← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

In en over Amsterdam. (continued 4)

Reading edition

Robbert zwijgt, en, zij het met een zuur gezicht, hij trekt den rooden rok met gewerkte knoopen aan, die aan een knop hangt. Terwijl legt zijne moeder ook nog een loodje in ’t zakje.

„Ja,” zegt zij, „wat men wordt als men zich zelf verwaarloost, dat blijkt uit het onderscheid tusschen de boeren hier en in Engeland. Bij ons in Engeland wascht een boer zijne handen als hij thuis komt, trekt zijn werkbuis uit, doet zijn rok en schoon linnen aan, kleedt zich als een gentleman en is in niets van Lord A. of Sir John B. te onderscheiden; hier in ’t land smijt een boer ook zijn buis uit, maar wascht zich niet, trekt niets aan, valt plomp aan de etenstafel neer, en eet, bless my life, in zijne hemdsmouwen en met den hoed op den kop!—en zoo blijft hij ook een kinkel in de oogen van iedereen.”

Het blijkt dat de vermaning juist bijtijds gegeven is; want hier wordt de vrouw—van den huize had ik bijna gezegd—in hare rede gestoord door een tikken op de kajuitsdeur, die terstond daarop geopend wordt: een oud mannetje in deftige burgerkleeding brengt eerst het hoofd, vervolgens het geheele lichaam binnen.

„Welkom, sinjeur Gerrit Uilenburg!” zegt de vader des huisgezins, deze reis niet in ’t Engelsch, maar in een Hollandsch, waarvan hem de uitspraak terstond als een echten Amsterdammer kenmerkt: „dat is braaf van je, dat je me zoo terstond komt opzoeken.”

„Stil! stil!” zegt Uilenburg, den wijsvinger voor den mond brengende en half bedeesd achter zich ziende: „ik ben niet alleen,” en meteen, ter zijde schuivende, laat hij den doortocht vrij aan een heer in ’t bruin fluweel, met een rijkgeboorden hoed, een kolossale pruik en een stok, met een hoogen knop, van amber en gouden kwasten voorzien, en fluistert: „Burgemeester Pancras!”

Op dien naam buigen vader en zoon zich diep en nijgen moeder en dochter eerbiedig tot den grond: terwijl allen het stilzwijgen bewaren, dat voegt tegenover zoo aanzienlijk een personage.

„Ik ontmoette Zijn Edel Achtbare juist op de Reguliersgracht en Z. Ed. A. was zoo goed mij staande te houden om wat over kunst te praten, en toen Z. Ed. A. hoorde, dat ik naar u toeging, behaagde het Z. Ed. A. te zeggen, dat Z. Ed. A. zelf zulk een ongewone vertooning wenschte te zien, als eene schilderswerkplaats in een vaartuig.”

„Het is niet alleen om het ongewone der vertooning, dat ik trek gevoelde mij hierheen te begeven,” zegt de Burgemeester met een hoffelijke hoofdbuiging, „de naam en de verdiensten van monsieur Jan Griffier zijn mij genoeg bekend om mij te doen verlangen, hem zelven en het een of ander van zijne laatste werken te leeren kennen, en dit zal, hoop ik, mij bij hem tot verschooning strekken, dat ik dus ongenoodigd en onverwacht zijn heiligdom betreed.”

„Al te veel eer,” is al wat „Monsieur” Griffier kan uitbrengen, en werkelijk, wat valt er ook veel meer te antwoorden op het beleefde gezegde van een groot heer als de Burgemeester is, die genoeg overtuigd mag zijn, dat hij geen verontschuldigingen behoeft in te brengen, wanneer hij zich zooverre vernedert, om een schilder in diens eigen werkplaats te bezoeken? Wij mogen er hard aan twijfelen, of hij zoodanig bezoek wel gebracht zou hebben, indien het vreemde van de zaak, eene werkplaats in de stadsgracht, hem niet had verlokt. Men laat anders, in deze achttiende eeuw, den schilder tot zijnent komen, evenals den rijtuigmaker, den behanger, den stukadoor en wie men al meer noodig heeft om huis of stal op te pronken, en men gaat niet bij hem. Dat mogen Frans I of Karel V gedaan hebben;—maar die vorsten leefden in een tijdvak, toen men nog niet wist hoe het hoorde, en waren Roomsch bovendien;—en zoo Karel II van Engeland zich ook iets van dien aard mag veroorloofd hebben, het is genoeg bekend hoe die monarch zijn fatsoen te grabbelen gooide. In allen gevalle, hetgeen wij hier zien gebeuren, is bijzonder genoeg, om ook alleen uit het bijzondere der oorzaak verklaard te kunnen worden.

Intusschen hebben de twee meisjes, op een wenk van hare moeder, de kleppen van de bank dichtgeslagen en op de eereplaats twee kussens op elkander gestapeld, ten einde den bezoeker een zetel te bereiden. Hij zegt met een vriendelijken hoofdknik dank voor de attentie; doch maakt er vooreerst nog geen gebruik van, en neemt de kunstwerken, die langs den wand hangen, in oogenschouw.

„Hm!” zegt hij, „dat is de Rijn bij Coblents, niet waar? Ja, ja, ik heb dat gezien, in mijn jongen tijd, toen ik van de academie kwam en de gewone reis door Duitschland en Frankrijk deed.... Heel aardig, op mijn woord! En dat, wat moet dat verbeelden, Uilenburg?”

Is het, om den graad van topographische kennis des ouden mans op de proef te stellen, dat Pancras zijne vraag tot hem, en niet tot den kunstenaar zelven richt? of oordeelt hij, dat de achtbaarheid van stand er bij lijden zou, indien hij zich in een gemeenzaam onderhoud met den laatstgemelde begaf? Wij durven dit niet beslissen.

„Het zal de Teems moeten voorstellen, Edel Achtbare!” antwoordt Uilenburg, met eene diepe buiging.

„Wat dunkt er u van?” vraagt opnieuw Pancras aan den kunstkooper.

„Lief van behandeling,” antwoordt deze, terwijl hij met den knijpbril op den neus het stuk van nabij bekijkt en Griffier wederkeerig op hem het oog, niet zonder angstigen schroom, gevestigd houdt, „geestig van stoffage, helder van koloriet; er kon wel wat meer water in de lucht, wat meer lucht in ’t water zijn,.... maar over ’t geheel is ’t een lief stukje.”

Griffier haalt adem; want de uitspraak van den gevreesden kunstkenner is over ’t geheel gunstig.

Maar wie is die Uilenburg, die hier over de waarde of onwaarde van de aanwezige kunstgewrochten beslissen moet?

Wie hij is, lezer? Sla Vondels Poëzie op, bij voorraad nog de 4o. uitgave, Deel I bladz. 378, Deel II bladz. 372, en gij zult reeds eenigszins op de hoogte komen. Hoor slechts het kortere der beide daar geplaatste, in ’t nog bange jaar 1673 vervaardigde gedichten in zijn geheel, en het slotcouplet van het andere.

Op de verkoopinge der Italiaansche Schilderyen, ten huize van Geeraert Uilenburg, Schilder.

Noch spant de Schilderkunst de kroon by brave Heeren,

En zwicht voor onverstant, noch geen grimmas van Nijt.

Zy wil de nieuwe zael van Uylenburgh stoffeeren

Met Italjaensche kunst, in dezen droeven tijd:

Schoon Mars, in ’t harrenas gewapent, ten bederve

Des volx, de landen zet in vier en gloet uit wraeck,

Dees tiende Kunstgodin, verkoren bij Minerve,

Spreekt door haer schoone verf en stomme beeldenspraeck.

Een ieders hart verlangt naer prijs in ’t vrolijk loten,

De Godt Apollo komt, vol levens en vol geest,

In dees vergadering. Hy groet de kunstgenooten,

En speelt op zijne harp in ’t midden van dit feest.

De mist der lastertong verstomt door ’s kenners klaerheit.

De logentael verdwijnt voor ’t helder licht der waerheit.

t’ Amsterdam 23 van Sprokkelmaent 1673.

En nu de „Toezang” van den Zege der Schilderkunst:

In Amsterdam trotseert de kunst

Van Italjaen en Nederlander

Den opgerechten oorlogsstander,

En wint by alle kenners gunst

In spijt van alle razernyen,

Hoe elk ons dreigt te vier en zwaerd’,

Met winst vertiert, bedankt van Heeren,

Dien ’t lust hun zalen te stoffeeren

Met zulk een rijkdom, lang vergaert.

Dies hoe de krijgselende treffen,

De schilderkunst mag ’t hooft verheffen.

Wij leeren uit de bovenstaande verzen, dat Uilenburg, reeds in 1673, handel in schilderijen dreef, en wel, in weerwil dat de oorlog nog woedde, met voordeeligen uitslag: wij vinden ook, dat hij, in het opschrift van ’t eerste gedicht, „schilder” wordt genoemd: en werkelijk had hij in zijne jeugd het penseel gehanteerd. Doch, ondervindende dat de verkoop van eigen werk hem geen brood gaf, kwam hij bijtijds tot het gelukkig besluit, zich door den verkoop van ’t werk van anderen, niet alleen brood, maar zelfs een ruim bestaansmiddel te verschaffen en de beoefening der kunst vaarwel te zeggen voor de critiek der kunst. Het door hem gekozen beroep was, als zoodanig, nog nieuw, en de keuze daarvan bewees, dat hij, zoo al geen kunstgenie, dan voor ’t minst doorzicht bezat. Lang zonder mededingers, wist hij de rijke Amsterdammers naar zijne tentoonstellingen te lokken, en zoodoende met hen in aanraking te komen. Weldra was hij hun raadsman, hun gids, hunne vraagbaak in ’t vak van kunst, en werd er nauwelijks eene schilderij gekocht of besteld, dan door zijne tusschenkomst. Reeds bijna vijftig jaren had hij nu zijn vak uitgeoefend, en hoe ouder hij geworden was, hoe dieper de eerbied, welke men voor zijne „rijpe ondervinding” gevoelde, hoe machtiger zijn invloed, hoe min betwistbaar zijne uitspraken waren geworden. Is het wonder, dat de kunstenaars niemand gelijk hem ontzagen, en hem luide als hun beschermer, hun goeden genius, hun voorzienigheid roemden?—al mochten sommigen hem in hun hart verwenschen.

„En dit landschapje hier?” vraagt Burgemeester Pancras: „wat stelt dat voor? ’t Is in eene heel andere manier dan de vorige stukken.”

„Uw Ed. Achtbare zal toch wel niet twijfelen of ’t van dezelfde hand is,” zegt Uilenburg: „maar anders, ja, Uw Ed. Achtb. ziet volkomen juist: ’t is in geheel verschillenden trant geschilderd: en men erkent hier het streven om de manier van Lingelbach na te volgen.”

„Ik geloof, dat ik slechter modellen zou kunnen kiezen,” zegt Griffier, eenigzins gevoelig over den toon, waarop de toelichting gegeven was: „voor ’t overige, ’t is eene fantasie:.... ik wil ook nu en dan wel eens iets anders voorstellen dan rivier- en zeegezichten.”

„En dit, Sinjeur Uilenburg?” vraagt Pancras, op een klein schilderijtje wijzende, dat een paard voorstelt bij eene herberg: „dat is toch stellig niet van dezelfde hand.”

Men lette op het Sinjeur. Griffier was maar een kunstenaar, en werd dus als Monsieur aangesproken; Uilenburg een koopman, al was het dan ook maar in kunst, en stond dus hoog genoeg op de maatschappelijke ladder om den titel van Sinjeur te voeren.

„Volkomen juist aangemerkt, Edel Achtbare!” zegt de toegesprokene: „het is een aardig Wouwermannetje: Ei! ei, monsieur Griffier! tref ik een mededinger in u aan, dat je ook al stukken van anderen vent. Nu! men moet leven en laten leven.”

„’t Is niet van Wouwerman,” zegt Griffier; „’t is van mijn zoon Robbert, dien ik de eer heb UEd. A. voor te stellen.”

Zie, hoe blijde de gelaatstrekken van Robbert staan, en met hoeveel trots en geheime vreugde de blikken van moeder en zuster zich op hem vestigen, nu men zijn jongelingswerk voor dat van den grooten Wouwerman aanziet; maar ook, hoe kijkt onze oude kunstkooper op den neus, hij, die juist bij zich zelven voornam, het schilderijtje bij de eerste gelegenheid aan den eigenaar af te koopen en er winst mede te doen:—zich zóó vergist te hebben! het werk van een aankomeling met dat eens beroemden meesters te verwarren! ’t Is om nooit te vergeten.

„Van uw zoon?”—herhaalt Pancras, verbaasd: „Sinjeur Uilenburg, is dat geloofbaar?”

„Ja Edel Achtbare!” antwoordt deze: „als de man het zelf erkent!.... ik zou het trouwens bij nauwlettender onderzoek wel gemerkt hebben.—Mijne oogen worden er niet beter op met de jaren, en zoo meende ik, bij den eersten opslag, dat ik een Wouwerman vóór mij had.—Nu, ’t is in allen gevalle eene goede kopie. Die linker voorpoot kon wel wat helderder uitkomen.... en de achtergrond is wat verward;.... maar voor een eerstbeginnende is ’t heel wel.”

Burgemeester Pancras heeft weinig aandacht op deze soort van rekantatie geslagen. Door opleiding en ambtsbetrekkingen geleerd, menschen te bestudeeren en te beoordeelen, is hij onwillekeurig getroffen geworden door de laatste woorden van Griffier: hij heeft den blik van de schilderij afgewend om dien te vestigen op den man, die nu niet meer alleen door de zonderlinge keuze van verblijfplaats, maar ook om andere redenen zijne opmerkzaamheid waardig schijnt. Er ontstaat een algemeen stilzwijgen: ’t welk de achtbare burgervader eindelijk afbreekt met te zeggen:

„Dat is meer eerlijk dan politiek van u gehandeld, monsieur Griffier! hadt ge gezwegen, ge hadt dat stuk voor een Wouwerman aan den man kunnen brengen.”

„Ik mag niemand misleiden,” hervat Griffier, „en, al ware ik minder nauwgezet, ik geloof toch dat, in een geval als dit, ook bij den hebzuchtigsten mensch de trek naar voordeel zou hebben ondergedaan voor hoogmoedige blijdschap over de zegepraal, door zijn kind behaald. Zie, Edel Achtbare! als een kenner gelijk Sinjeur Uilenburg, zij het ook maar voor een oogenblik, er mee bedrogen is geweest, dan moet mijn jongen er toch niet vergeefs naar getracht hebben, de manier van Wouwerman na te doen;—want eene kopie is ’t niet.”

„Goed gesproken,” herneemt Pancras met een hoofdknik, die van welgevallen getuigt: „ge moet mij eens iets meer vertellen van wat u aangaat en hoe gij er toe gekomen zijt, zulk een avontuurlijk leven te leiden.” En meteen, na op zijn horloge gezien te hebben, neemt hij de plaats in, die voor hem was gereedgemaakt: een blijk van welwillendheid, dat de verbazing van Uilenburg wekt en de kajuitsbewoners niet weinig verheugt; want het schijnt zooveel te kennen te willen geven, als dat de machtige Burgervader ook hun ten beschermer wil zijn.

„Ge zijt, zoo ik vernomen heb, een Amsterdammer,” vervolgt Pancras.

„In 1645 hier geboren,” antwoordt Griffier.

„Zoo! in ’t tijdperk dus, dat de kunst hier ’t meest gefloreerd heeft: geen wonder, dat een jong mensch toen trek gevoelde om in dat vak te werken. Van der Helst en anderen hebben er nog al wat aan verdiend, aan dat stoffeeren van ’t stadhuis en van zooveel andere gebouwen.”

„’t Was toch niet zoozeer hun voorbeeld,” herneemt Griffier, „of het voordeel, dat hun kunstvak hun bezorgde, dat mij voornamelijk aantrok. Ik was een Amsterdammer, maar toch hield ik van de buitenlucht en de vrije natuur meer dan mijne stadgenooten dat gewoonlijk doen.... ik wilde boomen, ik wilde landschappen teekenen, ik zag ze niet; en zoo stelde ik mij een tijdlang tevreden met bloemen af te beelden. Maar dat was mij weldra niet genoeg: ik moest meer verscheidenheid van voorwerpen, ik moest uitgebreider tafereelen hebben, en om daarin te slagen begaf ik mij onder leiding van Rogman.”

„Niet onverdienstelijk,” merkt halfluid Uilenburg aan: „maar wat ruw en slordig.”

„Door hem,” vervolgt Griffier, zonder zich aan de aanmerking te storen, „raakte ik in kennis met Lingelbach, met Adriaan Van de Velde....”

„Knappe lieden, beiden in hun vak,” bromde Uilenburg er tusschen.

„Met Ruisdael, met Rembrandt.”

„Hm! die zijn lang uit den smaak,” bromt dezelfde basstem voort, „de een is al zwarter en onbehaaglijker dan de andere.”

—„Heiligschennis!” hoor ik hier den lezer roepen: „Ruisdael en Rembrandt onbehaaglijk? En ’t is nog een zoogenaamde kunstkenner, die zoo iets beweert.”

„Ik kreeg vergunning, hen in hunne werkplaatsen te bezoeken en ik genoot het voorrecht, mij met hen te onderhouden over de geheimen, zoowel als over de eischen der kunst. Bij het beschouwen hunner meesterstukken, bij het hooren hunner lessen, zag ik wat aan mijne opleiding ontbrak, en trachtte, op hun voorbeeld, lucht en kleurschakeering en helderheid in mijn werk te brengen. Intusschen was ’t gebeurd, dat een mijner medeleerlingen bij Rogman, Jan Loten, naar Engeland was gegaan en er door zijn penseel een onafhankelijk bestaan verworven had. Bij een bezoek, dat hij in 1667 aan zijne geboortestad bracht, verhaalde hij er mij zooveel van, dat mij de lust bekroop, hem bij zijn terugkeer te vergezellen. Ik had geen ouders meer, en niemand, die zich mijner aantrok; ik had altijd een afkeer gehad van een zittend leven, op dezelfde plek doorgebracht; ik wilde eens wat anders zien: en zoo nam ik de gelegenheid waar en ging mee. Eenmaal in Engeland zijnde, zag ik al spoedig in, dat mijn belang medebracht, er te blijven. Ik vestigde mij te Londen en bevond er mij niet kwalijk bij; want de stukken, die ik maakte, schonken mij eenigen naam en genoegzaam voordeel. Toch was ik te onrustig van aard om daar ter plaatse, of waar dan ook, hetzelfde zittende leven te leiden, dat mij te Amsterdam had verveeld; en al bleef Londen de plaats waar ik te bevragen was, ik veroorloofde mij uitstapjes, nu te water, dan te land, om de natuur, die ik liefhad, te bestudeeren; en dan bracht ik van mijne zwerftochten telkens wat nieuws voor de kunstliefhebberij terug:—zoo kreeg ik allengskens genoeg bij elkaar om aan trouwen te denken, en kon ik het beter treffen? Ik vond in moeder, die daar zit, juist eene vrouw die ik verlangen kon, de dochter van een schipper, en die menigmalen haren vader naar Oost en West had vergezelschapt, die niet bang was alzoo om ook aan mijne watertochtjes deel te nemen. De fortuin was mij meer en meer gunstig en zoo schafte ik mij een jacht aan, sierlijk en gemakkelijk, en een goede zeiler bovendien, en dat ik geheel naar behooren inrichtte, dat het mij tot magazijn en werkplaats dienen mocht. Ik zei mijne huishuur op, betrok met vrouw en kinderen mijn drijvend logies en toog daarmede nu her- en derwaarts heen, waar mijne luim mij heenvoerde. Dat waren gelukkige dagen, waarbij arbeid en uitspanning hand aan hand gingen, en over ’t algemeen zag ik nooit de rivier van Londen weer, of mijne kajuit was wèl gestoffeerd met land- en watertafereelen, afbeeldingen van Italiaansche bouwvallen, uitgewerkte riviergezichten, landschappen, bloemen en vogels, en wat dies meer zij, in olie- of sapverf, somtijds ook in plaat, want ik had mij mede op het etsen toegelegd. Maar zie, een mensch verlangt toch altijd weer naar zijn geboorteland, en zoo ging het mij ook naarmate mijne jaren klommen. Ik besloot, de reis naar Holland te aanvaarden; doch ik kon daar niet met leege handen komen, ik moest eigen werk meebrengen om te toonen wat ik kon, en werk van goede schilders om van den verkoop daarvan te leven, zoolang ik mijn eigen werk niet verkocht had. Ik stak, onvoorzichtig genoeg, bijna al wat ik had in schilderijen en andere kunst; ik scheepte die in en begaf mij op reis met de mijnen. Pas waren wij in volle zee, of het weer, dat tot dien tijd gunstig was geweest, begon te veranderen, een storm stak op uit den Zuidwesten, en, spijt al wat wij vermochten, het jacht werd bij Goeree op den Hinder geworpen. Daar zaten wij, een etmaal lang, met een schip vol water, en niets anders dan den dood voor oogen, toen Onze Lieve Heer uitkomst schonk. Een visschersvaartuig daagde ter redding op, en wij brachten er het lijf af,—maar ook niets dan dat, ik moest mijn sierlijk jacht verliezen, en den geheelen kunstschat, dien het bevatte....”

„Waren er nog al kapitale stukken onder?” vraagt Uilenburg haastig.

„De catalogus is mede naar den kelder gegaan,” antwoordt Griffier droogjes, en de trekken des Burgemeesters, die, op het verhaal van den geleden ramp, eene medelijdende uitdrukking hadden aangenomen, ontplooien zich tot een glimlach.

„Het is wonder,” zegt hij, „dat ge dien slag te boven zijt gekomen. En waart gij dus alles kwijt?”

„Alles,” antwoordt Griffier, „op een rolletje gouden dukaten na, dat mijn oudste dochter in een gordel om haar lijf had geborgen, en, in plaats van, gelijk ik gehoopt had, de Maas met vlag en wimpel en eene kostbare lading triomfantelijk op te varen, kwamen wij als arme en beroofde schipbreukelingen aan wal. Maar toch gaf ik den moed niet op. Ik dacht, zoolang ik door Gods goedheid nog teekenpen, kwast en etsnaald hanteeren kan, zal ik niet van honger omkomen, en, al heb ik vijf kruisen achter den rug, ik zal zien of ik de geleden schade niet herstellen kan. Er zijn sedert dien tijd dertien jaar verloopen, en ik ben al mooi op weg. Ik zette mij te Rotterdam neer, waar ik terstond na mijn aankomst de deernis en hulpvaardigheid van kunstbeschermers ondervonden had. Door hun bijstand, en eerlang door het vervaardigen en verkoopen van nieuwe schilderstukken zag ik mij na een jaar of wat in staat gesteld, mij een ander vaartuig aan te schaffen, dit, waar Uw. Ed. A. zich thans op bevindt, wel niet zoo rijk en prachtig als het oude, maar toch sterk en stevig gebouwd, en ruim genoeg voor zijne bestemming. Ik betrok het met mijne vrouw, die ik tot mijn eerste stuurman verhief, en mijne kinderen, die, naar hunne jaren en geschiktheid, voor bootsman, hofmeester, matroos of putjer moesten spelen. Dat spaarde huishuur en dienstbodengeld. Van dien tijd af heb ik geene andere woning gehad en als een zwerver op de binnenwateren geleefd, nu en dan eens den Rijn, de Schelde of de Maas opvarende, maar zelden mij ver van honk begevende. Op reis zijn wij eenvoudige varenslieden en doen zelven het noodige werk; liggen wij stil, dan verwisselen wij de schippersplunje tegen de gewone burgerkleeren. Nu laatst was ik te Deventer, en toen bekroop mij een onweerstaanbare trek om mijne vaderstad terug te zien,—en zoo ben ik den IJsel afgezakt en gisteren hier gekomen. Dat de eerste persoon, die bij mij aan boord komt, de Heer Burgemeester is, strekt mij wis tot een gunstig voorteeken; en ik durf er nu voorwaar gerust op zijn, dat het mij en de mijnen wél zal gaan, zoolang ik hier vertoef. Ik moet nu Uw. Ed. A. verschooning verzoeken, dat ik zoolang over mij zelven gesproken heb, en hoop maar Uw Ed. A. niet te veel kostbaren tijd ontroofd te hebben.”

„Wel!” zegt Pancras, na nogmaals op zijn uurwerk gekeken te hebben, „’t heeft mij niet verveeld, u te hooren, en ik prijs uw loffelijken moed, die zich door geene harde fortuin liet afschrikken. Maar zeg mij nu eens, hoe maakt ge het toch, als ge met ruw weer op het water zijt? Ge kwaamt gisteren over de Zuiderzee en daar kan het ook soms ongemakkelijk spoken. Mij dunkt, dan moet al die rommel hier in de kajuit als een knippelspel door elkander raken.”

De schilder glimlacht; doch antwoordt voor ’t oogenblik niets, of liever, hij antwoordt op duidelijker wijze dan hij ’t met den mond had kunnen doen: hij spreekt alleen ’t woord range! (redder op!) uit, en terstond geschiedt er iets, dat den Burgemeester, en meer nog den Amsterdammer kunstkooper, met verbazing vervult. Met schier ongeloofelijke vaardigheid zijn door Robbert en de meisjes al de op tafel en op de bank aanwezige teekeningen en platen in groote omslagboeken geborgen en deze achter twee koperen banden, die de bank over hare geheele lengte langs loopen, vastgestoken. Niet minder snel verdwijnen penseelen, kwasten, tempermessen en alle verdere kleinere gereedschappen in de lade der tafel: de blazen en potjes met verf, de beeldjes, modellen en andere groote voorwerpen in doozen, die door het opslaan van eene klep in de bank hare plaats vinden: paletten en linialen worden aan koperen knoppen opgehangen, de schildersezel ineengeslagen en in ’t lang tegen de bank aan lederen riempjes vastgemaakt, in één woord, als door een tooverslag is alles zoo net en handig opgeruimd als geene Amsterdamsche schoonmaakster het in een halven dag had kunnen doen.

„Uw Ed. Achtb. ziet,” zegt Griffier, „dat alles zijne plaats heeft, en gauw genoeg uit den weg is. De tafel is goed aan den vloer, gelijk de schilderijen aan den wand bevestigd: zoolang er geen water in de kajuit komt, hebben wij voor geen schade te vreezen, en de schilder kan gerust in den schipper overgaan. Maar al is de boel geborgen, ik ben toch altijd bij machte om, weer of geen weer, eene schets te maken in ’t voorbijgaan. Hier in dezen bak,” en hij wijst op een blikken bakje, naast de deur tegen den wand gespijkerd, „zijn bestendig teekenpen, houtskool, potlood, krijt, O.-I. inkt, een paar penseelen, eene passerdoos en wat dies meer zij, bij de hand, en in mijn duffelsch buis zit een schetsboek, zoodat ik nooit verlegen ben, zelfs bij stormweer, om in vluchtige trekken hetgeen mij opmerkenswaardig voorkomt op ’t papier te stellen.”

„Ik zie dat alles goed ingericht is,” zegt de Burgemeester, „maar nu, dat werk daar ge aan bezig waart, mag men dat niet zien?”—En meteen wijst hij op de half afgewerkte schilderij, die Griffier, bij ’t opruimen, van den ezel genomen had en nog steeds in de hand houdt.

„Met genoegen,” zegt de kunstenaar en houdt aan zijn minzamen bezoeker het kunstwerk voor, dat een gezicht vertoont op Antwerpen, van de Schelde genomen. Hoewel Pancras nog moeilijk kan oordeelen over de uitwerking, die het stuk maken zal als ’t voltooid is, toch staat hij versteld en opgetogen over de uitvoerige netheid der behandeling, en vooral over den rijkdom van schepen, schuiten en andere vaartuigen en der ontelbare menigte figuren, hier afgebeeld.

„Wat dunkt u, Uilenburg!” zegt hij, „zou dat niet een aardigen tegenhanger vormen voor mijne Van de Velde?”

„Oud en nieuw past niet samen. Edel Achtbare!” merkt Uilenburg aan: „met dat al, ’t stuk is niet onaardig; maar men zal het eerst kunnen waardeeren als ’t af is.”

„’t Is besteld,” zegt Griffier met eene buiging.

„Nu, dan spreken wij er niet langer over,” zegt Pancras, terwijl hij nogmaals op zijn horloge kijkt: „ook zal het mijn tijd worden, monsieur Griffier dank te zeggen voor hetgeen ik gezien heb. En, wacht, ge moet eens tot mijnent komen, morgen b. v. vóór tien uren; ik wil ook iets van u hebben,—mijne slaapkamer buiten is nieuw opgemaakt; maar er ontbreekt nog een schoorsteenstuk; daar zult ge zoo’n riviergezicht in dezen trant voor schilderen. Ik zal u de maat dan opgeven.... of liever, ge zult zelf eens naar mijn buiten gaan en de gelegenheid opnemen. Gij kunt dan meteen de behangsels in de eetzaal zien, die monsieur Moucheron heeft geschilderd.—En nu vaarwel, monsieur Griffier, en veel voorspoed in onze goede stad van Amsterdam.”

En na eene halve buiging tegen Griffier en de zijnen gemaakt te hebben, verlaat hij de kajuit, door vader en zoon gevolgd, die, na hem uitgeleide gedaan en behouden aan wal te hebben zien stappen, tot de hunnen terugkeeren.

„Een minzaam heer is Burgemeester Pancras, niet waar?” vraagt de kunstkooper, terwijl hij, van ’t lange staan vermoeid, de ledig gelaten zitplaats inneemt.

„Zeer minzaam!” zegt Griffier: „hij laat mij de schouwe op zijne slaapkamer behangen.”

„Minzaam!” herhaalt de moeder des huisgezins, terwijl eene diepe ademhaling het geluk aantoont, dat zij gevoelt, na een zoo langdurig gedwongen stilzwijgen weder te mogen spreken: „minzaam!” vervolgt zij in gebroken Hollandsch, „wel, hij heeft ons geen single wordtoegesproken en juist notice van ons genomen, alsof wij stomme meubelen hadden geweest.”

„Hoe! wat had de madam dan gewild?” vraagt Uilenburg, die de pretentie van mejuffrouw Griffier vrij ongerijmd vindt, „mij dunkt, ’t is al iets om nooit te vergeten, dat zulk een heer je met een bezoek vereert.—En wat praat jij van behangen, monsieur Griffier?—Wat Holsteyn, Moucheron, Verkolje en zoovele anderen doen, en waar Honthorst zich in zijn tijd ook niet voor geschaamd heeft, daar zul je toch geen te groot heer voor zijn;—en ’t geeft goed, hoor!—beter dan al die kabinetstukjes. Je kunt je gelukkig gesternte wel danken, dat je hierheen heeft gevoerd, en mij ook, die den heer Burgemeester zoo gunstig over je gesproken heb.—En kom! nu moeten wij eens zien of wij zaken samen kunnen doen?”

Op dat woord van „zaken doen” hervat de moeder haar borduurraam, en de dochter haar brei- en naaiwerk, en wij.... wij haasten ons, weder uit de kajuit te verdwijnen en de beide heeren achter te laten aan een onderhoud, dat hun zeker veel, ons hoegenaamd geen belang inboezemt. Wij hebben gezien wat wij zien wilden—eene schilderswerkplaats in de stadsgracht.

Nog een kort woord ten slotte om den lezer, zoo hij er belang in stelt, mede te deelen hoe het verder met onzen schilder afliep.

Of Griffier werkelijk het schoorsteenstuk voor Burgemeester Pancras vervaardigde, durf ik met geen zekerheid zeggen; wel, dat zijn verblijf te Amsterdam hem niet onvoordeelig was en hij er vrij wat schilderijen aan liefhebbers verkocht. Hij vertoefde er dan ook een geruimen tijd, gedurende welken, naar Wagenaar verhaalt, zijn vaartuig nu eens in deze, dan weder in gene der hoofdgrachten stil lag. Intusschen begon, gelijk hij vroeger naar zijn geboorteland, zijne vrouw weder naar het hare te verlangen, en hij vond te minder bezwaar, haar daarin te wille te zijn, omdat een zeker soort van bijgeloof hem inblies, dat een terugtocht naar Engeland hem vergoeden zou, wat de tocht vandaar hem gekost had. Hij stak dan nogmaals de zee over, en werkelijk was niet alleen de reis ditmaal voorspoedig, maar ondervond hij te Londen zeer spoedig de gunst en bescherming van aanzienlijke mannen, inzonderheid die van den Hertog van Beaufort. Hij zag dan ook geen reden om de stad weder te verlaten en bleef er wonen tot aan zijn dood, die, naar men beweert in 1718 voorviel.—Inmiddels was zijn zoon Robbert te Amsterdam gebleven, waar hij zich door zijn penseel een ruim bestaan verwierf en, evenals zijn vader zich onderscheidde door de veelsoortigheid van zijn talent. Ongelukkig, niet zoozeer voor zijn tijdelijk belang als voor zijn kunstroem en dien van Nederland, nam hij het aanbod aan, dat hem de oude Uilenburg deed, om diens vennoot in den kunsthandel te zijn, welk vak hij, na ’s mans dood, zoo hier als in Engeland bleef uitoefenen: wat hem natuurlijk den tijd ontroofde, dien hij aan de behandeling van ’t penseel had kunnen besteden. Te meer moeten wij het betreuren, wanneer wij in aanmerking nemen, welke schoone vruchten de rijpere leeftijd had kunnen opleveren van een man, die reeds in zijne prilste jeugd zooveel schoons en voortreffelijks geleverd had.

In de Klok.

Bij onze laatste wandeling bevonden wij ons in het begin der 18de eeuw en stonden wij aan of liever op een vaartuig in de Keizersgracht bij de Reguliersgracht. Wij springen weer een zeventigtal jaren terug en.... waar zijn de sierlijke huizen, die wij aan weerskanten zagen prijken? Waar de volkrijke straat, die wij voorbij, waar de bruggen, onder welke wij door zijn gevaren? Wij vinden ze niet meer,—om ons juister uit te drukken—wij vinden ze nog niet;—maar toch de merkpalen zijn al aanwezig, die aanwijzen waar ze komen moeten, en uit al wat wij om ons heen zien blijkt, dat hier spoedig de weilanden, tuinen en molenwerven, die ons omringen, zullen plaats maken voor deftige kaaien en volkrijke straten. Immers in den jare 1657 is door de Vroedschap besloten, Amsterdam voor de vierde reize, en wel aan de Zuidzij, te vergrooten: in 1657 is een aanvang gemaakt met het graven van nieuwe grachten en het bouwen van veertien nieuwe, met steen bemuurde, door hooge gordijnen aan elkander verbonden bolwerken: en in 1663 is door ’s Lands Staten aan Amsterdam octrooi verleend tot onteigening van alle landen, tuinen, erven en gronden, die met de voorgenomen uitlegging binnen de stad getrokken worden.

Alles is hier nu drukte en gewoel, honderden van arbeiders zijn hier, zijn ginds aan ’t werk in die weeke pap, die noch aarde, noch zand, noch klei, noch veen, noch water is, maar een mengsel van dat alles te zamen, aan ’t heien van palen, aan ’t baggeren, aan ’t kruien, aan ’t uitdiepen en ophoogen: landmeters, bazen en opzichters beschouwen of besturen den arbeid: karren, wagens en schuiten voeren de benoodigde bouwstoffen aan of keeren terug om nieuwen voorraad te halen: en een tal van nieuwsgierigen waart om de planken schuttingen, die het veld omgrenzen, in de hoop van, ’t zij over ’t beschot, waar dat laag genoeg is, ’t zij door een openstaande deur, ’t zij door een reet of opening in of tusschen de planken, te kunnen begluren wat daar binnen geschiedt.

Wij willen ons daarmede niet bezighouden; wij zoeken weer het bewoonde gedeelte der stad op en wel bepaald dat gedeelte, waar de nieuwe Keizersgracht zich bij de reeds bestaande zal aansluiten.

Die aansluiting zal plaats hebben aan den ouden stadswal, die vlak tegenover de Beulingstraat loopt, en waar Heeren-, Keizers- en Prinsengracht tegen stuiten; maar aan wier buitenzijde men bezig is de vaart te graven, die den naam van Leidschegracht zal voeren: en het is nu aan de binnenzijde van dien wal, op den hoek der Keizersgracht, dat wij de woning vinden, waar wij thans voornemens zijn een bezoek af te leggen, en die eene gebeeldhouwde klok in den gevel voert.

Het huis is klein en onaanzienlijk: het schijnt dat van een gewoon ambachtsman; maar toch is de bewoner meer dan dat: hij is een kunstenaar van de hoogste bekwaamheid in zijn vak, en zijn naam is wijd en zijd door Amsterdam en vandaar geheel de wereld door verbreid. Wanneer wij dan ook den kunstig bewerkten hamer, die op de voordeur hangt, oplichten, bij den bewoner aankloppen en aan de dienstmaagd, die ons opendoet, vragen, of wij Monsieur Hemoni kunnen te spreken krijgen, doen wij, schoon onbekenden, niets, dat hare bevreemding wekken kan, want zij is het sedert lang gewend, dat lieden van elken rang en stand en landaard, op dezelfde wijze, zich aanmelden en zich verlangend toonen om den arbeid van haren meester gade te slaan en de kunstgewrochten, door hem vervaardigd, van nabij te leeren kennen.—Op onze vraag wordt dan ook dadelijk met een bevestigenden hoofdknik geantwoord, waarop de bemoedigende toespraak volgt: „als de heerschappen maar over de plaats willen gaan, Mesjeu is op den winkel.”

Er zoude nog anderhalve eeuw verloopen, eer men het woord atelier gebruikte.

Wij volgen de aanwijzing, gaan de korte huisgang door, het kleine, met klinkers belegde plaatsje over, stooten daar eene deur van ruwe planken open, en verschaffen ons zoo den doortocht tot de opene ruimte, binnen welke zich de werkplaats van Hemoni bevindt.

En luister, pas zijn wij aldaar gekomen, of op eens, als ware het ter onzer verwelkoming, daar vangt, zwaar en luid, ja oorverdoovend, maar toch zuiver en vol harmonie, de muziek aan van een tal van klokken van metaal, en doet ons voor een poos stilstaan, zoo omdat het onverwachte geluid ons verrast, als omdat wij vreezen, in de nabijheid daarvan, noch ons zelven noch anderen te zullen verstaan.—Maar ook al hadden wij willen voortgaan, wij zouden ’t niet hebben durven doen; want uit de werkplaats tegenover ons is plotseling iemand, die ons bespeurd had, voor den dag gesprongen, en hij legt den vinger op den mond en maakt terugwijzende gebaren, een en ander kennelijk om ons te doen begrijpen, dat wij noch naderen, noch geluid geven, noch ons zelfs verroeren mogen. Gehoorzaam aan dien wenk blijven wij dan ook staan, en wachten af tot het verbod moge zijn opgeheven. Doch niet zoo spoedig wordt aan dit verlangen voldaan: het bekende deuntje:

Wel mag ik u Laura vragen,

is afgespeeld en nog blijft van verre de terugwijzende hand opgeheven: wij arme bezoekers zien elkander verlegen en besluiteloos aan en onze oogen schijnen te vragen of wij ook het erf weer verlaten zullen en ons bezoek op een geschikter tijd hervatten; maar toch, een vriendelijk knikje van den man daar tegenover ons geeft ons weer moed; want wij maken er uit op, dat het oponthoud, ’t welk wij ons getroosten, maar tijdelijk zijn zal: en inderdaad, na nog eenige minuten verwijls gaat de deur der werkplaats weder open, en een nieuw personage treedt te voorschijn, wenkt den wachter, die buiten stond, weder binnen, en komt naar ons toe.

„Ah bonjour mijn ’eer,” zegt hij onder ’t naderen: „ikke pardon vraak voor u te ebbe late wakkete, ikke bezik was an te probeer die klokkespel en dan ikke onkaarne kestoor, vous comprenez?”

En wij treden bemoedigd voorwaarts en lichten den hoed af; want wij beseffen, dat de kloeke grijsaard, die tot ons spreekt, niemand is dan de beroemde klokkegieter, monsieur Hemoni zelf.

„Indien wij ongelegen komen...,” zoo luidt de afgebroken volzin, dien wij ’t beleefdheidshalve noodig achten hem toe te voegen, al ware ’t maar om hem welwillend jegens ons te stemmen.

„Oh! pas du tout, kom binne!” klinkt het, en, zijne uitnoodiging gevolg gevende, bevinden wij ons weldra binnen de ruime loods, die des eigenaars gieterij, werkplaats en magazijn bevat.

Het is ’t magazijn, of, zooals men gewoonlijk zegt, de winkel, die ’t eerst ons ontvangt: de winkel, hoog en omvangrijk, als vereischt wordt uit aanmerking van het getal en de grootte der voorwerpen, die er in bewaard worden. Het eerste, dat dan ook onze oogen trekt, zijn zes kolossale beelden van metaal: vier daarvan stellen even zoovele deugden voor, als: Voorzichtigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid en Wakkerheid; het vijfde den Vrede, het zesde een zwaar gebouwden, grofgespierden man, in de houding als torste hij een last, die echter onzichtbaar is.

„Ja,” zegt Hemoni, in antwoord op onzen vragenden blik, „dat zijne de beeld, die motte kom te staan op de nieuwe stattuis, boven de frontispice, foor en akketer, datte de werk van monsieur Artus Quellin.”

„Ja gewis,” merken wij aan, „die beelden zijn voortreffelijk en gemakkelijk te erkennen voor wat zij moeten voorstellen;—maar die man?.... wien moet hij verbeelden?”

„Die man?” herhaalt Hemoni, „dat isse den Atlas, die de emelbolle traak; maar de emelbolle is er nok niet op: ij zal nok lank kenoek ebbe de plaisir van die te foel op sijne nekke; die emelbolle lekke in de werkplaasse: sij nok niet keëel klare. Soo aanstons wij sullen sien datte, comprenez-vous.—Maintenant,” gaat hij voort, terwijl hij wijst naar eene der talrijke klokken, die aan ’t gewelf hangen: „ier isse de klok voor de poorte, die sel koom te staan an de ende van de nieuwe strate, ofer de Eilike-Wek, nok eene eele end ferder dan de Eilike-Weks-poorte, en die sel iet de Leise poorte: en dan komme er nok twee poort, waarfoor ik bestel eb kekreek de klokken, namelik de Utrekkese poorte en de Weesseper poorte, allebei kroote mooie poorte, comprenez-vous?”

„Volkomen;—maar voor welk gebouw moet die klok dienen, met die keurig bewerkte beeldjes om den bovenrand?”

„Aha! die klok, en al die andere klok, die er bij staan, isse de klokkespel foor die kroote kerke à Rotterdamme, comprenez-vous? Sij eersstaak sal worde afke’aalt. Is eene eele werk kewees, te make alle die beeldjes en relief;—maar esse généralement seer kepreese. Monsieur Artus Quellin, ij mij seide: „friente Emoni,” seide hij, „al adde ik selleve die beeldjes kemaak, ikke sou mij daar niet over skaam,” en de Bourguemestre van Rotterdamme, als ij ware ier, ij ook daarmee ware bijzonder kontent.”

„Wel! hij zou wel ongemakkelijk zijn, of weinig gevoel voor de kunst hebben, zoo ’t anders ware,” zeggen wij, terwijl wij in opgetogenheid het fraaie beeldwerk beschouwen, op die klokken aangebracht, en waar ’t slechts jammer van is, dat ze op eene plaats zullen komen te hangen, waar weinigen ze zoo op hun gemak kunnen zien, als wij nu doen.

„Gij hebt vele dergelijke klokken gemaakt, monsieur Hemoni?” vragen wij verder.

„Meer dan er ier sou kunnen ’ang, al wasse de winkel sesmale soo kroot,” is het antwoord, en nu verhaalt hij ons, hoe hij de kerken te Hoorn, Enkhuizen, Delft, Utrecht, Amersfoort, Leiden, Arnhem, Kampen, Groningen, Middelstum, Purmerend, Medemblik, den Briel, enz. van klokken heeft voorzien, en er hem nu nog voor de Groote Kerk te Hoorn en voor andere gebouwen meer besteld zijn.

„En wat was uw proefstuk hier te lande?” vragen wij: „gij zijt een Lotharinger, niet waar?”

„Van Levecourt kebore, ja welle! Mijn eerste werke wasse in ’t jaar 46, te Zutfen, waar ik met mijn broeder Pieter eb kekoot, die ses-en-twintik klok voor de Wijnuistoor, en in 47 die vijf-en-twintik klok voor die kerke van Saint Levin te Deventre. Maar toen eb ikke kedok, Amsterdamme is de rekte plaasse foor een artist, en ikke pen kekoom ier, waar mij de Magistrat ep afgestaan deze erf om daar te bouw mijne kieterij, en daar eb ik ook al mijn klok kekoot, en voor de Oude kerke dat speelewerk, van vijf-en-dertik klok, en daarvoor eb zij mij betaal ƒ 28,716: en nu sijn mij bestel die klok voor de nieuwe stattuis te kiet binnen ses maand; daar sullen aan kespendeer worden 27000 pond metaal. En as die sinjeurs nu eens wille koom in mijne werkplaas, sij sullen nok ander keurige dink sien.”

Wij geven gaarne aan de uitnoodiging gehoor en verlaten de loods, waar wij ons bevinden, voor eene tweede, die tot het bewerken en beproeven der gegoten voorwerpen dient, en vanwaar ons reeds een voor ’t gehoor min aangenaam krassend geluid van ijzer, dat geveild of afgeschraapt wordt, is te gemoet gekomen. Was het in den winkel eenzaam en stil, hier in de werkplaats heerscht bedrijvigheid en gewoel. Eene uit een aantal klokken, die van den zolder afhangen en de muziek hebben doen hooren, waarop wij straks vergast werden, is door de werklieden met kabels afgelaten en, met behulp van een kunstig uitgedacht werktuig, omgekeerd in een soort van ijzeren rasterwerk opgevangen en vastgezet. Iemand, die over den rand dier klok is heengebogen, en wiens bovenlijf er geheel in verdwijnt, is bezig, daar die knarsende geluiden voort te brengen, die wij hoorden; terwijl een ander bij de tafel daarnevens staande, met een blad in de hand, vol aanteekeningen en figuren, die blijkbaar pas geschreven zijn—want de inkt is nog nat—den arbeid gadeslaat.

„Ah! monsieur Verbeek!” zegt Hemoni tot dezen laatste: „iere sijn sinjeurs, die mijne winkel en kieterij koom bekijk. Sij koom net van passe, om te zien oe wij probeer die klok.”

Wij groeten monsieur Verbeek, wiens naam als kunstenaar ons reeds bekend is uit de navolgende rijmen van den eerzamen Melchior Fokkens:

De kunst in d’ avond-stondt der werelt, nu gebooren,

Doet met verwonderingh ’t Muzyck der klokken hooren,

Ons ooren zijn verbaest, den ouden tijd verdwijnt,

Vermits een grooter licht in ’t nieuwe ons verschijnt.

Wie zou dit zoet geluydt der nieuw ghegoten klocken

Van over hondert myl niet herwaerts konnen locken?

Noyt was ons Amsterdam met sulck vermaeck geciert;

Dit zoet gespeel door Straet en Boom en Burghwal zwiert.

Laet varen Griecken Landt met zijn verzierde droomen,

Parnassus groen geberght en noyt gevonde stroomen,

Hier is een and’ren klanck, dat noyt de wijze Grieck’,

Noch het beroemde Atheen, dat staegh om wijsheidt ziek,

Zijn krachten leydt te kost, en mochten oyt gebeuren

Gheen volck, hoe woest het is, die dit niet goet zou keuren

Wanneer ons hier Verbeeck, door ’t klocken zoet gespeel

En ’t klinckende Muzyck ons hert en ooren streel:

Wat ’s van Apollos harp, Orfeur kunstigh zinghen,

’t Heeft uyt met dit gelaet en oud vermufte dingen:

Wanneer men dit gheklanck in Amsterdam begluurt,

Ons levenstijdt is kort, de kunst gestadigd duurt.

Die regels zijn zeker niet fraai: zij laten, wat stijl, taal en maat betreft, vrij wat te wenschen over; maar zij kunnen als een staaltje dienen van de ingenomenheid, die de Amsterdammers hebben met hun klokkenspel, en met den bekwamen kunstenaar, die ze zoo tot aller voldoening weet te bespelen. Inderdaad ontlokt Verbeek, niet enkel geleid door zijn juist gehoor, maar ook door onmiskenbaar kunstgevoel gedreven, aan het klokkenspel nog schooner akkoorden dan zelfs den vervaardiger mogelijk was toegeschenen. Gaarne neemt dan ook Hemoni zijn raad in bij den arbeid, en gaarne staat hij Hemoni met dien raad ter zijde.

De meester voert ons thans de werkplaats rond, waar t’ elker zijde zijne handlangers en leerlingen zich kwijten, ieder van zijne verschillende taak. Hier ziet men er aan ’t schoonmaken, schuren, polijsten, vernissen van klokken en andere gegoten voorwerpen; daar is men bezig aan ’t uitbeitelen van letters, cijfers, beeld- of loofwerk of andere sieraden, die er op moeten prijken: wat verder is de een bezig met ingewikkelde berekeningen, en de ander met het uitwerken op grooter schaal van geteekende schetsen van verschillenden aard, door Hemoni ontworpen. Wij zien en verwonderen ons over al het fraaie, dat ons getoond wordt, maar wat in bijzondere mate onze opgetogenheid wekt, is eene sfeer van koper, waarop eene bedreven hand de geheele oppervlakte des aardbols met de graveernaald schetst, naar het voorbeeld van eene houten sfeer, uit den winkel van den grooten aardrijkskundige Blaeu. Het is de bol, waar Hemoni zoo straks van gewaagde, die op de schouders van het Atlasbeeld, dat wij in den winkel zagen, zal komen te rusten.

Maar terwijl wij nog staren op dit meesterstuk, daar houdt eindelijk het gekras binnen de omgekeerde klok op en duikt daaruit de bekwame werkman op, die het had voortgebracht. Aan zijne jaren en aan de onderlinge gelijkenis herkennen wij Pieter Hemoni, den broeder van François. Hij legt den beitel neder, waarmede hij een werk verricht heeft, dat aan geene onervaren handen mocht worden toevertrouwd: de klok wordt weder met de opening naar beneden gewenteld, en opgehaald, doch slechts op twee derden eener manshoogte van den grond, zoodat de beide broeders en Verbeek er hunne hoofden in kunnen steken, om het verrichte in oogenschouw te nemen. Monsieur François is tevreden, althans hij geeft een goedkeurenden knik; maar Verbeek wil nog nadere overtuiging: hij tilt een zwaren hamer op en slaat daarmede tegen de klok, die terstond een zilveren klank laat hooren.

„Ik geloof dat wij het nu meester zijn,” zegt hij, „en dat niets het volmaakt akkoord meer storen zal. Haal nu maar op; dan kunnen wij ’t nog eens beproeven.”

„Silence!” roept Hemoni, terwijl de klok naar boven gaat; en plotseling zwijgt elk geluid in de werkplaats: al de aanwezigen—ook wij—houden den adem in: Hemoni en Verbeek staan in gespannen aandacht, met een blad papier in de eene en eene pen in de andere hand, gereed, elke valsche noot, elk min juist akkoord, elk gebrek aan overeenstemming op te teekenen; en het klokkenspel begint opnieuw. Maar thans ruischen de melodieën zuiver als kristal, en alleen aan de nabijheid, waarin wij geplaatst zijn, is het te wijten, zoo zij op ons niet die aangename uitwerking doen, welke zij eens uit de hoogere verblijfplaats, voor welke het klokkenspel bestemd is, in de ooren van marktbezoeker en wandelaar weerklinken zullen.

„Bravo! bravo!” roepen wij, zoodra de muziek ophoudt: „hoe kan ’t zijn, dat zulke zware instrumenten zulk eene liefelijke samenstemming van tonen kunnen teweegbrengen!”

„Ja,” zegt Verbeek, terwijl zijn gelaat van welgevallen schittert bij ’t ophalen der verdiensten zijns vriends: „dat had niemand kunnen denken, voordat onze meester hier de kunst uitvond. Tot op zijn tijd hing het treffen van den juisten toon van een tal berekeningen af, die, wanneer zij ongelukkig faalden, het geheele werk deden mislukken. Dan moest er weer opnieuw gevormd, en opnieuw gegoten worden, totdat men eindelijk een gunstiger uitkomst verkregen had; maar dan mocht het eer toeval heeten dan kunst: en de meeste klokkenspelen lieten nog veel te wenschen over. Maar onze meester François kwam het eerst op het wijze denkbeeld om de zwaarte van het gietwerk iets ruimer te nemen, en ook den toon wat hooger dan te voren, en dan de klokken met stalen beitelwerk uit te draaien, tot zij op den juisten toon waren gebracht en alle volstrekt samenstemden. Dat stemmen nu wordt, zooals de heerschappen gezien hebben, altijd zoo nauwlettend verricht, dat niemand bij ’t geluid mag spreken en wij onze aanmerkingen schriftelijk opteekenen, om ze elkander eerst mede te deelen als het spel heeft opgehouden. Ja hij heeft het zoover gebracht, dat het gewone klokkeluiden, dat elders spoedig verveelt, hier te Amsterdam iets welluidends heeft. Immers er zijn vier groote klokken van hem, waar men mee luidt, van welke de kleinste en de grootste, of de hoogste en de laagste, net een octaaf verschillen en de twee middelsten op een quint of tertie tusschen beide gaan, zoodat, ’t zij men ze alle vier, of er maar twee of drie van luidt, zij altijd een geluid geven dat muzikaal accordeert.”

„Ja,” zegt Pieter Hemoni, met een vroolijken glimlach: „sij lank soek’, eer sij tekenwoordik op de wereld eene stad vind’, soo voorzien van kunstikke klok’ als Amsterredamme.”

„Bah!” zegt François: „watte isse er, dat bij Amsterredamme is te verkelijk? Waar finde men erkens eene smid, asse meester Wouter Geurtsgen, die soo excelleer in ’t smeeden van ijzeren traliën met loofewerke en krullen, soo net met den ’amere kemaak, dat men niet zou kunnen et soo keurig maak in de kieterij? Nu, ij dan ook lever sijn werk aan den konink van Sweden en andere uit’eemsche prinsen. En waar vinde men kastemakere, die zoo kunstik inlekwerk weten te maak, dat door de eele wereld kezok wor? En waar mozaïsten als meester Dirk Van Rijssewijk? ’t Mot alles van ier koom, waar de foorname liede te Londre of Paris unne saal en pronkkamer mee versier, en anders is ’t niet koet.”

En nu brengen wij, op ’s mans voorstel, een bezoek aan de gieterij. Wij zullen er niet anders van zeggen, dan dat, had Schiller anderhalve eeuw vroeger geleefd, men zou hebben kunnen denken, dat hij hier de inspiratiën geput had, die hem zijn heerlijk „Lied van de klok” deden schrijven, en dat wij versteld staan, wij, die ’t gebruik der stoomwerktuigen kennen, hoe, zonder hun hulp, en met de middelen, die hem ten dienste stonden, Hemoni, in betrekkelijk korten tijd, zoo ontelbaar vele meesterstukken uit zijne gieterij heeft kunnen afleveren.

Bij het keeren van daar, en voordat wij afscheid nemen van onze heusche kunstenaars, wijst Pieter Hemoni ons nog, in een hoek van de werkplaats, die tot kantoor gebezigd wordt, boven den schrijflessenaar een vers, in plano gedrukt en in een koperen lijst gevat, en van den volgenden inhoud:

Op het Klokmusyk t’ Amsterdam. Nec mortate sonans.

Laet al d’ oude Grieken zwijgen,

Stoffende, zoo trots en fier,

Van Amfions goude lier,

Op wiens klank de vesten stijgen,

Van den hemel zagh bescheenen,

Daer zoo veel vertrooide steenen

Zich verhieven uit het plat,

Op de maat van snaer en zanger,

Wij verwondren ons niet langer.

Droom en kluchten gaven stof

Aen de lichtgelovende ouden,

Die gedroomde steden bouden,

Dat versieren ging te grof.

Grieken, dartel in zijn vonden,

Zoekt uit duisternisse licht,

Diende zich van ydel dicht,

Aan geen schijn van reên gebonden,

Toen het geestigh logens goot,

En zijn verf niet eens verschoot.

Wij, verlicht door ryper klaerheit,

Mogen spreecken, rijck van roem,

Zonder dat men ’t werck verbloem’,

In der daedt, en in der waarheit:

Gysbrechts stad wordt rontom heen,

Op muzyk van torenklokken

Met een steenen muur omtrokken,

Wordt gekloncken hecht aan een,

Wijl Verbeek met voet en vingeren

Klancken weet daaraan te slingren.

Hij verdooft met klokgeluit

D’ allereêlste kerkkooraelen,

Speelt met klokken, als cymbaelen,

’s Hemels kooren kycken uit,

Op de heele en halleve uuren,

En de vierendeelen mee,

Steeckt de Koningin der zee

’t Hooft nu trotser uit haer muuren,

Gort haer vruchtbren schepetuin

Met een gordel van arduin.

Ik verhef mijn toon in ’t zingen

Aen den Aemstel en het Y,

Op den geest van Hemony.

D’ eeuwige eer van Loteringen,

Die ’t gehoor verlekkren kon

Op zijn klokspijs, en zijn nooten,

Ons zoo kunstrijk toegegoten.

’t Lust ons op de klokketoon,

Ons doorluchte torentranssen,

Eenen klokkedans te danssen.

Cybelé behaelt geen prijs

Door geschal van keteltrommen,

Nu de torentransen brommen

Met een liefelijker wijs,

Dan haer dolle Korijbanten.

Geen of een alleen vermagh

Om te voeren nacht en dagh

Eenen rey van musikanten.

Voert dien klokhelt op ’t altaer,

Eens gezien in duizent jaer.

MDCLXI.

J. v. d. Vondel.

In de paarlemoeren Schelp.

Wij hebben de woning van Hemoni verlaten en, onzen weg langs de Keizersgracht vervolgende, zien wij uit de Wolvestraat drie heeren komen, wier deftig voorkomen en sierlijke kleedij ons doen vermoeden, dat zij tot den aanzienlijksten stand behooren. Zij spreken een uitheemsche taal, maar toch meenen wij, aan de wijze waarop zulks door twee hunner geschiedt, zoowel als aan hunne gelaatskleur, houding en manieren, stadgenooten te herkennen. Alleen de derde, die, op de eereplaats, in ’t midden gaat, is blijkbaar een vreemdeling. De kwistige overvloed van bonte pluimen, die rondom den bol van zijn hoed golven, de zwier, waarmede de oranjekleurige, met goud gestikte mantel van den linkerschouder afhangt, de gouden ketens, die zich kruisen onder en over de slippen van eene das, uit het fijnste kantwerk vervaardigd, de omgekeerde piramide van veelkleurige linten, die ’t onderlijf bedekt, de breede kanten, die over de omgeslagen randen neervallen der laarzen, met gouden sporen voorzien, die weelderige opschik in één woord, en daarbij die gele, doorschijnende tint van het gelaat, die blinkende raafzwarte vlechten, die in natuurlijke krullen tot ver over de schouders heen dartelen, die levendige, als sterren vonkelende oogen, en die welluidende uitspraak van de liefelijkste aller talen, stellen het buiten allen twijfel dat wij hier een Italiaan voor ons uit zien gaan, en wel, dat wij de lingua romana in bocca toscana hooren spreken.

En zoo is het ook. Die vreemdeling, die op de plaats van eere gaat, is niet slechts een Toskaner, maar een Florentijner, en niet slechts een Florentijner, maar een zoon uit het doorluchte Huis van Medicis, die de groote wereldstad bezoeken en kennis komt maken met de rijkdommen en merkwaardigheden, waardoor zij zich op dit tijdstip—wij tellen nu 1667—boven alle andere van Europa onderscheidt. De Medicis, dien wij daar voor ons zien, is Kosmo III, zoon van den Groothertog Fernando, en de heeren, die aan weerszijden van hem wandelen, zijn—de Burgemeester Andries De Graeff, die van de reizen, welke hij, op ’t voorbeeld der meeste jongelieden van goeden huize, in de dagen zijner jeugd naar Frankrijk en Italië deed, zooveel van de taal van Petrarca onthouden heeft, dat hij zich nog verstaanbaar daarin kan uitdrukken—en de Heer Albertus Benzi, de voorname Amsterdamsche koopman, die, Italiaan van afkomst, groote zaken doet met zijne stamgenooten, de belangen van de Medicissen en andere doorluchte Florentijnsche geslachten te Amsterdam waarneemt, en thans den Prins tot gids en tolk verstrekt. Wij bemerken nu, dat de vijf of zes andere heeren, die de reeds genoemde op korten afstand volgen, tot hun gezelschap behooren. Twee daarvan zijn edellieden van ’s Prinsen gevolg, de overige zijn jeugdige leden van Amsterdamsche Regeeringsfamiliën, den doorluchtigen bezoeker als eene soort van eerewacht toegevoegd.

Wij zijn toch nieuwsgierig te weten, wat de Prins en zijne geleiders elkander alzoo te vertellen hebben, en, gebruik makende van ons voorrecht, om alles te hooren en te zien, zonder zelven opgemerkt te worden, voegen wij ons bij hen.

„Ik betuig uwe Edelheid,” zegt Kosmo, terwijl hij even stilstaat, om het vergezicht gade te slaan, dat hem van de brug af, waar hij zich op bevindt, rechts en links wordt aangeboden, en zich te verlustigen in het bont gewoel der talrijke schaatsenrijders, die hier op en af langs de baan zwieren, „bij al de wonderen, waarvan ik reeds ooggetuige geweest ben in deze uwe stad, niet te begrijpen, hoe er nog iets zou kunnen zijn, dat mij verwondering baarde.”

„Uwe Doorluchtigheid is te welwillend,” zegt De Graeff: „wat is Amsterdam toch, in vergelijking met Florence, Venetië, Genua, en het eenige Rome? Wij zijn er hier al grootsch op, als wij eenig marmer binnen onze nederige woningen hebben, terwijl ten uwent geheele paleizen uit marmer rijzen.”

„En ziedaar juist wat mij met verbazing slaat,” hervat Kosmo: „dat gij, een land bewonende, dat noch marmer, noch steen, noch timmerhout oplevert, toch eene stad als deze op palen hebt weten te stichten, en op die palen huizen gezet, in een bouwtrant, die, van den onzen verschillende, minder statig en grootsch, maar tevens minder eentonig, en oneindig vroolijker, bevalliger en netter is, en die huizen van binnen hebt weten te stoffeeren, niet enkel met het kostelijkste marmer, maar ook met pracht van tapijten, gordijnen, behangsels en meubelen, zoo kunstig en prachtvol als waarvan men bij ons in de verste verte geen denkbeeld heeft. Gij moet dan gruwzaam rijk zijn, gij Heeren Amsterdammers.”

„Ik weet niet,” verstout Benzi zich op te merken, „of uwe Doorluchtigheid hier wel te recht den tegenwoordigen tijd van ’t werkwoord bracht. Die laatste Engelsche oorlog heeft ons vrij wat achteruitgezet.”

„Men kan ’t niet merken,” zegt de Prins, lachende: „en dan,” vervolgt hij: „wat al kunstenaren in alle vakken! Gij hebt schilders, wier manier van de Italiaansche verschilt, doch die op hunne wijze met het penseel weten te tooveren en begoochelingen teweegbrengen, waardoor men de natuur zelve waant te aanschouwen: gij hebt bouwmeesters en beeldhouwers, zoogoed als zij ergens te vinden zijn: uw orgelspel overtreft al wat ik ooit gehoord heb; uwe schrijnwerkers, juweliers, goudsmeden en andere kunstenaars van dien stempel zijn de voortreffelijksten, die men vinden kan: uwe drukkerijen zijn de beste van Europa; in elk ambacht levert gij de meest gezochte stukken werks:—ja ik zou niet weten in welk vak eenige stad u den prijs kon afwinnen.”

„Indien het mij geoorloofd is, dit te zeggen,” merkt ’s Prinsen Hofmeester, Signor Filippo de Neri, aan, die, met de overige heeren de brug opgekomen zijnde, de uitboezeming van den Prins gehoord heeft: „dan zou ik willen doen opmerken, dat Amsterdam geene mozaïsten bezit, gelijk Florence die bij menigte telt.”

„Om in ’t mozaïek te werken,” zegt Kosmo, de schouders ophalende, „moet men de onderscheidene soorten van marmer en gesteenten, die men behoeft, maar voor ’t grabbelen om zich heen vinden, en hoe zou een kunstenaar daar te Amsterdam aan geraken?”

„’t Is zooals Z. Doorluchtigheid te recht aanmerkt,” zegt meesmuilende Benzi: „de materialen ontbreken hier:—intusschen, Signor Filippo heeft nog niet alles gezien, wat er in Amsterdam te zien valt.”

„Neen, waarschijnlijk niet,” zegt Kosmo: „doch waar gaan wij nu eigenlijk heen?”

„Naar een winkel in de straat hier recht tegenover ons, zoo ’t Uwe Doorluchtigheid goeddunkt,” zegt De Graeff.

„Ik volg blindelings het geleide van Uwe Edelheid,” antwoordt Kosmo: „als wel wetende dat ik dan onmisbaar goed te recht kom.”

En wederom zet zich het gezelschap in beweging. ’t Werd ook tijd; want de voorbijgangers, nieuwsgierig als de Amsterdammers van oudsher geweest zijn, en wel steeds zullen blijven, hebben zich langzamerhand om het gezelschap heenverzameld en staan den „vreemden Prins” reeds op eene vrij onbescheiden wijze aan te gapen. Doch de wandeling, die men te doen heeft, is niet groot, en men is spoedig van ’t lastige bekijk verlost; halverwegen de Beerestraat vertoont zich een gewoon burgerhuis, dat zich in niets van de overige onderscheidt, dan door de kolossale gekleurde schelp, die, bij wijze van uithangbord, boven de luifel uitsteekt. Het is deze woning, welke de Burgemeester zijn voornamen gast verzoekt binnen te treden, en, gevolgd van het geheele gezelschap, begeven zij zich, door de openstaande voordeur en het donkere voorhuis, naar eene ruime, goed verlichte achterkamer, die tot werkplaats dient, en waar zich, op dat tijdstip, drie personen bevinden. Van die drie is er een, die blijkbaar de bewoner van het huis is, achter eene tafel gezeten, op welke het blad eener andere tafel gelegen is. De man is reeds van gevorderden leeftijd: hij draagt eene kalot op het hoofd, en een knijpbril op den neus, en is bezig, uit platgemaakte schelpen, waarmede verschillende houten bakken naast hem gevuld zijn, de zoodanige te kiezen als hem dienstig zijn voor zijnen arbeid. Wat de knaap, die zich achter hem bevindt, uitvoert, is moeielijk te zeggen; want, reeds op het eerste gerucht van aankomende bezoekers, heeft hij een kleed geworpen over de tafel, bij welke hij aan ’t werk is. De derde persoon, die zich in de werkplaats bevindt, is een bejaard man in eenvoudige burgerkleeding, die bij het binnentreden des Burgemeesters terstond is opgerezen van de houten schabel, waarop hij gezeten was, en zich bescheiden in een donkeren hoek van de kamer terugtrekt. Ook de heer des huizes is, zoodra hij, van zijn arbeid opkijkende, de qualiteit der bezoekers heeft bespeurd, opgestaan, om hen te begroeten en hunne bevelen af te wachten.

„Gij houdt het mij ten goede, meester Dirck,” zegt De Graeff, „dat ik u hier den Prins van Toskane breng, die wel zien mag, dat men ook elders dan in Florence tafels weet in te leggen naar de wijze der mozaïsten.”

„’t Zal mij veel eer zijn,” antwoordt meester Dirck, „en,” voegt hij er met eene niet ongepaste zelfverheffing bij, „hij zal de eerste groote sinjeur niet geweest zijn, die zich overtuigd heeft, dat de Amsterdammers ook nog wat kunnen uitvoeren.”

Kosmo heeft van deze woordenwisseling natuurlijk niets verstaan; doch hij heeft er ook geene moeite toe gedaan; zijne aandacht is, reeds van ’t eerste oogenblik, aangetrokken geweest door het kunstwerk, dat hij voor zich ziet en geheel verdiept in de beschouwing van dat ronde blad van toetssteen, waarop, binnen een half voltooid randwerk van loofwerk, bloemen en vruchten, eene vaas is afgebeeld, mede gevuld met gebloemte van alle soort, rondom hetwelk bontkleurige kapellen, juffers, bijen, gouden torren en andere gevleugelde insecten vliegen, en dat alles, in plaats van met verven, met paarlemoer afgebeeld, zoo kunstig en natuurlijk, dat gij elk diertje, elk blad, elke bloem of vrucht als in leven waant voor u te zien.

De Prins heeft een tijdlang in zwijgende verbazing de oogen op dat blad gevestigd gehouden; maar nu richt hij ze op naar den kunstenaar, en, terwijl zijn gelaat de minzaamste uitdrukking aanneemt, geeft hij hem door blik en gebaren de opgetogenheid te kennen, die het aanschouwen van dit meesterstuk bij hem heeft verwekt.

„Het is gelukkig,” zegt hij vervolgens, zich tot Filippo de Neri wendende, „dat gij met den Heer Benzi geene weddenschap hebt aangegaan over het al of niet bestaan van mozaïsten te Amsterdam: gij ziet nu, dat ook in dezen opzichte, Amsterdam niets aan Florence te benijden heeft.”

„’t Is er mede als met de schilderijen, Uw Doorluchtigheid,” zegt de Neri, die zich niet als verwonnen wil beschouwen: „de manier van werken tusschen onze en de Hollandsche meesters is verschillend; maar elke heeft hare eigene verdiensten.”

„En is dit alles uit louter paarlemoer vervaardigd?” vraagt Kosmo.

De kunstenaar, aan wien De Graeff de vraag heeft overgebracht, vergenoegt zich, tot antwoord, aan den Prins de bakken voor te houden, waar de materialen zich in bevinden, die hij tot zijn arbeid gebruikt. Die bakken bevatten een aantal dunne, platte schijfjes en schilfers, elk van eene verschillende kleurschakeering, van donkerbruin tot zilverwit.

„En hoe weet gij nu die deelen, waar de ruwe, holle schelp uit is samengesteld, dus van elkander te scheiden en plat te slaan, zoodat zij tot het gebruik kunnen dienen, waarvoor gij ze bestemt?” vraagt Kosmo.

„Indien ik hem dat vertelde,” zegt Meester Dirck, op het vernemen der vraag, en terwijl hij met een ondeugenden glimlach naar de overdekte werktafel achter hem omziet, „dan zouden zij het te Florence ook spoedig weten.”

„Onze brave kunstenaar heeft geene te hooge gedachten van mijne bescheidenheid,” zegt lachende Kosmo, nadat hem het antwoord van meester Dirck is overgebracht: „en toch, ik kan hem geen ongelijk geven.—Met dat al, ’t is niet het werktuiglijke van zijne kunst, dat hier ’t meest in aanmerking komt: ’t is het scheppend genie, dat bij den arbeid heeft voorgezeten, dat die bloemen en dat loofwerk van den rand zoo los en bevallig dooreen heeft weten te slingeren, dat bij het samenstellen van den ruiker in die vaas eene zoo verwonderlijke schikking heeft weten in acht te nemen, waardoor elke bloem en bloemstengel evenzeer uitkomt, en er toch niets is, dat rammelt of aan de werking van het geheel schade doet. Voorwaar, die man is, als teekenaar, als schilder, grooter nog dan als kunstwerker, en wel waardig dat de dichters zijn lof bezingen.”

„En dat hebben zij ook gedaan,” zegt Benzi: „ginder,” vervolgt hij, op den man wijzende, die bij de komst van ’t gezelschap zich in een hoek der werkplaats begeven had, en daar in eerbiedige houding is blijven staan: „ginder staat onze puikdichter, die reeds meer dan een halve eeuw alles bezongen heeft wat Amsterdam goeds en grootsch opleverde en ook meester Dirck Van Rijswijk niet heeft vergeten.”

Kosmo wendt den blik naar den persoon, die hem wordt aangewezen, en beschouwt met aandacht die flinke gestalte, dat wakker en open gelaat, dat breede voorhoofd, en dat oog, waaraan het wicht van tachtig, vaak kommervolle jaren, niets van zijn gloed ontnomen heeft.

„Men kan het dien man aanzien, dat hij een dichter is,” zegt hij tegen De Graeff.

„Hij wordt voor den besten gehouden, dien wij hebben,” zegt de Burgemeester: „jammer maar, dat zijne financiën in geen beteren staat zijn: de poëzie moge eene schoone zaak zijn, zij geeft geen brood.”

Vondel had in vroegere dagen ook een weinig aan ’t Italiaansch gedaan: hij heeft er genoeg van onthouden, om de woorden te verstaan, door De Graeff gesproken, en een smartelijke glimlach zweeft om zijn mond. Kosmo heeft dien opgemerkt, en hij wil een pleister op de wond leggen, die hij gevoelt dat den dichter geslagen is.

„De poëzie geeft meer,” zegt hij: „zij geeft de onsterfelijkheid niet alleen aan den zanger, maar ook aan hen, die hij tot stof zijner zangen kiest.”

„Verstaat gij, sinjeur Vondel! wat zijne Doorluchtigheid zegt?” vraagt De Graeff, op een half spottenden toon, aan den dichter: „hij zegt, dat gij mij onsterfelijk gemaakt hebt; want ik behoor tot dezulken, op wie gij rijmen gemaakt hebt.”

„Ik heb het verstaan,” antwoordt de grijsaard, terwijl hij met een vriendelijken blik en eene nederige hoofdbuiging den Prins voor zijne heuschheid dankt: „intusschen,” vervolgt hij, zich weer naar De Graeff richtende, „heeft Uwe Edelachtbaarheid wel gezorgd, dat haar naam vereeuwigd blijft, zonder dat ik daar iets aan kan toe of afdoen.”

„Gij verstaat dan ook Italiaansch?” vraagt Kosmo, met jeugdige drift, om de tafel heen, naar Vondel toeloopende.

Vondel maakt eene diepe buiging; terwijl hij bij zich zelven zich beklaagt, niet machtig te zijn in dezelfde taal, waarin hij wordt toegesproken, behoorlijk te antwoorden; doch zijne tegenwoordigheid van geest redt hem uit de verlegenheid en, het Latijn te baat nemende, betuigt hij aan den Prins zijn leedwezen, dat onkunde en ongewoonte hem verhinderen, zich van den schoonen tongval te bedienen, waarin Petrarca en Guarini hadden gedicht.

„Maar gij kent hen toch,” zegt Kosmo, zich mede van de Latijnsche taal bedienende: „en Tasso, hebt gij hem gelezen?”

„De vriendin, waar ge van spreekt,” zegt Kosmo, „bewees eene vrouw van smaak en oordeel te zijn: van smaak, dat zij het „verlost Jeruzalem” op prijs stelde, van oordeel, dat zij den raad innam van een zoo voortreffelijk dichter, als waarvoor gij, naar ik hoor, bekend staat. Uw naam is....”

„Justus Vondelius, Uwe Doorluchtigheid.”

„Het spijt mij nu dubbel, uwe taal niet te verstaan; want daardoor is mij het genot ontzegd, uwe schoone zangen te lezen. Gij hebt, hoor ik, ook de wondere gewrochten van gindschen kunstenaar bezongen.”

„Ik heb twee van zijne tafels bezongen,” antwoordt Vondel, „de eene, niet ongelijk aan degene, waar meester Dirck thans aan bezig is, en die tot een geschenk moest strekken aan wijlen den Directeur-Generaal Hulft; de andere van meer omvang, en het feestmaal der Goden voorstellende.”

„Die tienduizend gulden heeft gegolden,” voegt Benzi er bij.

„Tienduizend gulden!” herhaalt de Prins: „maar dat is een rantsoen voor een Vorst; en ik zal mijne kas wel aandachtig mogen raadplegen, eer ik mij veroorloof, hier eene bestelling te doen.—Nu, Signor Justus, gij zult mij verplichten, indien gij mij die beide gedichten wilt doen toekomen: ik zal ze hier ter stede door een bekwamen tolk in ’t Italiaansch laten overbrengen en ze als een gedachtenis medenemen.”

En met eene minzame hoofdbuiging afscheid nemende van den dichter, begeeft hij zich weder naar de tafel en laat aan Meester Dirck vragen, of hij ook werkstukken heeft, die voltooid en te koop zijn. Rijswijck geeft hierop een wenk aan zijn dienaar, en deze, eene kast openende, haalt daar eenige schenkbladen en andere voorwerpen uit, van minderen omvang dan het kunststuk, dat nu onder handen is, doch, wat de bewerking aangaat, niet minder keurig en uitvoerig. Immers ook van deze kan men, met Vondel, zeggen:

....Hier blinckt de schoone regenboog

Van bloemen loofwerck en festoen,

Uit root en blaeu en geel en groen

En gout gemengelt, in ons oogh....

Gemengt uit onderscheiden kleur,

Trots Indisch velt, een lucht en geur,

Hier praelt robijn, saffier, turkoos.

Hier blinckt de gout- en zilvermijn.

Hier rijst de witte morgenstar.

Zy voert den dagh af op haer kar

En boodschapt ons den zonneschijn....

....Hier legt de schilder zijn palet

En rijck penceel uit zijne hant.

De juwelier acht diamant

Noch dier gesteente, in gout gezet.

Dees kunst schept, uit een ruwe schulp,

Gesteente, en tulpen, knoppen, blaên

Gestarnte, en licht, en zon, en maen.

Zy neemt vernis noch verf te hulp.

De schilderkunst verschiet haer verf,

Gelijck de maaght haer frissche jeught,

De tulpen zien haer waerde en vreught

Verwelckt of schrikken voor bederf.

De rijp, de nevel en de mist

Verstickt de tulp: een felle storm

Verslijt haar leven, eer men ’t gist:

De paerlemoerbloem, op haar steel,

Volght d’ eeuwigheit in duurzaemheit

En blijft tot dat de werelt scheit,

Waer bloeide ooit eêler bloempriëel!....

of ook, op eene andere maat;

....Hier weit het oogh in allerhande bloemen,

De kunst verdooft de stof.

....Stoft d’ Indiaan op d’ endeloze rente

Van ’t vrolijck ooftsaizoen.

Dat eeuwigh duert: het is hier eeuwigh lente.

Geen kou verbijt dit groen.

....Dees veltzwarm ziet den dischbeemt nooit verdorren.

Het leeft er overal

Van krekel, vliegh, wywouter, goude torren,

En joffren zonder gal,

De maenebloem, de starrebloemen locken

Die vlugge zielen uit.

De morgenstar, de korenbloem, de kloeken

Ontluiken op ’t geluit.

De kivitsbloem, en keur van schoone tulpen,

Die, als ’t kameleon,

Met menigh slagh van verwen zijn behulpen,

Bekooren zelf de zon,

Genoffel, of eenverwigh, of gemengelt,

Gezegent met een lucht

Het hart verquickt, als ’t zucht....

....Wat quist men tijt om ’t eeuwige bewegen

Te heffen op het hooft!

Dat uurwerck speelt en draait u eeuwigh tegen

En flikkert onverdooft.

Dees zonnebloem volght met haar drijvende oogen

De zon, haar bruidegom.

Zy lonckt haar aan, van zuivre min bewogen

En zoeckt zijn gunst alom.

Wanneer haar lief zijn hooft en gouden luister

Des avondts onderhaelt,

Dus leentze noch den zonneglans by duister,

Hoe diep hy nederdaelt....

„Welnu!” zegt eindelijk Kosmo, nadat hij eene der tentoongestelde voorwerpen heeft uitgekozen: „gij zult dit aan mijn logement doen bezorgen, Signor Van Rijswijck, en hier,” op Filippo de Neri wijzende, „is mijn schatmeester, die er den brenger de honderd dukaten voor uitbetalen zal, die gij er voor vraagt. Ik stel er mij een feest van voor, dit kunstwerk aan de mozaïsten in mijn vaderstad te wijzen: en hou u maar goed, Signor! als deze of gene onder hen hier komt en u de kunst poogt af te zien.”

Het bezoek is afgeloopen en het hooge gezelschap heeft de werkplaats van Meester Dirck Van Rijswijck verlaten.

„Een nobel Heer, die Prins van Medicis,” zegt Vondel, na hun vertrek, tegen zijn vriend den kunstenaar: „zie, onze groote Heeren hier zijn brave, eerbiedwaardige mannen, en toonen zich bij wijlen ook wakkere Mecenaten; maar toch ontbreekt hun iets, dat deze vreemdeling bezit.”

„Wat dan?” vraagt meester Dirck, verwonderd.

„Wat?—het echte kunstgevoel,” antwoordt Vondel, spijtig voor zich ziende.

„Ei wat,” herneemt Rijswijck: „zij hebben toch mijn feestmaal der Goden met tienduizend gulden betaald.”

„Ja, dat hebben zij,” zegt Vondel, peinzende, en het gevoel onderdrukkende, dat bij hem ontstaat op de vraag, die in weerwil van hem zelven bij hem oprijst, waarom of zijne verzen, die toch ook een kunstig gevlochten, en de eeuwigheid verdurenden krans vormen van bloemen, loofwerk en vruchten, of niet, of met eene aalmoes betaald worden: „dat hebben zij: maar zij hebben uw werk, zij hebben de schilderijen van Van der Helst of Stockade, en de beelden van Quellijn betaald, zooals zij ’t een kostelijk meubel, een pronkstuk in hun vertrek of voorportaal doen:—en zij achten in den grond noch uw kunstwerk, noch die schilderijen of beelden meer dan een nieuwmodisch behangsel of vloertapijt, dat veel geld kost: en zij kunnen er den hoogeren geest niet in herkennen, die u en die andere groote kunstenaars bezield heeft. Maar die Italiaan is in eene andere lucht gewonnen en gevoed: op dien bodem, die voorheen Maro’s en Flaccussen gekweekt heeft, waar de liefde tot de kunst eeuw in eeuw uit van de vaderen op hunne nazaten is overgegaan, en waar, nog heden, zoowel de Heilige Vader op ’t Vaticaan, als de nederigste landbouwer op ’t veld, de verzen van Virgilius en die van Tasso of Petrarca in den mond heeft en zich buigt voor de kunstgewrochten van Titiaan en Rafaël en Michel Angelo. Zie!—daar had ik moeten geboren zijn.”

„Gij, vader Vondel!” zegt Rijswijck: „’t mocht wat: al zijt gij van Keulen hierheen gedwaald, gij zijt en blijft toch een Amsterdammer in uw hart.”

„Nu ja, dat is waar,” herneemt de grijsaard, wederom als tot zich zelven sprekende: „want het is te Amsterdam, dat ik geleefd en geleden, en schier al wat mij dierbaar is begraven heb.”

„Wat mij betreft,” hervat Rijswijck, na een langdurig stilzwijgen van weerszijden: „ik verheug mij, dat ik hier woon; want ik twijfel of ergens, behalve hier, mijne tafels zoo goeden aftrek zouden vinden tot den prijs, waar ik ze op gezet heb.”

Den volgenden dag ontving Kosmo van Medicis het bestelde schenkblad; gelijk mede de verlangde gedichten; doch bij deze laatsten was de navolgende tweespraak gevoegd, die Vondel ter eere van ’s Prinsen verblijf te Amsterdam had vervaardigd:

Amsterdam.

Wat glori komt mijn hooft beschijnen,

In ’t hartje van den wintertijt!

Italiaen.

De morgenstar der Florentijnen,

Een eeuwige eer, uw kroon benijt.

Amsterdam.

Wat telgh is ’t? Uit wiens stam gesproten?

Spreekt duitlijck Duitsch. Hoe luit die naem?

Italiaen.

De jonge Kosmo van den grooten,

De waerelt kenbaer door zijn faem.

Amsterdam.

Een godtheit daelt, als uit de wolcken

Om laegh in ’t vrye Nederlant.

Italiaen.

Onthaelt van zeven vrye volcken,

Daar gy alleen de zeekroon spant.

Amsterdam.

Zoo zagh voorheen de groote moeder

Italiaen.

De moeder van den Franschen hoeder,

Geheilight door het lelibladt.

Amsterdam.

Nu schoonvaêr der Toskaensche spruit.

Italiaen.

En eert u noch in hare neven.

Gy zeilt hun havens in en uit.

Amsterdam.

Fernandus zagh mijn bloedvlagh paelen,

Toen ’t Britsch kasteel ten hemel voer;

Italiaen.

Dat uwen waterleeuw van Galen

Den doot in ’s Hertoghs haven zwoer.

Amsterdam.

De zoon kan hier het graf aanschouwen,

’t Welck ’s helts gebeent en naem bewaert;

Italiaen.

En daeden, op de zerk gehouwen.

Zoo blijft de deught alom vermaert.

Amsterdam.

Dees prins ziet hier mijn schiltkroon proncken,

Italiaen.

En keizers gifte uw trouw geschoncken,

Zoo blinckt Florence te Amsterdam.

Amsterdam.

Mijn kapitool, bij zijn gebouwen

Geleken, zal te pover staan.

Italiaen.

Ik zweer, ’t gezicht wil hem noit rouwen,

Hat wijckt Sint Mark, noch Vatikaen.

Amsterdam.

Maer d’ Arno schenckt gezonder luchten

En ooft, dan d’ Aemstel hem kan biên.

Italiaen.

Uw mastbosch draeght ook goude vruchten,

Een bosch, van Princen waert bezien,

Amsterdam.

Prins Kosmo dreight den Griekschen roover

Te ketenen op Tunis strant.

Italiaen.

Zoo wordt die zeepest uitgebrant.

Amsterdam.

Dan keerenze met Kriste-slaven,

En Smyrna ziet den handel vry.

Italiaen.

En d’ Aemstelheer onthaelt zijn braven

Met zeekortouwen langs het Y.

Amsterdam.

Dan brult de zeeleeuw van Venedigh,

En Kandië schept verschen moedt.

Italiaen.

Hy wet zijn klaauwen eens zoo snedigh

En Villa dempt al ’t helsch gebroet.

Amsterdam.

Dan krijgt Europe een nieuw gestalte,

En ’t kruis braveert de Turksche maen.

Italiaen.

Gansch Barbarye schrikt voor Malte.

Dat Asië en haar maght houdt staen.

Amsterdam.

Geene afgunst groey noch rijze tusschen

Den Hertogh en ’s lants vrijen staet.

Italiaen.

De Batavier omhels Hetrusschen

Zoo lang de zon te water gaet.

Bij Burgemeester Witsen.

Uit de Beerestraat op onze schreden teruggekeerd en de brug weder overgegaan zijnde, begeven wij ons rechts de Keizersgracht op, naar het fraaie huis met een hardsteenen gevel, dat ginds over den Schouwburg, Costers oude Academie, zeven-en-twintig jaren geleden—wij zijn nu in 1688—door den bewoner werd gesticht. Die bewoner is Mr. Nikolaas Witsen, sedert 1671 Raad, sedert 1673 Schepen, in 1682, 1685, en ook nu wederom, Burgemeester van Amsterdam. Wij komen de stoep op te gelijk met een welgekleed Heer, die er aanschelt, en terwijl hij wacht, dat hem opengedaan wordt, hebben wij den tijd, hem in oogenschouw te nemen; wat wij beter kunnen doen, omdat hij in ’t volle licht staat der ondergaande Augustuszon. Mij dunkt, hij komt ons niet geheel onbekend voor: neen inderdaad, wij hebben dat gelaat meer gezien, en wel op eene dier schilderijen, aan de Stad behoorende, en die nog steeds op eene voegzame verblijfplaats wachten. Maar dáár is hij voorgesteld als een jong en krachtvol man, met levendigen oogopslag, wakker en blozend gelaat, donkerbruin haar, dat in weelderige vlechten over ’t voorhoofd en langs hals en schouders nedergolft, terwijl zijn eenige opschik bestaat in een omgeslagen halsboord en een oranjesjerp, die zijn wambuis omsluit;—terwijl nu datzelfde gelaat zich taankleurig en gerimpeld, de houding gebogen, de wangen flets en voos vertoonen, eene krulpruik het hoofd bedekt, eene kanten das met wit lint om den hals is gestrikt, en kanten manchetten uit de breede omslagen van den zwartfluweelen rok te voorschijn komen. En toch hebben wij wel denzelfden persoon voor oogen, maar, sedert hij op de schilderij werd afgebeeld als Sergeant der burgerij, zijn er jaren verloopen, en thans bekleedt hij de Burgemeesterlijke waardigheid. Geen wonder, dat er verschil bestaat tusschen den Jean Appelman van toen en den Jean Appelman van heden.

De deur gaat open: de knecht antwoordt op de hem gedane vraag, of zijn Heer thuis is, wel toestemmend, maar toch eenigszins aarzelend, laat den bezoeker in de zijkamer, en begeeft zich de trap op, naar het studeervertrek van zijn meester, binnen ’t welk wij hem volgen.

Wij behoeven niet te vragen of wij ons in de kamer eens geleerden bevinden. Niet omdat talrijke boekenkasten de wanden bedekken, zoodat alleen hier of daar het goudlederen behangsel doorschijnt;—want het bezit eener rijke boekverzameling begint reeds eene der noodwendigheden te zijn, die een man van vermogen—ook al slaat hij er nimmer een oog in—zich wel getroosten moet, wil hij niet voor een plomperd worden aangezien: neen, wat ons tot de zoo even vermelde overtuiging brengt, is, vooreerst, de meer bijzondere aard dezer boekerij, die, schoon verre van arm in werken, die tot godgeleerdheid, rechts- en staatswetenschap betrekking hebben of over letterkunde handelen, toch vooral waarde heeft door de volledige verzameling, die zij bevat, van hetgeen in vroegere en latere tijden over wiskunde in al hare onderdeelen is geschreven, en alzoo bij den bezitter eene bepaalde voorliefde aanwijst voor dat vak van studie:—ten andere, de omstandigheid, dat, waar de voorhang is opengeschoven, zich menige opene ruimte vertoont, getuigende dat aldaar óf een geheel werk óf een deel van eenig werk is uitgenomen, en dat, wanneer wij rondkijken, wij het ontbrekende boek op eene schrijftafel of op een stoel terugvinden, niet zelden open of met talrijke papiertjes bestoken, als zoovele aanduidingen, dat men het geraadpleegd heeft en nogmaals raadplegen wil:—ten derde, omdat de aanwezige aard- en hemelglobes niet, als in de meeste boekerijen het geval is, bij wijze van sieraden op de bovenhoeken der middelste kast prijken, zorgvuldig met hoezen tegen stof bewaard, maar open op eene tafel staan; terwijl evenzeer de talrijke wiskundige, optische en physische werktuigen, in kwistigen overvloed op tafeltjes, buffetten en consoles of zelfs op den grond uitgestald, de bewijzen met zich dragen, dat zij niet voor den pronk zijn aangekocht, maar wel degelijk aan hun bezitter aanhoudende diensten bewijzen:—en eindelijk, omdat de tafels overladen zijn met kaarten, boeken en schrifturen, en wij onder deze laatsten eene menigte opstellen van des bewoners eigen hand erkennen.

Wij bedriegen ons dan ook niet; de man, die daar zit, is werkelijk een der voornaamste wis- en sterrekundigen, waar Nederland op roemen mag, en zoowel de verhandelingen over de Zon en de Kometen, die hij als jongeling schreef, als het werk over de „Aloude en hedendaagsche Scheepsbouw en bestier,” dat hij, als vrucht van rijpere ervaring, in 1671 in ’t licht gaf, getuigen niet enkel van doorgaande en onvermoeide studie en werkzaamheid, maar vooral ook van grondige kennis der onderwerpen, door hem behandeld.

En toch zijn ’t, behalve een zee-atlas en eenige zeekaarten, en eenige tabellen, met weerkundige waarnemingen, geen boeken of papieren, tot het vak der wiskunde behoorende, die op dit oogenblik onder Witsens onmiddellijk bereik gelegen zijn:—neen: ’t is Grotius, de jure belli et pacis, ’t is een exemplaar van de Engelsche magna charta, ’t zijn proclamatiën en pamfletten, betrekking hebbende tot de jongste gebeurtenissen, in Engeland voorgevallen: en zoo het voorhoofd nog meer gefronst, de wenkbrauwen nog meer samengetrokken, de vorens om den mond nog dieper gegroefd zijn dan gewoonlijk, ’t is niet op eenig wiskundig problema, dat het schrandere brein thans bezig is te peinzen.

Doch Witsen is het niet alleen, die onze aandacht wekt, en, wanneer wij bloot op ’t uiterlijke afgaan, vinden wij ons meer aangetrokken tot den man, die tegen hem over gezeten is, en wiens vlug en vroolijk uitzicht, wiens levendige geestige oogopslag, wiens nu en dan spotachtige glimlach, tot zoovele bewijzen strekken, dat de last van een reeds gevorderden ouderdom hem niet zwaar valt en de lust des levens hem te midden van aanhoudende staatszorgen niet begeven heeft. Die wakkere grijsaard is Cornelis Geelvinck, Heer Van Castricum, sedert 1652 Raad, sedert 1657 Schepen, in 1673 voor de eerste-, nu voor de vierdemaal Burgemeester, Grooter contrast dan tusschen hem en den ernstigen, meest zwaartillenden Witsen is moeielijk uit te denken: en desniettemin—misschien wel juist daarom—bestaat voortdurend tusschen hen beiden de beste overeenstemming en verstandhouding. Al drukken zij, als ’t zaken betreft, hun gevoelen uit op geheel verschillende wijze, de slotsom komt meestal op ’t zelfde neer: Witsen schaamt zich somtijds zijne zwaarmoedigheid, wanneer hij een ambtgenoot van hoogere jaren en langer ondervinding, zoo moedig en voortvarend ziet, en Geelvinck toont zich minder haastig en luchthartig, wanneer hij de bezwaren heeft gehoord, hem ontwikkeld door iemand, wiens diepe kunde en helderheid van inzichten hij hoogschat.

„Burgemeester Appelman vraagt, of mijnheer geen belet heeft,” zegt de bediende, terwijl hij de deur half open houdt.

De beide Heeren zien elkander aan en eene wolk van misnoegen maakt voor een oogenblik het reeds zoo strakke gelaat van Witsen nog donkerder dan gewoonlijk. Hij bedwingt echter zijn wrevel en zegt:

„Laat den Heer Burgemeester hier.... maar luister!—ik ben voor niemand verder te spreken, dan voor den Heer De Wildt: dien brengt gij, als hij komt, naar de zaal, en komt mij dan waarschuwen.”

De knecht buigt het hoofd en verwijdert zich.

„Juist nu een bezoek van onzen collega Appelman!” zegt Witsen tegen Geelvinck: „zou hij lont geroken hebben?”

„Geroken misschien,” zegt Geelvinck met een geruststellenden glimlach: „maar hij zal lang rondsnuffelen eer zijn neus hem bij de aangelegde mijn brengt. In allen gevalle, als hij bij ons komt visschen, zullen wij hem met een kluitje in ’t riet sturen.”

„Stil!” zegt Witsen, „daar is hij.”

Appelman komt binnen, en de beide Heeren rijzen op, om hem te groeten. Uit de koel beleefde wijze, waarop Witsen zich buigt en hem den leunstoel aanwijst, dien de knecht heeft gereed gezet, en uit de achteloosheid, waarmede Geelvinck na eene snelle buiging met het hoofd, weder in den pas door hem verlaten zetel terugvalt, mag men opmaken, dat de nauwe betrekking, waarin zij tot den bezoeker staan, tot heden nog maar weinig sympathie, ja zelfs geen gemeenzaamheid tusschen hen verwekt heeft, en de toon, waarop het gesprek aanvangt en voortgezet wordt, versterkt die opvatting niet weinig.

„Ik hoop niet, dat ik de Heeren stoor,” zegt Appelman, zoodra hij gezeten is.

„De komst van een ambtgenoot moet ons altijd welkom zijn,” zegt Witsen, wederom met eene beleefde buiging.

„Maar misschien ben ik nu over,” zegt Geelvinck, „en heeft de Heer Appelman iets aan den Heer Witsen te zeggen, dat ik niet hooren mag: in dat geval zal ik het veld ruimen.”

Hoe oogenschijnlijk beleefd deze woorden klinken, men mag twijfelen of zij oprecht gemeend zijn: immers onder ’t spreken werkt Geelvinck zich nog dieper in zijn stoel, slaat het eene been over ’t ander en neemt in alle opzichten de houding aan van iemand, die zich recht op zijn gemak zet.

„Verre van dien,” antwoordt de nieuwgekomene: „het is mij integendeel dubbel aangenaam, twee mijner ambtgenooten hier vereenigd te vinden: ik zal zoodoende een dubbel licht ontvangen.”

„Onze waarde collega scherst,” zegt Geelvinck, „hij zal ons toch niet willen doen gelooven, dat hij in duisternis verkeert en wij in ’t volle licht gezeten zijn.”

„Wij zullen in allen gevalle gaarne vernemen, welke inlichtingen de Heer Appelman verlangt,” zegt Witsen, met deftige hoffelijkheid.

„Om dan terstond tot de aanleiding van mijne komst over te gaan,” hervat Appelman; „zij is gelegen in mijne bezorgdheid over den keer, dien de politieke zaken nemen, en waarover ik volgaarne de gedachten der beide Heeren zou hooren.”

„En wat is er gebeurd,” vraagt Witsen, „dat juist nu stof geeft tot die meer bijzondere bezorgdheid?”

„Mij dunkt,” antwoordt Appelman, „dat die stof nog al voor de hand ligt; wanneer wij al die toerustingen zien te water en te land, die troepen, die op de Mookerheide bijeenkomen, die drukte op de Landswerven, die inspectiereizen, die Z. Hoogheid doet, en honderd andere dergelijke teekenen van onrustige beweging, dan moet men wel tot de slotsom komen, dat er iets buitengewoons op til is.”

„Wat zal ik u zeggen?” merkt Witsen aan: „wij hebben een tijd beleefd, toen er te weinig zorg voor de defensie gedragen werd, en dat is ons in 72 zwaar genoeg opgebroken.”

„Zie eens,” vervolgt Appelman, terwijl hij twee nummers van de Opregte Haarlemmer Courant voor den dag haalt, „de nieuwsmaren zelven brengen ’t uit voor wie ooren heeft om te hooren. Wat lezen wij hier in die van Dinsdag: „’s-Gravenhage den 16 Augusti. Gisteren zijn de Heeren Van Massis en Van Coeverden haer Ho. Mo. Gedeputeerden, na ’t Noorder Quartier vertrocken tot ’t bywonen van de Bestedinge van eenige nieuwe oorlogschepen,” en nu in die van gisteren: „tot het campement of de generale Revue over de troepen, dat op de Moocker Heyde in ’t laatst van deze ofte in het eerst van de andere maent staet gehouden te werden wort alles vervaerdigt.””

„Ik heb in dat nummer van gisteren eene betere tijding gelezen,” zegt Geelvinck: „die van de behouden aankomst der retourvloot met vierd’half millioen aan waarden.”

„Nu, dat behoefde de Haarlemmer Courant ons niet te melden,” zegt Appelman, de schouders ophalende: „er zijn immers reeds gisteren twee van de Heeren Bewindhebberen naar Texel gegaan om de schepen te ontvangen. Maar die krijgstoerustingen, waar kunnen die op zien?”

„Mij dunkt,” antwoordt Witsen: „daar is nog al grond voor te vinden. Heeft Frankrijk niet, om aan Keulen een Aartsbisschop naar zijne keuze op te dringen en evenzeer in Luik zijn haan te doen koning kraaien, de beide Bisdommen met zijne troepen bezet? En als aan onze grenzen onrust heerscht, is het dan zoo vreemd, dat de Staten maatregelen nemen, om onze veiligheid te verzekeren? dat Z. Hoogheid de grensvestingen in oogenschouw neemt, en dat er troepen op de Mookerheide samentrekken, om aan onze buren te doen begrijpen, dat wij niet slapen?”

„Nu ja, dat kan wezen: maar dan dat ongehoord versterken onzer zeemacht?”

„Mijn waarde ambtgenoot ziet mij aan alsof ik het helpen kon,” zegt Geelvinck: „het is hem toch bekend, dat ik reeds sedert het voorjaar mijne betrekking tot de Admiraliteit heb opgegeven, en niet verantwoordelijk ben voor ’t geen zij besluit.”

„Zeker niet,” zegt Appelman: „maar toch zou de gissing misschien niet te gewaagd zijn, dat de Heer Van Castricum met het doel dier uitrusting bekend was en daarom juist zijn ontslag genomen heeft.”

„De Heer Van Castricum wordt oud,” hervat Geelvinck, droog weg: „en op zijne jaren heeft men aan het Burgemeesterschap al meer dan genoeg te dragen.—Maar anders, wat het bouwen van schepen betreft, hebben wij ze niet noodig, om de Algerijnen te tuchtigen? Wanneer hebben die zeeschuimers de stoutheid ooit zoover gedreven als nu, dat zich hunne galeien zelfs in ’t gezicht onzer kusten, ja in onze zeegaten durven vertoonen? Is ’t niet meer dan tijd, aan zulk een overmoed paal en perk te stellen en hun, eens voor altijd, te toonen, dat wij nog als vanouds den bezem in den mast kunnen voeren en de Zee vrijvegen van zulk schuim?”

„De Heer Van Castricum is dus overtuigd, dat de vermeerdering der vloot geen ander doel heeft dan een expeditie tegen die van Algiers,” zegt Appelman op een spottend schertsenden toon.

„Weet de Heer Appelman er een ander aan te wijzen?” vraagt Witsen, een ernstigen blik op hem vestigende.

„Hm!” antwoordt Appelman: „dat zou misschien zoo zwaar niet vallen;—maar van wat anders: is aan de Heeren dat schotschrift onder de oogen gekomen, dat in Den Haag verschenen is, en waarin de echtheid van de geboorte des Prinsen van Wales wordt in twijfel getrokken?”

„La couronne usurpée et l’enfant supposé bedoelt mijnheer?” zegt Witsen: „ik heb daarvan gehoord, en tevens, dat men den drukker voor ’t Hof ter verantwoording zal roepen.”

„En hem het loon geven dat hij verdient,” voegt Geelvinck er bij.

„Nu ja,” herneemt Appelman: „men zal hem straffen, maar daarmede toch den indruk niet wegnemen, dien ’t geschrift bij velen heeft opgewekt.”

„Bij koffiewijven en klappeien,” valt Witsen in, terwijl hij de schouders ophaalt: „maar welk man van gezond verstand hecht eenige waarde aan dergelijken naamloozen laster?”

„Misschien niet aan den laster zelf,” antwoordt Appelman: „maar wel aan het doel, waarmede gelasterd wordt. De uitgave van dat schotschrift is geen alleenstaand feit: heeft men niet sedert een geruimen tijd allerlei geruchten in omloop zoeken te brengen, ten einde te doen gelooven, dat de Koningin van Groot-Brittannië, reeds eene maand voor den tijd, dat zij bevallen heet te zijn, van een dood kind verlost was? Heeft het grauw die praatjes niet opgevangen met een gretig oor? en hebben wij daaraan niet te wijten, dat toen, nu eene maand geleden, de Engelsche Consul alhier een feest gaf ter viering van die heuglijke geboorte, de glazen bij hem werden ingesmeten en zijne gasten genoodzaakt bij de buren te vluchten?”

„Een droevig geval,” zegt Witsen, het hoofd schuddende.

„Ja,” gaat Appelman voort, „en het toont weinig diligentie van de zijde der Justitie, dat men nog geen der belhamels gevat heeft. Is ’t geen schande voor Amsterdam, dat zulke oproerige bewegingen, bij eene gelegenheid als deze, waar nog wel vreemde Ministers en andere notabele lieden tegenwoordig waren, straffeloos hebben kunnen plaats vinden?”

„Het lokaas, dat de Justitie voorhield, was toch nog al aardig,” merkt Geelvinck aan: „duizend gulden voor hem, die den eersten steensmijter verklikte!—honderd dukatons voor het aanbrengen van een handdadige!—’t Schijnt dat niemand tegenwoordig geld noodig heeft; niet eene enkele aanwijzing is er gedaan, zelfs geene valsche.”

„En toch,” herneemt Appelman, „ware, naar mijne gedachte, mits men zich wat moeite getroost had, deze of gene der schuldigen wel op te sporen geweest. Enkele lieden onderstaan zich dan ook, te beweren, dat de Regeering die beweging niet ongaarne gezien heeft, en zich wel wachten zal, angstvallig naar de bewerkers daarvan te zoeken.”

„Dat zijn wij van ouds gewoon,” zegt Geelvinck, „dat men ons de schuld geeft, als een boef zijne straf niet krijgt. Onze waarde collega zal zich toch niet storen aan domme praatjes? Hij moet veel brij hebben, die ieders mond wil stoppen.”

„Ik zie er intusschen geen bezwaar in,” zegt Witsen, „dat Burgemeesteren nog eens aandringen bij den Heer Boreel, om ijveriger nasporingen te doen.”

„’t Is nog de vraag,” zegt Appelman, „of de Heer Hoofd-Officier niet misschien een wenk van eene andere zijde gekregen heeft, om in dezen niet met rigueur van Justitie te ageeren.”

„Hoe!” roept Witsen uit: „zou mijnheer dan denken, dat dergelijke oproerige manifestatiën door de Hooge Regeering werden goedgekeurd?”

„Dat wil ik juist niet zeggen; maar wij hebben meer dingen zien gebeuren, die stof tot nadenken gaven. Toen, nu zestien jaar geleden, de Heeren De Witt werden om hals gebracht, werd zulks als een enorm en ongehoord feit gedeploreerd;—maar wie werd er voor gestraft? Wie zelfs er voor geapprehendeerd?—Immers niemand.”

„Wie had men kunnen straffen?” vraagt Geelvinck: „men had den halven Haag moeten ophangen.”

„De Prins is geen huichelaar,” zegt Witsen: „en ik heb mij overtuigd gehouden, dat hij diep getroffen was door dat beklaaglijke voorval.”

„Juist!” zegt Appelman: „men is bij zulke gelegenheden diep getroffen; maar men profiteert van het gebeurde.”

„Alzoo,” herneemt Witsen, „ziet, naar uwe meening, Z. Hoogheid eenig voordeel in de manifestatiën tegen zijn koninklijken schoonvader gericht?”

„Wel!—was Mevrouw de Prinses geen erfgename van de Britsche kroon? en zijn hare aanspraken niet vervallen sedert aan de Koningin een zoon geboren is? En steekt er iets vreemds in, dat zij, en vooral de Prins haar man, niets liever zouden zien dan de bewijzen, dat die Prins Van Wales een ondergeschoven kind is? ja dat zij, ook bij mangel van dergelijke bewijzen, met welgevallen elken twijfel zullen opnemen aan de wettigheid van zijne geboorte.”

„Onverbiddelijk logisch,” zegt Witsen.

„En wanneer men daarbij in aanmerking neemt de overkomst van den Admiraal Herbert en van zoovele andere Engelsche Heeren van qualiteit, als dag aan dag het voorsalet van Z. Hoogheid belegeren, en ’t luid verkondigen, hoe de zaken in Engeland niet op die wijze kunnen voortduren, en hoe ’t Koninkrijk, zoowel als de Protestantsche Kerk aldaar beiden te gronde gaan, tenzij eene krachtige hand dien verwarden boel kome herstellen, zou dan de onderstelling zoo vreemd zijn, dat de Prins wel gaarne de man ware, om die hand te leenen?”

„Alzoo,” zegt Witsen, „is mijnheer ook de meening toegedaan van hen, die beweren, dat er eene onderneming tegen Engeland op til is?”

„Wat mijne meening aangaat,” zegt Appelman, „die is, dat de Heer Witsen beter dan iemand mij zeggen kan, of zulk een vermoeden juist is of niet. De Heer Witsen heeft in den laatsten tijd meer dan eens een keer naar Den Haag gedaan, en gewis niet zonder daar gewichtige informatiën op te doen.”

„De beide Heeren,” zegt Witsen, „zijn herhaaldelijk ter dagvaart geweest, en ’t is hun zoogoed bekend als mij, dat men in Den Haag ook niet altijd te weten komt wat men verlangt te weten. Z. Hoogheid is de man niet, om zich onvoorzichtig uit te laten en ’t moet een fijn diplomaat zijn, die uit kan vorschen wat heimelijk bij hem broeit.”

„Maar,” herneemt Appelman, „niemand zal mij van overdrijving of vleierij beschuldigen, als ik zeg, dat ik den Heer Witsen houde voor een fijn diplomaat: voor iemand, die weet te doorzien wat voor den kortzichtige verborgen blijft—ja, die misschien in ’t geheim is.”

„Waarom niet?—Maar zoo dit laatste het geval ware, dan zou daaruit alleen volgen, dat ik mij over het onderwerp niet mocht uitlaten.”

„Ha zoo!” zegt Appelman, met een zegepralenden blik: „nu, dan geloof ik te weten, waar ik mij aan moet houden.”

„En ik geloof,” zegt Witsen, „dat mijnheer zich zou kunnen vergissen, indien hij onderstelde, dat ik eene geheimzinnige houding aanwendde, als wilde ik doen denken, dat ik meer van de zaak af wist dan het geval is.”

„Wat meent mijnheer?” vraagt Appelman, eenigszins verwonderd opziende.

„Zie, mijn waarde Heer,” vervolgt Witsen, „ik wil u rondborstig mijne meening zeggen. Gesteld, de Prins had het voornemen, dat hem door u wordt toegeschreven, zou daar, naar uwe meening, ooit iets van kunnen komen zonder medewerking van Amsterdam? En zou, in zulk geval, er van zijne zijde geen stap moeten gedaan worden, om de Vroedschap in ’t belang der zaak te winnen?”

„Zonder tegenspraak.”

„Welnu! Tot heden is niets van dien aard geschied.—Wat volgt hieruit? Of, dat er geen voornemen bestaat, als door u wordt ondersteld: óf, dat de plannen van Z. Hoogheid nog niet tot rijpheid zijn gekomen.—Ware het, in zulk een staat van zaken, niet gevaarlijk, zelfs onverantwoordelijk, vermoedens te helpen verbreiden, die op een valschen grondslag kunnen rusten, en bij onze naburen, vooral bij Frankrijk, den argwaan, dien men wellicht reeds koestert, versterken?”

„Maar,” vraagt weder Appelman, „zou die argwaan niet veel beter worden weggenomen door eene ronde verklaring van ’s Prinsen zijde, dat hij geen oorlog tegen zijn schoonvader bedoelt?”

„Dat zou zeker het geval zijn,” antwoordt Witsen: „alleen moet ik u doen opmerken, dat Z. Hoogheid moeielijk uit eigen beweging zoodanige verklaring kan afleggen, of antwoord geven, voordat hem de vraag gedaan is.”

„Wel! misschien wordt die vraag hem wel eerstdaags gedaan,” zegt Appelman.

„Ei zoo?” merkt Geelvinck op, zich wederom in ’t gesprek mengende, „de Heer Appelman vroeg zooeven, of onze ambtgenoot Witsen in ’t geheim was van ’s Prinsen bedoelingen; ik zou nu op mijn beurt gaan vermoeden, dat de Heer Appelman in ’t geheim was van de bedoelingen der Heeren d’Albeville of d’Avaux.”

„Ik hoop, dat mijn geachte collega schertst,” zegt Appelman, eenigszins geraakt.

De Heer Van Castricum kan alleen eene scherts bedoelen,” zegt Witsen, op verzoenenden toon: „want hij weet zoogoed als een onzer, hoe althans de Heer d’Avaux er volstrekt geen geheim van maakt, dat die wapening hem verontrust, en hij er rekenschap van denkt te vragen. En gebeurt dat, dan zullen Hunne Hoogmogenden dienen te weten wat zij hem hebben te antwoorden,—altijd ondersteld, dat zij zelven op de hoogte zijn.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings