin van buurman Smit, en vraag hem, of hij ons eens van raad wil komen dienen. Hij is kloek en bedaard en weet met dat slag van volk om te gaan: hij zal misschien kunnen uitvorschen wat zij toch eigenlijk verlangen.”
—„Wil ik het anders ook doen?” vraagt de keukenmeid, zonder te bedenken dat zij te log en te zwaarlijvig is om acrobatische oefeningen te verrichten, en alleen het vooruitzicht in ’t oog hebbende om veilig van de plaats te komen;—maar haar aanbod komt wat laat of is althans overbodig: Aagje heeft nimmer aan een ontvangen bevel met zooveel spoed en bereidvaardigheid gehoorzaamd: zij is de gang reeds ten einde, de achtertrap reeds af—den tuin reeds ingesneld, heeft het houten trapje, dat bij den schoonmaak dienst doet, uit het berghok gehaald en tegen de schutting gezet, is deze overgesprongen, heeft bij de buren, van wie zij niets bespeurt, omdat die allen in ’t voorhuis naar den oploop zitten kijken, een ladder, die tegen een pereboom stond, van zijne plaats gehaald en is met behulp daarvan de tweede schutting overgeklauterd, en veilig geland in den tuin van Wessel Smit:—bij dezen loopt zij ’t huis in, terstond naar boven, en den man zelven tegen ’t lijf, die, geheel gekleed, met den hoed op, den rotting in de hand, sjerp en ringkraag om den hals en den degen op zijde, in de gang staat.
Dat Mevrouw De Ruyter aan Wessel Smit gedacht heeft, is licht te verklaren: niet alleen is hij haar buurman, een welgesteld koopman en kapitein van een Burgervendel, maar zijne dochter is bovendien, als reeds gezegd is, met Jan Pauluszoon Van Gelder getrouwd en er bestaat alzoo een nauwe band tusschen hem en de vrouw des Admiraals.
Maar al bestond die band niet, men heeft, om den man vertrouwen te schenken, hem maar aan te zien, zooals hij daar voor ons staat, met zijne reusachtige gestalte, met zijne breede borst en wakker gelaat, met die sprekende donkerblauwe oogen, die van onder de zware bruine wenkbrauwen u gewoonlijk zoo gul en welwillend, maar op zijn tijd ook zoo streng en gebiedend kunnen aanzien, met dat hooggewelfde voorhoofd en die goedhartig spottende uitdrukking der breede, doch welgevormde lippen: in ’t kort met een voorkomen, dat—behoudens eenig verschil in kleederdracht, door een tijdsverloop van bijna vijf-en-twintig jaren teweeggebracht—ons volkomen een dier kloeke hoplieden herinnert, door Van der Helst op zijn Schutters-maaltijd afgebeeld.
—„Jij hier, Aagje!” vraagt hij: „hoe drommel ben jij zoo opeens uit de lucht komen vallen?”
—„Uit de lucht, Sinjeur!” herhaalt Aagje: „neen Sinjeur! uit den tuin; ik ben achterom gekomen, weet UEd? want het is voor niet veilig: en nu laat de juffrouw vragen, of Sinjeur ’reis bij haar wou komen om raad te schaffen.”
—„Dat had ik juist al gedacht, dat zij dien noodig zou hebben.” zegt Smit: „en zoo had ik den Japanschen rok uitgetrokken en de plunje aangeschoten, waar ik t’ avond mee op wacht denk te gaan, om eens naar de Juffrouw heen te kuieren. Ga dan gerust weer naar haar toe: ik zal er misschien zoo gauw zijn als jij.”
—„Maar wil Sinjeur ook niet door de tuinen gaan?” vraagt Aagje.
—„Och ja, Sinjeur!” roepen uit één mond de beide dienstmaagden van Smit, die, nieuwsgierig met wie haar meester toch in gesprek kon zijn, inmiddels uit het voorvertrek zijn toegeschoven: „Och ja! ’t is moedwillig in ’t gevaar loopen, nu op straat te gaan.”
—„Gekheid!” zegt Smit, de schouders ophalende: „waar is Willem?”
—„Op ’t kantoor,” antwoordt eene der meiden: „bezig alles goed weg te sluiten, zoo ’t rapalje eens binnen mocht dringen.”
—„Roep hem hier.”
De meid loopt naar beneden en keert weldra met den jongen kantoorbediende terug.
—„Willem!” zegt Smit: „ik ga naar buurvrouw De Ruyter: krijg jij intusschen de lijsten van de Schutters, die tot mijn vendel behooren: loop bij Sergeant Joosten hier op den hoek, geef er hem een van, draaf dan met u beiden bij al mijne Wilde Ieren rond, en gelast hun uit mijn naam zich onmiddellijk te wapenen en naar ’t huis van den Vendrig te begeven: stuur voorts iemand naar ’t Stadhuis om kennis te geven van den oploop, en onzen trommelslager, dien je met zijne kameraden op den Dam zult vinden, alarm te laten slaan. Verstaan?”
—”’t Zal gebeuren Patroon!” zegt Willem, met een schalkschen lach, waaruit men kan opmaken, dat reeds het vooruitzicht van het standje, dat plaats zal hebben, hem vermaak verschaft, en hij haast zich weer naar ’t kantoor, terwijl Aagje inmiddels langs den weg, dien zij gekomen is, terugkeert, en Smit, zich naar de voordeur begevende, die ontsluit en uittreedt op zijne stoep.
Daar iedereen in de buurt uit vrees zijne deur gesloten houdt, wekt het opengaan van die van Smit noodwendig de aandacht der menigte en zoo wenden zich de oogen opeens van het huis van De Ruyter af en naar het zijne.
—„Wat is er aan de hand, mannen?” vraagt hij, zich schijnbaar verwonderd houdende, en intusschen zijne scherpziende blikken over den volkshoop latende weiden.
—„Wat er aan de hand is?” roept een varensgast: „daar hebben we jou althans geen rekenschap van te geven.”
—„Tut, man!” zegt Smit: „ik betaal schot en lot, kaai- en leggeld: en als de vrije doortocht voor mijn huis belemmerd wordt, dan heb ik recht, geloof ik, om te vragen, wat men voorheeft.”
—„Wat praatje van recht?” schreeuwt nu een uit den hoop, een vent, met een rood buis, en met een gelaat alsof hij zoo even van de galg gedropen was: „kom maar van de stoep, jou dikke schelm, men zal je op zijn Jan De Witts trakteeren.”
Op het oogenblik, dat deze weinig geruststellende toezegging gedaan wordt, is Willem met de lijsten onder zijn wambuis de deur uitgekomen, die hij achter zich sluit.
—„Ei zoo!” zegt Smit, terwijl hij langzaam de stoep afkomt en den doordringenden blik strak gevestigd houdt op den spreker: „wou jij dat doen?—Nu! als ik het verdiend heb, ga dan vrij je gang;—maar ik hoop, dat er hier genoeg vrome lui zijn, die Wessel Smit kennen, en die wel weten, dat hij geen landverrader is.”
„Wel neen!” mompelen terstond onderscheidene stemmen: „Wessel Smit is geen landverrader:—wij hebben niks teugens jou, Sinjeur!”
—„Zoo! dat meende ik ook,” herneemt hij, terwijl hij bedaard verder stapt.
Willem heeft behendig gebruik gemaakt van het oogenblik, dat aller oogen op zijn patroon gevestigd zijn met die eerbiedige verbazing, welke eene rustige kloekheid altijd bij de menigte verwekt, is de stoep afgesneld en onopgemerkt langs de huizen verder geslopen.
Wessel Smit is voor de stoep van De Ruiters huis gekomen, die vol menschen staat. Zich wel wachtende van iemand aan te raken, wat gevaarlijke gevolgen zou kunnen hebben, vergenoegt hij zich,—rechts en links te verzoeken, dat men hem doorlate;—doch zijn verzoek klinkt als een bevel, en onwillekeurig gehoorzaamt men. Hij staat op de stoep, hij schelt aan: Margrietje, die voor het bovenkruisvenster gegluurd en hem herkend heeft, snelt naar voren, laat hem binnen en haast zich, de voordeur weer achter hem te sluiten.
—„Goddank! dat UEd. gekomen is, buurman Smit!” zegt Mevrouw De Ruyter, opstaande en hem de handen drukkende: „wij zitten hier in doodelijke verlegenheid, wat te doen.”
—„Wat te doen?” herhaalt Smit: „te beginnen met deur en vensters open te zetten, een goed gelaat te toonen, en dat rapalje met goede woorden te paaien tot er ontzet komt.”
—„Den boel openzetten!” roept Grietje met verbazing uit: „maar dan zullen zij binnenkomen en ons plunderen.”
—„Dat zouden zij toch al hebben kunnen doen,” zegt Smit: „en dat jelui ’t ontkomen zijt, is alleen, omdat het hun aan een hoofdleider mangelt. Zooveel althans heb ik er al van gezien, dat zij nog besluiteloos zijn: en daarom: openzetten! door u schuil te houden, versterkt gij slechts die lieden in hun kwaad vermoeden.—Het gepeupel slacht de honden: als men hun ontloopt of voor hen wegschuilt, blaffen en bijten zij: als men hen fiks in de oogen kijkt, loopen zij druipstaartende weg.”
—„Ik geloof, dat buurman gelijk heeft,” zegt Mevrouw De Ruyter, die met de komst van Smit haren moed, die door ’t gejank van dochter en meiden wat gezakt was, geheel had voelen herleven; en, meteen naar ’t raam tredende, opent zij de vensters, schuift de grendels van de luiken en stoot deze naar buiten.
Nu ontstaat er een dof en rondloopend rumoer onder ’t grauw, maar toch blijkt het, dat de raad van Smit goed geweest is; want vooralsnog blijft de volkshoop zich bepalen bij uitroepen, als: „kijk daar is ze! en ’er dochters ook! wat ’n astrantigheid, dat ze d’r brutale bakkes zoo vertoonen durven!”
—„En nu, buurvrouw!” herneemt Smit: „houd het mij ten goede zoo ik u voor een oogenblik weer verlaat. Zoo men u iets vraagt, geef goed bescheid, en maakt men het u te lastig, dan ben ik in een ommezien weer bij u. Ik blijf in de buurt; want ik ga niet verder dan Dirk Duizend, om met hem te overleggen hoe wij u best helpen: en ik hou vandaar een oog in ’t zeil.”
En, de daad bij ’t woord voegende, stapt hij weder ter deure uit, door den volksdrom heen, tot aan het vierde huis, dat door zijn Vendrig, Dirk Duizend, wordt bewoond. Ook deze heeft reeds voorzien, dat zijn dienst zal gevorderd worden en staat zijn hopman in de deur te wachten.
—„Dat is een gekke boel, Duizend!” zegt Smit, zoodra hij binnen is.
—„Dat zeg je wel, Kapitein!” is ’t antwoord: „maar wat is er nu van je orders?”
—„Ik heb reeds om de manschappen gezonden,” zegt Smit: „plant jij nu ’t vendel in je stoep, dan weten zij, waar zich te vereenigen.”
—„Al ree!” zegt Duizend, en het vendel, dat in een hoek der kamer klaar stond, opnemende, begeeft hij met Smit zich naar buiten en steekt het door de ijzeren ringen, te dien einde aan de leuning bevestigd.
—„Wat moet dat?” wordt straks van alle kanten geschreeuwd, door hen, die een duister vermoeden hebben van hetgeen volgen zal: „wat moet dat Vendel?”
—„Wel mannen!” antwoordt Smit: „zie je niet aan mijn ringkraag en bandelier, dat ik vandaag de wacht heb? Of hadt jelui liever, dat de Muiderpoort onbezet bleef, en de Françoizen er op hunne sloffen binnen konden komen?—Jelui lijkt wel stapel zot, om je over zoo’n natuurlijke zaak te verwonderen, als dat ik mijn vendel opsteek, waar mijn volk bij vergaderen moet. Kom, maakt wat ruimte! ik moet weer naar mijn huis.”
En met deze woorden de gemoederen, wat het opsteken van ’t vendel betreft, gerustgesteld hebbende, begeeft hij zich weder naar den kant der bedreigde woning heen, waar hij heeft bespeurd dat zijne tusschenkomst noodwendig gevorderd wordt. Immers is daar, terstond na zijn vertrek, het rumoer al meer en meer luidruchtig geworden: woeste kreten, scheldwoorden, bedreigingen, volgen elkander op: menige vuist is gebald, menige arm heeft zich opgeheven: en reeds heeft dezelfde fielt met het roode buis, die Smit gedreigd had met het lot van De Witt, zich gebukt om een steen los te maken en zoo het eerste sein tot vernieling en plundering te geven.
—„Hei wat!” zegt Smit, den vent plotseling bij den arm grijpende: „wie heeft jou tot Stads-stratemaker aangesteld?” en voorts, ziende dat zijne vraag de omstanders doet lachen, gaat hij, zich nu tot hen wendende, voort:
—„Is er een onder jelui, die dezen man kent?—Niet?—Nu! dan zullen de rakkers van den Schout hem wel kennen.” En meteen stoot hij den boef van zich af, die, bemerkende, dat hij voor ’t oogenblik de lachers niet op zijne zijde heeft, zich brommende onder de menigte terugtrekt.
—„En nu,” vervolgt Smit, terwijl hij, met een voet op de onderste trede van De Ruyters huisstoep, met de eene hand den knop van de leuning omvat, de andere, waarin zijn geduchte rotting geklemd is, zoover mogelijk uitgestrekt houdt en in die houding als ’t ware post vat om de woning te beschermen: „en nu, vertel jelui mij eens, wat je hier toch komt zoeken?”—
Ieder, zoowel de vrouwen, die daar binnen doodsbleek voor ’t raam staan, als de volksmenigte daar buiten, begrijpt, dat het hachelijk oogenblik gekomen is, dat aan den staat van spanning, waarin men over en weder verkeert, een einde maken moet. Er is eene minuut stilte, en dan klinkt het opeens:
—„Dat weet je immers wel!’”
—„Hoe drommel wil ik ’t weten?” vraagt wederom Smit, „als niemand het mij zeit. Ziet, je kent mij allen voor een Amsterdammer van ouder tot ouder, en die ’t wel meent met den Prins, met de Stad en met de Burgerij, en heb je reden van klagen, dan zal ik je voorspraak wezen, al was ’t bij Burgemeesteren:—en zegt nu wat je te zeggen hebt.”
—„Wel!” roept een stevige varensgast: „als je ’t dan niet weet, dan zal ik het je zeggen. De Admiraal, die schelm, heit zich deur De Witt laten ompraten om ’s Lands vloot aan de Françoizen te leveren.”
En nu er een het ijs gebroken heeft, raken alle tongen los.
—„Hij heit er honderdduizend kroonen voor ontvangen,” roept eene vrouw.
—„Hij zou voor ieder van onze arme mannen een dukaton genieten,” roept eene andere.
—„Maar hij is gelukkig intijds gepakt, voordat hij het schelmstuk volbrengen kon,” schreeuwt een derde.
—„Ja sekuur,” roept de guit met het roode buis, die nu weer de poppen aan ’t dansen hoopt te brengen: „ik heb hem gisteren, aan handen en voeten geboeid, in Den Haag op de Voorpoort zien brengen.”
—„Heb je?” vraagt Smit, droogjes weg: „ja vriend! ik geloof wel, dat je met de Voorpoort en andere gevangenissen goed bekend bent; maar of je den Admiraal juist kent, dat ’s een tweede.—En nu buurvrouw! je hoort, wat die menschen zeggen: wat heb je daar nu op te antwoorden?—Stilte daar!—wij kunnen wel te gelijk zingen; maar niet te gelijk spreken.”
—„Ja! ja! stilte!” roepen nu de bezadigdsten onder den hoop: „wij moeten hooren, wat de vrouw te zeggen heit.”
Mevrouw De Ruyter was bij de eerste beschuldigingen, tegen haren man ingebracht, niet weinig van haar stuk geraakt; want zij gevoelde, dat zij niet veel anders daar tegen in kon brengen dan betuigingen, die geen geloof zouden verdienen; maar de logen, door den man in ’t rood uitgekraamd, hoe kwaadaardig ook, is haar welkom, omdat zij dien voor ’t minst met een onwederlegbaar bewijs kan tegenspreken. Bemoedigd steekt zij dan ook het hoofd naar buiten en roept met heldere stem:
—„Die man dáár vergist zich, ik heb vandaag nog een brief van mijn man, die gisteren is geschreven, en waarin hij mij bekend maakt, dat hij met ’s Lands vloot eerstdaags de vijanden weer hoopt te gaan opzoeken.”
—„Hoor jelui ’t?” vraagt Smit; en toen, zich haastig naar Mevrouw De Ruyter keerende: „den brief! den brief!” zegt hij: „spoedig!—Nu zel jelui ’t zelven lezen,” vervolgt hij tot het grauw: „Hier! is er een onder jelui, die met de hand van den Admiraal bekend is?” en meteen houdt hij den brief, dien Mevrouw is gaan halen en hem toegestoken heeft, geopend in de hoogte.
—„Ik! ik!” roepen eenige stemmen: en een half dozijn burgers treden na voren: met een snellen blik op hen te werpen, overtuigt zich Smit, dat er onder hen althans twee of drie zijn, wier uitzicht vertrouwen inboezemt, en zonder aarzelen stelt hij den brief aan een van dezen ter hand.
—„Daar.” zegt hij, „lees, en je zult zelf erkennen, dat bedriegers ’t volk misleiden en dat al wat men van omkooperij en gevangenis spreekt, louter verdichtselen zijn.”
—„Ja waarachtig!” roept de toegesprokene, na den brief gelezen te hebben, „’t is de hand van den Admiraal, en dag en plaats komen uit!”
—”’t Is zoo, bij me zolen!—ja zeker het is zoo!” zeggen anderen, die, om den eersten spreker heengedrongen, mede een kijkje in den brief gekregen hebben.
—”’t Is een nagemaakt schrift,” mompelt Roodbuis, terwijl hij nader sluipt.
—„Kan jij dat daar van daan zien?” vraagt Smit: „dan moet je al bijster goeje oogen in je bol hebben.—In allen gevalle, als jelui beter zekerheid wilt hebben, gaat om naricht naar ’t Stadhuis of naar de Admiraliteit.”
—„Wel ja!—hij wil ons met een kluitje in ’t riet sturen!” roept hij met het roode buis en eenige andere van zijne gasten: „of wij gek waren!—zoo laten wij ons niet afschepen.”
—„Maar ’t is toch zijne hand,” voeren de meest bezadigden hiertegen in: „en als de Admiraal niks gedaan heeft, dan is ’t uit!”
—„Neen, ’t is niet uit!” bulkt een ander, „al is de man niet gevangen, daarom blijkt het nog niet dat hij geen landverrader is: hij kan wel aan zijne vrouw schrijven wat hij wil.”
—„Wij moeten eerst onderzoeken,” zegt een van de welgezinden.
—„Wat onderzoeken! Jij heult misschien ook al met die landverraders.”
—„Ik met verraders heulen! Een schelm, die ’t zeit.”
—„Hawaar!” brult de ander, hem een slag gevende;—en nu ontstaat er een gevecht tusschen de twee, waarin straks anderen zich mengen, ’t zij om te scheiden, ’t zij om aan te hitsen.
—„Tijd gewonnen! Alles gewonnen!” roept Smit met een zegevierenden glimlach Mevrouw De Ruyter toe:—„en nu, kanaljes! scheer je de stoep af! Holla hier mannen!”
Hij had reeds hellebaarden en sabels zien glinsteren voor de stoep van zijn Vendrig, en nu, terwijl hij met sterke vuist een voor een drie of vier van de knapen, die op de stoep hadden post gevat, in de kraag neemt, drijft hij hen met rottingslagen vandaar, waarop hunne makkers, voor dezelfde behandeling beducht, een goed heenkomen zochten. Onderwijl rukt Duizend met het vaandel en een dozijn gewapende schutters aan en vat nevens hem post voor het huis.
—„Wat beduidt dit?” roepen nu niet weinigen onder ’t volk, hunne dreigende gebaren hernieuwende.
—„Dat beduidt,” antwoordt Smit, op forschen toon, „dat ik met mijn volk naar de poort moet, waar de Françoizen hun eersten aanval zullen doen, en er bijtijds moet wezen, om hen af te wachten. En nu, ruimbaan! daar komen mijne Wilde Ieren!”
En inderdaad, eene geheele compagnie, die in de wandeling met dien naam geheeten wordt, komt in ’t volle geweer van den kant der West-Indische pakhuizen aangerukt, dringt door den volkshoop heen en schaart zich voor het huis. Terstond deelt Smit nu zijne bevelen uit, laat de nieuwe Schipperstraat door drie gelederen musketiers bezetten, met last, indien ’t grauw wilde doorbreken, daaronder te schieten: en zijne overige manschappen, wel tweehonderd sterk, voorgaande, drijft hij met rottingslagen de menigte tot aan zijn huis terug. Nu de handen wat ruimer hebbende, geeft hij den zijnen bevel, zich gereed te maken, en gebiedt, dat, bij de minste verdachte beweging van ’t gepeupel, de musketiers zullen aanleggen en de piekeniers hunne pieken vellen. Maar nog bedaart het woest getier der menigte niet, die weer naar voren en op de pieken aandringt. Hoe gaarne Smit eene bloedstorting wil voorkomen, hoe hij aarzelt last tot schieten te geven, toch vreest hij, er toe te zullen moeten overgaan, wanneer zijn getrouwe Willem hem op zijde komt.
—„Patroon!” fluistert hij: „zie je die tjalk wel, daar in ’t water, die niet verder kan? Als wij die eens praaiden.”
Smit wendt het oog naar de hem aangewezen richting, en ziet werkelijk een dier gewapende uitleggers, welke ik hierboven verhaald heb, dat de Regeering in dienst genomen had, die met moeite zich een weg zoekt te banen tusschen de schuiten, die, propvol met toekijkers geladen, in het IJ liggen:—zonder zich lang te bedenken, haast hij zich naar den walkant en roept:
—„Kaptein! ben je genegen den vromen Admiraal van dienst te zijn, en zijn huis tegen dat geboefte te beschermen?”
—„Den Admiraal De Ruyter?” antwoordt de bevelvoerder van den uitlegger: „wel zeker ben ik: ik heb niet voor niemendal zeven jaren bij hem aan boord gevaren. Hier mannen!—duwt me die schuiten eens aan een zij; haalt de stukken boven, en dan zullen wij zien, of wij de kust niet schoon kunnen houden.”
Zoo gezegd zoo gedaan: het vaartuig werkt zich tot voor den wal! Zes stukken geschuts vertoonen weldra op het dek hunne gapende monden, en worden met schroot geladen, tot niet weinig schrik van de opeengepakte rumoermakers!—en, om hunne ontsteltenis nog te vergrooten, doet zich van verre hoefgetrappel hooren en komen weldra achttien gewapende ruiters, door Burgemeesteren, op ’t bericht van Smits Luitenant, naar ’t bedreigde punt gezonden, in vollen galop aangerend. Smit ziet met wat ongestuime drift zij toesnellen, en hoe zij, op die wijze voortgaande, allicht een honderdtal van de op elkaar gepakte menigte in ’t water zullen drijven: en, nu zelf het grauw in zijne bescherming nemende, treedt hij hun te gemoet en verzoekt hen, zich in ’t gelid te stellen en zachter te rijden. Maar nauwelijks heeft hij hen voor het huis en onder zijn bevel, of hij hernieuwt met hunne hulp zijne poging, om de moedwilligen terug te dringen, die hij dan ook werkelijk tot voorbij de nieuwe Bantammerstraat weet te drijven; terwijl hem dit pas gelukt is of de Oud-Schepen en Raad Kornelis Roch komt aan ’t hoofd van zijn burgervendel gezegde straat uit tot zijn bijstand. Geen half uur is er verloopen, of vier andere vendels zijn in de wapenen aangerukt, en ’t grauw, zijn toeleg verijdeld ziende, is van lieverlede naar alle zijden en van ’t eiland verstoven.
—„Zie zoo, Buurvrouw!” zegt Smit tot Mevrouw De Ruyter, „nu kan je gerust deur en vensters weer sluiten en een glaasje voor den schrik drinken. Ik kuier met mijn vendel naar de Muiderpoort, doch er blijft volks genoeg achter om u te beschermen.”
En, zonder de dankbetuigingen der gerustgestelde vrouwen af te wachten, zet hij zich aan ’t hoofd van zijn vendel en trekt naar zijne wacht; terwijl het Waalseiland dien dag en den geheelen nacht door de vier versch gekomen compagniën bewaakt blijft, die er niemand op laten dan wie er thuis behoort.
Het logenachtige van de verspreide geruchten was inmiddels gebleken: die ter goeder trouw er aan geloofd hadden, zagen in, dat zij bedrogen waren geweest, en die ze met een boos opzet uitgestrooid hadden, dat hun kans vervlogen was.
Zoo was, door de kloeke welberadenheid van één man, eene beroerte gestild, die de schromelijkste gevolgen had kunnen hebben; en dat, zonder dat er een droppel bloeds vergoten was.
In de gracht.
Nog steeds staan wij aan den IJkant, waar wij ons aan het slot van het vorige Hoofdstuk bevonden. Maar, vijf-en-dertig jaren zijn verloopen, en anders, maar niet minder levendig en gestoffeerd is de watervlakte. Toen de voorvallen plaats vonden, die stof gaven tot het laatste, door ons geschilderde tafereel,—was de vijand in ’t land en op de kusten, en waren de toegangen tot de machtige koopstad van alle zijden belemmerd. Thans, al moge ook de Staat, de krachtige politiek van Willem III voortzettende, nog voortdurend met Frankrijk in oorlog zijn, en al moge ook nu en dan een kaper van Duinkerken onzen handel afbreuk doen, de schepen der bevriende natiën weten den weg naar Amsterdam te vinden en geene vlag, die niet hier voor onze oogen wappert, geen koopwaar, onbewerkt of bewerkt, die niet hier aangebracht of vanhier vervoerd wordt. Maar ook de schepen, op eigen erf gebouwd, woelen en krioelen hier in steeds toenemende hoeveelheid dooreen: ’t zij die uit Ceylon, uit den Indischen Archipel, of uit de havens van den Indischen zeeboezem gekeerd, hier de geurige specerijen, of stofgoud of elpenbeen, of andere kostbare en kostelijke voortbrengselen van die gewesten met zich voeren: ’t zij die in de West-Indiën hunne ladingen koffie, suiker en verfhout hebben ingenomen: ’t zij die geurige thee en prachtig porselein uit China, of tin uit het verre Japan, of pelterijen uit Archangel, of hout uit Noorwegen, of ijzer uit Zweden, of graan uit Dantzig aanbrengen, of uit de Levant de zijde, waarmede de vermogende Amsterdammers zich zelven, of den ballast van prachtig marmer, waarmede zij hunne gangen en voorportalen zullen versieren: ’t zij die van de walvischvaart keeren met overvloed van traan en walrustanden, of van Spanje met de goud- en zilverertsen van Mexiko en Peru.
Maar het zijn niet alleen de groote zeekasteelen van uit- of inheemschen bouw, die hier de breede watervlakte vullen: ’t zijn, tusschen hen door en om hen heen, de kleinere vaartuigen voor de kustvisscherij of voor die op de binnenwateren bestemd: ’t zijn de tallooze beurt- en marktschepen, tjalken en smakken uit de eilanden en uit al de havens aan IJ of Zuiderzee hier samengekomen: ’t zijn boeiers en speeljachten, in de Stad zelve, aan de Zaan, te Haarlem, te Hoorn, ja waar niet al thuis behoorende: ’t zijn lichters, die de diepgaande koopvaarders van hunne lading hebben ontlast: ’t zijn sloepen, die bij de oorlogsvaartuigen behooren, op Pampus geankerd: ’t is in éen woord elke soort van vaartuig, klein of groot, welke zich de verbeelding schier zou kunnen voorstellen, alle zeker, welke de scheepsbouwkunst in ’t wezen geroepen heeft.
Tusschen al die vaartuigen door baant een klein, maar vlugzeilend jacht zich een weg:—het voert geen in goud gevat wapen op den spiegel, noch eenig ander teeken, dat van den rang des eigenaars getuigt: het is geen adviesjacht; want het heeft geen wimpel met het wapen van eenige Admiraliteit in top: het is geen pleziervaartuig; want het mist dat kunstige snijwerk, die prachtige kleuren, dat blinkend goud en verlaksel, waarmede het in dat geval zou pronken; het is blijkbaar alleen gebouwd met het oog op stevigheid, kracht en snelheid: en wie eenige kennis van het zeewezen bezit, kan met een oogopslag onderscheiden, dat dit vaartuig moedig den storm het hoofd zal bieden, ongedeerd menigen stoot verduren, en, uit welken hoek de wind ook waaie, zich niet licht de loef door een mededinger zal laten afsteken:—en wij, die gaarne een zoodanig vaartuig zien en trachten te weten, wien het toebehoort, wij volgen het met het oog, nu het met eene zwierige wending, eerst door eene der openingen in het paalwerk, dat de stad omheint, vervolgens door de geopende Kikkerbil-sluis heenzwaait en voortstrijkt langs de Kalkmarkt. Terwijl zeilen en mast gestreken worden, springt een flinke knaap, oogenschijnlijk van ongeveer twintigjarigen ouderdom, haastig aan wal met de opgeschoten lijn, waarvan hij reeds het uiteinde aan een klamp aan boord bevestigd heeft; die lijn ontrolt zich naarmate hij ijlings verder spoedt, en hij maakt zich gereed, het vaartuig voort te trekken: eene flinke deern, wier gelaatstrekken u geen oogenblik doen twijfelen of zij is de zuster van gemelden knaap, neemt een handboom op, stoot het vaartuig van wal, en begint met rustige kracht te boomen.—Het moge voor ons gevoel iets stuitends hebben, zulk een zwaren arbeid door eene vrouw te zien verrichten, toch beweert de „ongevoelige” faculteit, dat eene malsche vrouweborst, hoe teeder en zwak in schijn, daartegen, zoowel als tegen het in ’t lijntje loopen beter bestand is dan de ruige borst ook des sterksten mans.—Aan ’t roer staat een kloekgebouwde grijsaard, die, terwijl hij met welgevallen de oogen om zich heen slaat, met niet minder welgevallen den geurigen damp schijnt te genieten, die uit het neusbrandertje voortkomt, dat hij tusschen de tanden houdt vastgeklemd. Eene vrouw, weinig jonger dan hij, en een aankomend meisje, houden zich intusschen bezig met het aftuigen en wegwerpen der zeilage; ’t is klaar, dat men vooreerst geen plan meer heeft die te gebruiken.
Het is onbetwistbaar een huisgezin, dat wij voor ons hebben, een huisgezin, dat uit man, vrouw en drie kinderen bestaat:—immers in de gelaatstrekken, zoo van den knaap als van de beide vrijsters, vinden wij die van vader en moeder terug:—en even onbetwistbaar schijnt het, dat dit huisgezin de geheele bemanning uitmaakt. Nu! ’t zijn ook allen krachtige, door zon en wind verbrande en verweerde tronies, waarop de echte zeemans ongedwongenheid en zeemans-koenheid te lezen is: en toch, er is iets in de levendigheid van den blik, die allen, ouderen en jongeren, onderscheidt, dat ons aan iets anders, dan aan gewone varenslieden denken doet. Wie zijn zij? Vanwaar komen zij?—De vader is een Hollander, zoo wij op gelaat en voorkomen afgaan; maar hadden wij een der kinderen afzonderlijk ontmoet, wij zouden geaarzeld hebben in het wagen eener gissing aangaande den landaard, waartoe het behoort. Het raadsel wordt ons echter opgelost, wanneer wij de moeder met aandacht beschouwen: die gekroesde roodblonde haren toch, die sterk geteekende kinnebakken, die zomersproeten zelfs, bij ongewone regelmatigheid van trekken en ongemeene doorschijnendheid van vel, ’t welk b. v. aan den nek, waar het niet door den invloed van zon en luchtsgesteldheid geleden heeft, met hagelblankheid tusschen de krullende lokjes doorschittert:—dat alles te zamen spreekt van ’t oude Angel-Saxische bloed, en zij, die wij voor ons zien, kan niet anders wezen dan eene dochter van Albion. Zelfs schijnt het, dat zij voor ’t eerst in Amsterdam zich bevindt; want, al gaat zij ijverig voort met den arbeid, waar zij aan bezig is, toch werpt zij nu en dan een blik om zich heen, die van nieuwsgierigheid getuigt. Wel is waar—en dit toont aan, dat zij een echte telg van Engeland is—geen trek op haar gelaat ontplooit zich en zij schijnt over de wonderen der wereldstad noch opgetogen, noch verbaasd, op zijn best bevreemd. Nu en dan een zweem van goed-, niet zelden een zweem van afkeuring is al, wat hetgeen zij opmerkt, bij haar teweegbrengt. Maar sterkeren indruk maakt het tooneel, dat haar omringt, op het zestienjarige dochtertje: de oogen van het meisje tintelen als sterren van vroolijke opgewondenheid en, keer op keer, wanneer in de rij der huizen, die zij langs varen, een fraai gestoffeerd magazijn, een sierlijke gevel, of wat ook door praal of bouwtrant de aandacht wekken mag, of wanneer op de kaai deze of gene Friesche of Zaanlandsche vrouw met haar prachtig hoofdtooisel, of een Armeniër met zijn tulband en kaftan, of een Perziaan, of een Amsterdamsche pronker, of zelfs een citroenjood met zijn baard en zijn samaar zich aan hare oogen voordoet, tikt zij, met een vroolijken lach, soms met een uitroep van dartele blijheid, hare moeder op den arm, om de aandacht van deze op dat ongewone voorwerp te vestigen.
De lijn is alreeds een paar keeren in- en weder uitgegooid: en het jacht is de Sint Antonies-, is de Zwanenburgerbrug door-, den breeden Amstel opgevaren; ook hier moet de lijn weder ingenomen, zoodra men de Blauwbrug is doorgekomen, want aan wederzijden ligt het vol van Keulsche aken en die Samereuzen-(Sambre et Meuse) schepen, naar welke de hooge Amstelbrug daar in de verte bij sommigen den naam voert van Samereuzen-brug—een naam, zoo kluchtig in de dagen der omwenteling, Franschgezindheid en sentimentaliteit vertaald met pont des amoureux;—wat echter nog minder gek was dan de later in zwang gekomen benaming van „Hooge Sluis.” Immers, verliefden mag men er nu en dan aantreffen; maar een sluis is niet dan op eerbiedigen afstand te vinden.
Om tot ons jacht weder te keeren, de broeder is, nu het trekken onmogelijk werd, weder aan boord gesprongen, en helpt zijne oudere zuster in het verrichten van hare moeitevolle taak. Maar het zwaarste is volbracht. Het jacht zwaait rechts de Keizersgracht in, en, na nog de brug, die de Utrechtsche-straten aan elkander verbindt, onderdoor te zijn gevaren, houdt het op de kaai aan, wordt aan een paar ringen vastgelegd en kiest hier als in veilige haven, zijne ligplaats voor dezen tijd. De schipper heeft zijn roer vastgezet: zijne vrouw en jongste spruit hebben alles geborgen wat te bergen viel: broeder en zuster de handboomen weder in de mikken gelegd, en het geheele gezelschap zich binnen de kajuit begeven, om na gedaan werk eene welverdiende rust te smaken, en zich met een stevig ontbijt te ververschen.
De dag van morgen is gekomen: het jacht ligt nog terzelfder plaatse aan de kaai vastgemeerd; doch niemand is op het dek te zien. Zouden allen het verlaten hebben? Wij willen dit eens onderzoeken en ten dien einde stappen wij aan boord, treden de kajuit binnen, en.... staan geheel versteld van het onverwachte schouwspel, dat zich aan ons voordoet. Niets, dan alleen de achteroverhellende stelling der vensters tegenover ons, herinnert, dat wij ons hier in een vaartuig, en in het gewone verblijf eens schippers bevinden; al het overige roept ons toe: gij betreedt eens schilders werkplaats, of liever, om geen twijfel aangaande de beteekenis van die twee woorden over te laten, een atelier.
Rechts, links, tegenover de vensters, is, van boven tot onder, de wand bedekt met teekeningen, met platen, met schilderijen, in de meeste waarvan, zoo niet dezelfde manier, dan zeker dezelfde hand niet te miskennen valt. In de schaarsche tusschenruimte hangen linialen, haken, teekenstokken en verdere behoeften eens kunstenaars. Op de tafel en op de vensterbank staan pleisterbeeldjes, bronzen en houten figuren, van allerlei vorm en soort, modellen van schepen en gebouwen, tusschen rollen prenten en teekenpapier. De zitting van de vaste bank zelve is gedeeltelijk opgeslagen en toont ons, in de holte daarvan verborgen, een aantal doozen, met penseelen, kwasten, doezelaars, potlooden, krijt, kokers, tempermessen en wat dies meer zij, of met blazen verf gevuld: ook potten, sponzen en anderen noodwendigen voorraad. De half uitgehaalde tafellade zien wij insgelijks voorzien van teeken- en schilderbehoeften, en wel voornamelijk van de zoodanige die bij den arbeid het onontbeerlijkst zijn, of die de meeste waarde bezitten. Aan de tafel zit een jong mensch, ijverig bezig eene der schilderijen, die tegenover hem aan den wand hangt, na te teekenen. ’t Is een jongeling van een bevallig voorkomen, en al zit hij, om beter op zijn gemak te zijn, zonder rok aan ’t lijf, toch kan men het hem aanzien, dat hij niet onverschillig is omtrent zijn uiterlijk voorkomen, en dat hij smaak met zorg vereenigt bij zijn streven om er betamelijk, ja behaaglijk uit te zien: want zijne fraaie bruine lokken glinsteren u welriekend tegen: zijne hemdsmouwen zijn van fijn en helderblank linnen, en eene rijke kanten das is niet zonder zwier om den hals gestrikt: het lichtbruine satijnen vest is bezaaid met zilveren bloempjes, de broek, van grijs satijn, boven de knieën vastgestrikt met rooskleurige linten: rooskleurige satijnen kousen bedekken de beenen, en Moorsche pantoffels, van gouddraad gestikt, versieren de voeten. Nevens hem, in ’t midden der kajuit, staat een bruinhouten schildersezel, waarop een half afgewerkte schilderij, een riviergezicht voorstellende, met welks voltooiing zich de ontwerper daarvan bezig houdt: deze is een man, naar ’t schijnt van den middelbaren leeftijd, wien eene fraaie blonde pruik over de schouderen hangt. Zijn rok van bruine sergie is eenvoudig, maar net en voegende aan zijn stand; even eenvoudig vest en broek: en de kousen van fijn touwwerk, zoowel als de hooge zwarte schoenen van deugdzaam Spaansch leder, spreken evenzeer van stemmigen eenvoud. Op de bank, aan een der hoeken, zit eene reeds op hare jaren komende en toch niet onbevallige vrouw aan een borduurraam te werken. Hare kleeding, hoewel geen bepaalde zucht tot opschik, veelmin eenige wansmaak verradende, heeft toch, door snede en kleurmengeling iets, dat als ongewoon de aandacht wekt. De moesjes, waarmede ’t gelaat spaarzaam bezaaid is, mogen al eene zeer gebruikelijke tooi zijn en het kapsel niets hebben dat bijzonder afwijkt van de heerschende mode, de achter op ’t hoofd gedragen hooge kanten muts, hoedanige wij uit de afbeeldingen van dien tijd kennen, verschilt eenigszins in fatsoen van die, waarmede in Holland de dames gewoon zijn uit te gaan: en de laatstgemelden zouden oordeelen, dat de oranjekleurige samaar wel wat scherp afsteekt tegen het blauwe onderkleed; ook zouden zij het vreemd vinden, dat de onbekende, bij ’t borduren, de gemslederen handschoenen niet heeft afgelegd, die de handen en een gedeelte van den arm bedekken. Maar gewis zouden zij geene aanmerkingen maken op de smaakvolle kleeding der twee lieve meisjes, bij elkander in een hoek der kajuit gezeten, en waarvan de oudste zich met naaiwerk bezighoudt, terwijl de andere een boek in handen heeft, waar zij overluid aan ’t gezelschap uit voorleest. Beider dracht is gelijk van stoffage en kleur en snede: parelgrijze samaren met rozeroode garneersels, over groene onderkleeden: het haar gekapt à la Sévigné en grijze zijden kousen met goudlederen schoentjes.
Gewis, een tafereel, als ’t geen zich hier aan u voordoet, waart gij verre van te verwachten; maar uwe verwondering moet nog hooger stijgen; want nu gij aandachtiger de gelaatstrekken der aanwezigen opneemt, nu begint bij u een vermoeden te ontstaan, dat—ja, al schijnt het ongeloofelijk, het is zoo—weldra bij u tot zekerheid wordt:.... de personen, die gij voor u ziet, zijn dezelfden, die gij gisteren zaagt: die net gekleede teekenaar droeg gisteren een schippersbuis en liep in ’t lijntje: die zedig gekleede jonge juffer boomde gisteren het vaartuig door de stadsgrachten: die matrone in ’t oranjekleurig damast hielp gisteren de zeilage bergen: die schilder eindelijk stond gisteren in zijn duffelsche pij als stuurman aan ’t roer.—Zulk eene hervorming brengt verandering van uiterlijke dracht teweeg; vooral als eene blonde pruik dienst doet om grijze haren, moesjes om zomersproeten, handschoenen om de vereelte handen te dekken, en een nieuwmodisch fatsoen van kleedij om aan de gestalte en ledematen een schijnbaar geheel anderen vorm en andere bewegingen bij te zetten.
Maar wie is nu die huisvader, die beurtelings schipper en schilder is?—Een weinig geduld, lezer! wij zullen ’t weldra vernemen.
„Leg nu het boek van den vromen ouden Bunyan maar terzijde,” zegt de man, en wel in ’t Engelsch, tot zijne dochter; „het is elf uren en ik denk, dat wij weldra bezoek zullen ontvangen.—En gij, Robbert! mocht wel denken, uw rok aan te trekken: het past niet, dat men u in uwe hemdsmouwen aantreffe.”
„’t Is zoo warm, vader!” antwoordt de jonkman: „ik begrijp zelfs niet, hoe gij ’t uithoudt met die pruik. En dan, voor wien zou ik mij geneeren? Voor dien ouden beunhaas, dien wij wachten?”
„Gerrit Van Uilenburg is een man, die zijn vak verstaat, en zelf schilder geweest is,” herneemt de vader: „bovendien de vraagbaak van al wie schilderijen koopen of bestellen wil, de man, die reputaties kan maken of afbreken naar verkiezing, en dien het in geen geval zaak zou zijn, ontevreden te maken; bij dat alles, en dit ware reeds genoeg, een man van jaren;—doch al kwam er niemand, gij weet bij ondervinding, ik hou er niet van, dat een der mijnen er verwaarloosd of verwilderd uitziet. Hoe meer wij ons, zoo dikwerf wij op reis zijn, in eenvoudige varenslieden vervormen, hoe meer het noodig is, dat wij met het schipperspak ook alle plompheid en ongemanierdheid afschudden en als deftige lieden voor den dag komen. Zoo gij op een enkel punt vergeet, u als een gentleman voor te doen, gij loopt alras gevaar, u in meer dingen te veronachtzamen, en wanneer ik mij die lastige pruik getroost, kunt gij u een rok getroosten; daarom niet langer gedraald.”