Van Amsterdam naar Parijs.
Reading edition
Van iemand, die voor het eerst van zijn leven Parijs bezocht heeft en daar dan slechts ééne maand heeft doorgebracht, kan men niet verwachten dat hij het publiek op de hoogte zal stellen van den toestand dier wereldstad, van het leven aldaar en van alles wat de belangstelling wekken kan. Het zou vermetel zijn om stoutweg te laken of te prijzen, zonder zelf de overtuiging te bezitten of men wel goed gezien en goed begrepen heeft. Wie een volk naar waarheid beoordeelen wil, moet er jaren onder geleefd hebben en den tijd hebben gehad om de vooroordeelen af te schudden door opvoeding, vooringenomenheid of betrekkingen, bij hem ingeworteld; maar wie, na een verblijf van slechts ééne of enkele maanden, het wagen durft een volk in zijne gebruiken te beoordeelen, kan slechts uiterst oppervlakkig werk leveren.
Om een verslag te geven van mijne ontmoetingen met beroemde en beruchte personen; te vertellen hoe zij mij ontvangen en wat zij met mij gesproken hebben; te schetsen hun aard en wandel en den indruk, dien zij bij mij achtergelaten hebben: men wachte dit niet van mij. Die menschen hebben mij beleefd ontvangen, mij een leunstoel en een kopje thee, ja somwijlen een goed middagmaal aangeboden, zich zelfs, wanneer de aard van het gesprek zulks toeliet, met openhartigheid jegens mij uitgelaten en zou ik nu tot belooning hen daarvoor in druk tentoonstellen? Dit zou ik als een misbruik van goede trouw beschouwen. Wacht alleen mijn wedervaren op mijne reis zonder sieraden of bijontmoetingen en zoo mijn verhaal niets belangrijks bevat, zal het ten minste deze zonderlinge eigenschap bezitten, dat het van het begin tot het einde letterlijke waarheid zal behelzen.
I.
Er zijn menschen, die altijd een uur te vroeg klaar zijn en anderen, die eeuwig den tijd hebben. Beide soorten van wezens maken mij ongeduldig, doch vooral de laatstgenoemden. Ik word knorrig, wanneer ik sommige lieden zie, die, wanneer zij te vijf uren hier of daar ten eten verwacht worden, reeds te halfvier uit hun partijtje loopen en naar huis gaan om zich te kleeden, zonder dat men aan hun toilet iets bespeuren kan, dat zulke zorg vereischte, maar ik spring uit mijn vel, wanneer ik, na tien minuten aan het bureau der diligence doorgebracht te hebben, op het oogenblik dat alles opgepakt is, terwijl de wagenknecht den laatsten lederen riem van het overtrek door den gesp haalt en de conducteur zich gereed maakt om op te stijgen, dezen of genen mijner vrienden aan het eind der gracht, met den bedaardst mogelijken stap, als had hij nog uren den tijd, zie aanwandelen, zonder dat het geroep van: „komaan, Mijnheer! wij moeten voort!” eenige versnellingen in zijne bewegingen kan teweegbrengen. Den wrevel alzoo kennende, welke ik tegen zoodanige lieden voed, zult gij niet verwonderd zijn van te vernemen dat het denkbeeld van zelf te laat te komen, mij het bloed doet koken en dat ik in het bijzonder op den 29sten April klokke vier uren op het punt was een zenuwtoeval te krijgen. Ik had—ik weet niet waarom—eene plaats genomen op den wagen, die te halfvijf van Amsterdam naar Rotterdam vertrekt, en daar stond ik op mijn stoep en wachtte vruchteloos op het rijtuig, dat mij en mijne goederen derwaarts zou voeren. Zeker moet ik aan mijne overburen een kluchtig schouwspel hebben opgeleverd, zooals ik daar stond, omringd van de mijnen, die vergeefsche pogingen deden om mij neder te zetten, en mij zochten te beduiden dat ik nog al den tijd had; troostgronden, die echter met elke minuut al flauwer en flauwer werden. Nu eens vloekte ik op den sleepersbaas en al zijne meiden en knechts, die de bestelling zeker vergeten of verkeerd verstaan zouden hebben en naar wiens stal ik reeds twee mijner knapen achtereenvolgens had heengezonden; dan eens riep ik de meid en verweet, haar, dat zij zeker de boodschap niet goed gedaan had; dan weder beknorde ik mijne goede vrouw, die, zeide ik, zeer wel wist dat de brommersman altijd te laat kwam en hem dus veel vroeger had moeten bestellen, dan wilde ik naar de diligence loopen en zond ik mijn knecht naar den kruier om het goed te halen, dan weder riep ik hem terug, bewerende, dat ik toch te laat zou komen; in ’t kort, ik was gedurende dien tijd ondragelijk voor mij zelven en voor anderen.
Maar ik was eenigszins verschoonbaar. Miste ik de diligence, dan miste ik ook de stoomboot te Rotterdam en miste ik de stoomboot dan miste ik den spoortrein van Antwerpen en miste ik den spoortrein, dan miste ik ook de messageries en kwam eenen dag later te Parijs en een dag zegt veel, wanneer men slechts ééne maand verlof heeft en naar Parijs gaat.
Eindelijk echter kwam de zoolang verwachte vigilante en na een afscheid dat nu wel overhaast moest wezen, rolde ik naar de Oude Leliestraat, waar ik gelukkig nog juist intijds kwam om bezit te nemen van mijne plaats in de diligence van Van Koppen, Veldhorst en Co.
II.
O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29sten April, de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem en Den Haag. Nimmer, neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het voor een tijd verlaten ging. Overal stonden de boomgaarden in vollen bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid, terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen, juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.
Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen tijd daarover eer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot, die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot; namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok, stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen, waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog in hunne dagelijksche plunje te steken.
Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft en wat mij ook op den 30sten April 1841 niet ontbrak. Daar al mijn reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij tegen de kast van het raderwerk aan, waar ik tegen den wind beschut was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. De prima donna, een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept stond in de beschouwing der machinerie en in beraad scheen of hij zijn beroep niet tegen dat van ingenieur zou verwisselen. Niet lang duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook boven: men zag er een eersten Tenor met een geweldigen zwarten baard en een grooten New-foundlander, een Basso met een taankleurig gelaat en een vleermuismantel om het lijf; een Laruette met een zeer deftig voorkomen, een Seconde amoureuse van 50 jaren met haar man en twee dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve deze artistis dramatiques bevond zich nog een oude Franschman aan boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen den New-foundlander dien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden, welke de middelmatige wezens in ’t algemeen tegen de meer verhevene bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk met elkander had, om zich met de rest van ’t gezelschap te bemoeien, en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een zeer aangenaam onderhoud had. Er was (’t geen op zoodanig eene reis zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende, waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.
Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet zich echter zóó dapper van zijne taak als onze New-Foundlander. Wel had onze Tenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was, en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltje zou bereiden; maar de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat, welke duidelijk aantoonde, dat hij ’t alleen uit beleefdheid deed om den goeden man niet te bedroeven.
Intusschen waren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men, zoude de Belgische douane aan boord komen. „De douaniers terwijl wij aan tafel zitten,” riep ik, „dat is een ongeluk”!—„O, dat is niets,” zeide de Tenor, „ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat zal wel losloopen” en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden wij ook wel aan hem, althans aan zijn New-Foundlander verdiend.
Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk, ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te halen en drukte in ’t voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. „O wee!” dacht ik nu zullen mij het Dorp aan de grenzen en alle dergelijke aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!”
Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij, het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek, die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan, vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat, toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.
Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die, zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.
—Och, Mijnheer! vrees niets!—zeide de juffer—mijn poedel zal u niet bijten!
„Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt.”
III.
Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in plaats van de Nederlandsche benaming wagen de daarvan afgeleide van waggon geven, ’t geen omtrent even zot is als om fiche voor vischje te zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren, zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in rooken (’t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap is er meer gemengd en amusanter en bij al die voorrechten komt nog dit dat men er beterkoop in zit.
Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de kermiskramen op een markt;—daaromheen—in stede van paleizen of publieke gebouwen—fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen, ontzettend van getal en omvang, en—in stede van torens—schoorsteenen, hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.
Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik een paar uren in het prachtige hotel de l’Univers uitrustte en mijn gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming, die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij, ter viering onzer kennismaking, mij op La Fitte onthaalde, dien ik allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van de Messagiers La Fitte et Caillard, waar zich reeds een heer met zijn vrouw in bevond. Ik sprak hem in ’t Fransch aan: het accent, waarin het antwoord gegeven werd, wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:
—Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.
—Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn hoekje probeeren wil?...
Beiden berstten in een schaterend gelach uit.
—’t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken, vervolgde ik, mede lachende.
Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin: want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen: want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.
Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer, maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken, of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals de oude Maerland zegt, niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen over ’t algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen, welke onze Hollandsche reizigers aan onze wisselplaatsen zoo gretig verorberen. In het gebied der Messageries mag niemand denken om eten, drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.
Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.
Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes weder inpakten.
Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen, en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld, en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke gelegenheden zoo statig over onze straten golft.
Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den schouwburg, inhoudende dat de heer N. N. Professeur de Magnétisme te dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven staven, terwijl de heer Auguste*** Premier Somnambule, zoude antwoorden op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Van premier funambule had ik gehoord, maar premier somnambule was iets nieuws.
Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was, en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, ’t geen ons geene kleine ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.
Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een barsch: „Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!” hoorde toeduwen. Versuft en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen, zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde, alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan, ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden, welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd laat. Een uur later waren wij op het binnenplein der Messageries.
Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld, bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan de Messageries heerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken, nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in een fiacre gepakt en op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in het quartier latin en niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had verlangd, zal ik hier niet ontvouwen, daar het mijn verhaal nutteloos rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.
Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen, maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden en ik had eerst nog te ondervinden, welke teleurstelling hem wacht, die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.
„Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?”
„Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal ze mij zeker dadelijk brengen.”
„Ah zoo!” zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en ik stond weer in ’t donker.
Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.
„Dat is hier niet pluis,” dacht ik, „hoe zal dat afloopen?” Eindelijk kwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:
„Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed te gaan?”
„Och, Mijnheer!” antwoordde hij: „het is niet om mee te lachen; de onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht.”
Het was werkelijk de deur van mijne kamer, waar ik voor stond en waar die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij moest vertrekken.
„Hij vermoedde reeds iets,” zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en stoelen verspreid.
Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare verontschuldigingen aanbieden.