Note 44 — In en over Amsterdam. (continued 3)
Reading edition
Niet eene van al die gissingen is juist. De man, die hier in dit eenvoudige huis woont, maar die zich voor ’t oogenblik niet daarbinnen en zelfs niet in de stad bevindt, heeft in zijn reeds langdurigen en in lotgevallen buitengemeen rijken levensloop, nimmer in de verste verte aanleiding verschaft, dat aan eene beschuldiging, als die, welke zoo even ondersteld werden, voet zou kunnen worden gegeven:—en ik heb zijn naam slechts te noemen, om aan te toonen, dat, wat men hem ook ten laste kunne leggen, hem stellig geene slechte streken of wandaden kunnen toegeschreven worden van zoodanigen aard als straks genoemd werden. Daartoe staat hij te hoog, en, is hij misdadig, dan moet zijne misdaad in evenredigheid staan met zijne stelling in de maatschappij. Immers, die man moge in eene nederige en onaanzienlijke woning huizen, hij moge, wanneer hij zich daar bevindt, het leven leiden van een doodeenvoudig burgermannetje, zich aan den disch vergenoegen met gezouten vleesch, stokvisch, ingeleide snijboonen en rapen, en hij houde met vrouw en dochter er geen ander dienstpersoneel dan twee meiden op na, toch bekleedt hij den hoogsten rang, dien een gewoon burger buiten de Regeerings-Colleges bereiken kan; toch is hij Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland, Luitenant-Admiraal-Generaal van ’s Lands vloot, door den Koning van Denemarken met brieven van adeldom, door dien van Frankrijk met de orde van Sint Michiel, en, wat meer dan al het voorgaande zegt44, door de Regeering van Amsterdam met het Grootburgerschap beschonken: en hij geeft antwoord op den naam van Michiel Adriaansz. De Ruyter.