Laurens Reael.
Reading edition
Gij zult zeker wel eens gehoord hebben, mijne Lezers! of misschien zelven wel hebben opgemerkt, dat de geschiedenis van meest alle beroemde natiën een bijzonder tijdvak oplevert, van al de overige onderscheiden door de ontwikkeling van volkswelvaart, door den bloei van kunsten en wetenschappen, door het opkomen van groote en beroemde mannen; een tijdvak, bij hetwelk men, onder het lezen of bestudeeren der geschiedenis, met welgevallen vertoeft, en ’t welk men zich te gemakkelijker herinnert, omdat het doorgaans den naam draagt van het doorluchtigste personage, dat er in leefde. Zoodanig tijdvak was, voor Griekenland, de eeuw van Perikles: voor het oude Rome, de eeuw van Augustus: voor het latere Italië, de eeuw der Medicissen: voor Frankrijk; de eeuw van Lodewijk XIV: voor ons vaderland, de eeuw van Frederik Hendrik.
Ik onderstel, dat het u niet onbekend zal zijn tot welk een hoogen trap van welvaart, roem en macht ons jeugdig en krachtvol Gemeenebest zich gedurende het leven van Frederik Hendrik verheven had, en welke uitstekende mannen het had voortgebracht. Gij zult u inderdaad geen vak van kunst of wetenschap voor den geest kunnen brengen, waarvan Nederland in die dagen niet een vertegenwoordiger opleverde, wiens roem voor of na hem schaars geëvenaard, veel min overtroffen werd. Denkt maar aan Oldenbarneveldt, aan De Groot, aan Maarten Harpertszoon Tromp, aan Hooft, aan Vondel, aan Rembrandt, aan zoovele anderen, die in verschillende opzichten medewerkten tot het bevorderen van den luister van ons vaderland. Van de mannen, die ik u daar noemde, hebt gij zeker meermalen hooren spreken, hun levensgeschiedenis, hun werken, hunne verrichtingen zullen u niet geheel onbekend zijn;—maar buiten hen leverde die eeuw van Frederik Hendrik nog zoo menigen staatsman, krijgsman, dichter, geleerde of kunstenaar op, wien gij nooit of niet dan terloops hebt hooren vermelden, en die toch evenzeer verdient, dat gij met hem bekend raakt. Welnu! ik wil u een kort overzicht geven van het leven en bedrijf van een man uit dat tijdvak, die tevens staatsman, krijgsman, dichter en geleerde was, en die zich in elke dier zoo uiteenloopende hoedanigheden de bewondering en de achting zijner tijdgenooten verwierf. Die merkwaardige man was Laurens Reael.
De vader van Reael was een rijke graanhandelaar, van Hollandsche afkomst. Hij had eerst kantoor te Dantzig gehad, doch zich omtrent de helft der zestiende eeuw nedergezet te Amsterdam. In dien tijd en nog lang naderhand hadden de meeste menschen nog geene familienamen: de een onderscheidde zich van den ander, òf door het aannemen van zekeren bij- of toenaam, aan de plaats zijner geboorte, aan zijn beroep of aan andere bijzondere omstandigheden ontleend; òf en dit in de meeste gevallen, door eenvoudig den naam zijns vaders achter den zijnen te plaatsen. Zoo noemde de een zich Jan Pieterszoon, de ander Klaas Dirkszoon, een derde Harmen Tijmenszoon en zoo heette ook onze graanhandelaar, toen hij te Amsterdam kwam wonen, Laurens Jakobszoon. Dan, sedert hij een huis had betrokken op het Water over de Papenbrugsteeg, in den gevel van welks huis een gouden reael was afgebeeld, gaf men hem, ten einde hem niet te verwarren met andere Jakobszonen, den toenaam van Reael.—Gij weet, hoop ik, wat een reaal was en hoevele oude duiten, zulk een geldstuk gold.
Laurens Jakobszoon Reael had niet lang te Amsterdam gewoond, toen de onlusten ter zake van den godsdienst een aanvang namen. Gij weet ongetwijfeld, hoe onder Karel V en vooral onder Pilips II de Inquisitie alle pogingen in ’t werk stelde, om de Hervorming, die hier te lande vele aanhangers telde, te onderdrukken. Reael behoorde ook onder hen, die de leer der Hervormden omhelsd hadden, en hij wist zelfs, met vier andere vermogende burgers te bewerken, dat het aan hunne geloofsgenooten werd toegestaan, openbare godsdienstoefeningen binnen Amsterdam te houden. In weerwil daarvan bleef hij zeer gezien bij de toen nog Roomschgezinde Overheid der Stad, en niet zonder reden. Het was gedeeltelijk aan zijne bemoeiingen te danken, dat de beeldenstorm, die elders zoo hevig woedde, te Amsterdam geen plaats had: en hij wist op verzoek der Regeering, zelfs met levensgevaar, een oproer te stillen. Ook blonken zijn beleid en voorzichtigheid uit in het bevorderen der rust ten tijde van Brederodes kortstondig verblijf te Amsterdam. Prins Willem I had aan hem groote verplichting; onder andere leende Reael hem eens ƒ 10,000—in die dagen, toen het geld vrij wat meer waarde had dan tegenwoordig, een aanzienlijke som. Toen Amsterdam in 1578 tot ’s Prinsen partij overging en een nieuwe Magistraat koos, behoorde Reael tot de leden der nieuwe vroedschap en handhaafde, in 1587, als kolonel der Burgerij, krachtdadig het gezag der Stad tegen den Graaf van Leicester.
Reael had bij zijne vrouw, Grietje Nieuwes Pietersdochter, verscheidene kinderen gekregen, waarvan Laurens, die op den 22sten October 1583 geboren werd, de jongste was. Zijn aanzienlijk vermogen stelde hem in staat, aan die kinderen een goede opvoeding te geven en hij spaarde daartoe ook geene kosten. Zoo leerde onze Laurens, behalve de Latijnsche en Grieksche talen, wier kennis in die dagen hoog noodig was, ook de Fransche, Engelsche en Italiaansche. Wel had hij het ongeluk reeds in 1600 zijn vader te verliezen; doch hij vond vaderlijke vrienden in zijn oudere broeders Jakob en Pieter, en vooral ook in den man van zijn zuster Lijsbestjen. Deze laatste was getrouwd met den Hoogleeraar Jakobus Arminius, denzelfden, die zich zoo bekend maakte door zijn godgeleerde twisten met Gomarus, en naar wien de Remonstranten wel eens Arminianen genoemd worden. Ik moet u echter in ’t voorbijgaan waarschuwen, dat, ofschoon men wel de benaming „Lutherschen” of „Mennisten” bezigen kan zonder aanstoot te geven, die van „Arminiaan” voor een scheldnaam gehouden wordt, en gij u dus moet wachten, dien te gebruiken.—Arminius nu trok zich zijn jongen zwager bijzonder aan, er boezemde hem een groote zucht in voor de wiskunst, waarin de jonge Laurens dan ook bijzondere vorderingen maakte, welke hem later uitmuntend te stade kwamen. Hij studeerde bovendien te Leiden in de rechtsgeleerdheid.
Maar bij dit alles toonde Reael, reeds van jongs af, veel aanleg voor de poëzie, en vervaardigde al vroeg, zoowel in zijn moedertaal als in ’t Latijn, verdienstelijke gedichten. Zoo vereerde hij onder anderen, toen Arminius in 1606 overleed, diens afbeelding met een Latijnsch bijschrift, ’t welk evenzeer van zijn bekwaamheid als van zijn dankbaarheid getuigde.
De vader van Reael was zelf een niet ongelukkig beoefenaar der dichtkunst geweest, en had omgang gehad met vele lieden van smaak, met wie nu ook de zoon in kennis kwam. Onder de zoodanigen behoorde Roemer Visscher, wiens woning een verzamelplaats was van schrandere vernuften. Roemer Visscher had twee dochters, beiden nog beroemder dan hij zelf. De oudste, Anna, was van de jaren van Reael, de andere, Tesselschade, vrij wat jonger: beiden waren dichteressen, in verscheidene talen bedreven, zongen en speelden verrukkelijk, wisten fraai te borduren, letters en figuren in ’t glas te snijden, in ’t was te boetseeren: in ’t kort, zij hadden allerlei begaafdheden: doch waren tevens, wat nog meer zegt, hoogst beschaafd van manieren, braaf van karakter en alleraangenaamst in den omgang. Geen wonder alzoo, dat men haar gezelschap zocht, en dit ook van den gunstigsten invloed was op Reael. Er is niets, dat voor jonge lieden zoo heilzaam en nuttig is als de omgang met welopgevoede, verstandige en deugdzame vrouwen; en zoo Reael naderhand een goed figuur gemaakt heeft aan de Hoven van Vorsten en Grooten, hij heeft dit gewis daaraan voornamelijk dank mogen wijten, dat hij van jongs af in zoo goed gezelschap had verkeerd.
Ten huize van Roemer Visscher ontmoette Reael den grooten dichter en geschiedschrijver Pieter Corneliszoon Hooft, die van zijne jaren was, en met wien hij een vriendschap sloot, die hun leven lang voortduurde.
De betrekking, die tusschen Arminius en Reael bestond, had dezen al vroeg in kennis gebracht met aanzienlijke Remonstrantsgezinden, als De Groot, Uyttenbogaert, en anderen, en hierdoor ook met den beroemden advocaat van Holland, Mr. Joan Van Oldenbarneveldt. Deze, die spoedig zag, wat er in iemand school, begreep van de bekwaamheid des jongen Reaels partij te moeten trekken en bezorgde hem een ambt bij de geldmiddelen, ten gevolge waarvan Reael zijn woonplaats naar ’s Gravenhage overbracht, waar hij tot in 1611 vertoefde om een nieuwe en nog luisterrijker loopbaan in te treden. Ik zal u verhalen wat daartoe aanleiding gaf.
Onder andere belangrijke diensten, welke Oldenbarneveldt aan het vaderland bewezen had, was ook deze, dat hij een der voornaamste bevorderaars was geweest van de stichting der Oost-Indische Maatschappij. Onze macht in de Oost was toen nog niet wat zij later werd, noch waren onze bezittingen zoo uitgebreid: de inrichting was nog in haar beginselen en het vestigen van het gezag der Hollanders in die verwijderde gewesten was alles behalve een gemakkelijke taak. Men had in de Oost te kampen niet alleen tegen de doorgaande vijandige Mahomedaansche, Indische of Chineesche ingezetenen, maar ook tegen de Spanjaards en Portugeezen, die mede in die streken bezittingen hadden, welke zij begeerden te behouden, ja uit te breiden. Zelfs toen het twaalfjarig Bestand in 1609 met Spanje gesloten, en alzoo in Europa de strijd tusschen de oorlogvoerende partijen gestaakt werd, bleef die in de Koloniën voortduren. De middelen van gemeenschap tusschen Holland en de Oost waren nog traag, ongeregeld en onzeker, en er moest veel worden overgelaten aan hen, die zich ginds aan ’t bestuur der zaken bevonden. Ongelukkig waren velen onder de bevelvoerders louter gelukzoekers, die meer hun eigen belangen dan die der Maatschappij voor oogen hielden, die de bevelen van den Gouverneur-Generaal niet nakwamen of zelfs tegenwerkten, en die door hun onbehoorlijke handelingen de Hollanders bij de Oosterlingen in een kwaden naam brachten. Dit kon naar het oordeel der Bewindhebbers zoo niet blijven voortduren. Er moest eenheid in het bestuur komen, en het bevel over de volkplantingen niet worden toevertrouwd dan aan mannen, die aan moed en bekwaamheid ook eerlijkheid en braafheid paarden, in één woord, op wie men vertrouwen kon. Zoodanig een man meende Oldenbarneveldt in Reael gevonden te hebben, en hij beval hem daarom den Bewindhebbers aan, die eerlang besloten, hem het bevel over een onderneming, naar de Oost bestemd, toe te vertrouwen. Zeker was het geen geringe eer voor iemand van nog zoo jeugdigen leeftijd, met een zoo gewichtige zending te worden belast; maar tevens behoorde er moed en zelfvertrouwen toe bij iemand, die tot nog toe de stille, rustige betrekking van ambtenaar aan een landsbureau bekleed had, zoo op eenmaal de taak van krijgshoofd te aanvaarden. Reael zag hier echter te minder tegen op, omdat zijn wiskunstige studiën hem er als van zelven toe gebracht hadden om zich ook in de zeevaart- en krijgskunde te oefenen. Hij nam dus het hem opgedragen bevel aan, en stak, in 1611, als Commandeur over vier schepen in zee. Overeenkomstig de bevelen, welke hij van de Bewindhebbers ontvangen had, stevende hij naar de Molukken, die gedeeltelijk in handen der Spanjaards waren en welke het hem was opgedragen, geheel onder het gezag der Maatschappij te brengen. Zich in Ternate gevestigd hebbende, gaf hij aldra blijken van kloekheid en beleid. Het eene fort voor, het andere na, wist hij op de Spanjaards te veroveren; verscheidene kleine eilanden werden door hem bezet; met de meeste Inlandsche Vorsten ging hij overeenkomsten aan in ’t belang der Maatschappij, en hij vestigde den handel in landen, waar vroeger de Hollandsche naam nauwelijks bekend was geweest.—Wel rustten de Spanjaards een vloot in Manilla uit, bestemd om de onzen te verdrijven uit hunne bezittingen; doch Reael had al de plaatsen onder zijn gebied in zulk een goeden staat van verdediging gesteld, dat de onderneming geen gevolg had.
Geen wonder was het, na zulk een voordeeligen uitslag, dat het Gouvernement over de Molukken, hetwelk Reael eerst maar voorloopig gevoerd had, hem door de Bewindhebbers bepaald werd opgedragen; geen wonder, dat, toen in 1616 de Gouverneur-Generaal Reynst overleed, Reael met eenparige stemmen tot zijn opvolger gekozen werd. Deze keuze werd algemeen gebillijkt: alleen waren er, die het gevaarlijk vonden, juist voor zijn groote bekwaamheid, dat hem zulk een groot gezag werd toevertrouwd: immers, beweerden zij, men waagde, dat hij zich van alles meester zou maken, en zich tot onafhankelijk hoofd der Koloniën verheffen. Die vrees bleek echter door de uitkomst ijdel en onnut te zijn: want Reael was niet alleen bekwaam maar ook vroom en getrouw.—Hij rechtvaardigde volkomen de goede verwachtingen, welke zijn lastgevers van hem hadden opgevat. Zoolang hij in de Oost het bewind voerde, wist hij het gezag der Maatschappij te doen eerbiedigen. Met zijn bondgenooten leefde hij in vrede en aan zijn vijanden boezemde hij zulk een ontzag in, dat zij het niet waagden de rust te verstoren. Dit een en ander was iets geheel nieuws in de geschiedenis onzer volkplanting, waar, tot dien tijd, voortdurend strijd was gevoerd geweest.—Maar Reael deed nog meer; hij wist het vertrouwen der Inlandsche vorsten en volkeren te winnen, in de eerste plaats door zorg te dragen dat hetgeen men hun verkocht van goede hoedanigheid was, en al wat men kocht prompt betaald werd:—in de tweede plaats, door de ambtenaren binnen de grenzen van hun plicht te houden en elk vergrijp streng te straffen. „Dat heet eerst regeeren!” zeide Hooft van hem. De wijsheid en rechtvaardigheid, door Reael aan den dag gelegd, droegen spoedig goede vruchten: het krediet der Hollanders rees boven dat der Engelschen en Portugeezen, en het beloop der retouren—of terugvrachten—gedurende zijn bewind naar het Moederland gezonden, bedroeg bijna het dubbel van dat van vorige jaren.
Reael was echter niet gezind, zijn leven in de Oost te slijten. Hij verzocht en verkreeg zijn ontslag en droeg in Juni 1618 het gezag op aan zijn opvolger, den beroemden Jan Pietersz. Koen. Echter verliet hij de Oost niet, voor dat hij dezen behoorlijk in ’t bestuur gevestigd zag. Hij ging daarom met hem over Amboina naar Jacatra, bleef bij hem, tot dat deze plaats veroverd was, en beraamde met hem de noodige maatregelen tegen de vijandelijke Javanen en tegen de Engelschen, die hen opstookten. Zoo legden zij samen de grondvesten van Batavia, met welks stichting eigenlijk de vastheid der Maatschappij haar aanvang nam.—In Augustus 1619 zette Reael weder koers naar het vaderland, waar hij in ’t begin des volgenden jaars behouden aankwam.
Allerluisterrijkst was de ontvangst, die hem te Amsterdam te beurt viel: alles liep uit om hem te zien en te verwelkomen. Dan, hoezeer de bewijzen van achting en genegenheid, welke hij van zijn stadgenooten ondervond, hem bijzonder streelden, hij moest van een anderen kant vrij wat smart en teleurstelling ondervinden, bij ’t zien, hoe de staat van zaken intusschen veranderd was. Zijn beschermer Oldenbarneveldt was veroordeeld en ter dood gebracht: velen onder zijne vrienden, als De Groot, Uyttenbogaert en anderen, ten lande uitgeweken: en er was weinig kans, dat de partij, die thans aan ’t hoofd was, hem vooreerst tot staatsbedieningen roepen zou. Hij zelf kon niet verlangen een Regeering te dienen, met welker inzichten hij niet overeenstemde.
Voor iemand, die alleen staats- of krijgsman ware geweest, zou het leiden van een ambteloos leven op zijn zeven en dertigste jaar allervervelendst zijn geweest: maar niet voor Reael, die in zijn uitlandigheid de zucht voor de fraaie letteren niet verleerd had, en in hare beoefening bezigheid en troost kon zoeken. Hij begaf zich op zijn hofstede in de Beverwijk, waar hij, onder andere genoegens van het buitenleven, de nabuurschap genoot van den geleerden Amsterdamschen koopman Laurens Baeck en diens kinderen, allen groote minnaars van poëzie en letterkunde. Vondel was bij Baeck een welkome gast; hij had vroeger Reael bij Roemer Visscher ontmoet, hernieuwde thans zijn betrekking met hem en droeg hem, onder andere bewijzen van vriendschap en hoogachting, zijn meesterlijk dichtstuk: „het lof der zeevaart” op. Met Vondel en den gewezen Pensionaris van Zeeland Antonis De Huybert, legde Reael geregelde bijeenkomsten aan, waar hij zich gewoonlijk toelegde op het stellen van regels, betreffende de taalschikking, de woordvoeging, de bepaling der geslachten en de spelling, alle zaken, waarover men tot dien tijd nog weinig gedacht, veel min geschreven had; ook hielp hij Vondel aan de vertaling van het treurspel de Troas, uit het Latijn van Seneca.
Doch al wist Reael zijn ledigen tijd dus op een aangename en nuttige wijze met letteroefeningen te korten, hij bleef daarom niet onverschillig omtrent de algemeene belangen, en, kon hij den Staat niet dienen, hij deed in verschillende opzichten dienst aan zijn geboortestad Amsterdam. Deze moest, vanwege den toenemenden aanwas der bevolking, gedurig vergroot en uitgelegd worden: en hoe Reael daartoe medewerkte blijkt uit het in zijnen tijd met huizen volgebouwde en naar hem genoemde Reaelen-eiland.
Zoolang Prins Maurits leefde, en nog een wijl na zijnen dood, bleef Reael een ambteloos leven leiden. Niet alleen stelde Hooft vruchtelooze pogingen in ’t werk om hem in 1623 tot Gezant te Venetië te doen benoemen, maar zelfs, toen in hetzelfde jaar onderhandelingen waren aangevangen tot vereffening der geschillen tusschen de Engelsche en Hollandsche Oost-Indische Maatschappijen, werd hij, de gewezen Gouverneur-Generaal, die meer dan iemand hier te lande ondervinding en kennis van het onderwerp bezat, niet bij de onderhandelaars gesteld. Het duurde echter niet lang meer, of men begon het onbillijke en verkeerde in te zien om iemand van zijne bekwaamheden buiten betrekking te laten. Het gebeurde, dat de Staten-Generaal noodig keurden een vloot in zee te zenden, die, gezamenlijk met een Engelsche vloot, de Spanjaards op hun eigen kusten bestoken zou. Willem Van Nassau, zoon van Prins Maurits, was destijds Admiraal van Holland; de Staten achtten het noodig, hem een Vice-Admiraal toe te voegen, die kunde paaide aan moed en beleid—en zij droegen die betrekking op aan Reael. De zeetocht had plaats, doch had niet die uitkomsten, welke men gehoopt en verwacht had, en de vloten keerden terug zonder iets bijzonders te hebben uitgericht. Dit was niet de schuld van Reael, die zich op lofwaardige wijze van zijne taak gekweten had, maar van verschil van meeningen tusschen de bevelhebbers der beide vloten; en in ’t algemeen ziet men zelden iets goeds komen van ondernemingen, waarbij legers of vloten van verschillende natiën moeten samenwerken. Nationale zoo wel als persoonlijke jaloezie en wangunst brengen dan meestal teweeg, dat die gewenschte samenwerking in tegenwerking verandert.
Hoe men de verdiensten van Reael nu erkende, bleek daaruit, dat hij, schier onmiddellijk na zijn terugkomst, tot Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie werd aangesteld, in welke betrekking hij—gelijk men zegt—in zijn element was en de belangrijkste diensten bewees. In 1626 werd hem een nieuwe eerepost opgedragen, namelijk om Koning Karel I van Engeland, bij diens kroning te begroeten. Dit was, zult gij zeggen, nog al geen moeielijke zending; het is toch een zoodanige, welke men niet opdraagt, dan aan menschen, die zich zekeren naam hebben verworven en zich door het gemakkelijk spreken van onderscheidene talen, door goede manieren en fijnen smaak, onderscheiden. Maar bovendien had Reael, behalve deze openbare zending, nog een geheimen last, namelijk om de belangen zijns vaderlands bij de Engelsche Oost-Indische Maatschappij voor te staan en hij kweet zich daarvan op loffelijke wijze. Koning Karel I erkende zijn verdiensten door hem tot Ridder te slaan en in den adelstand te verheffen.
Twee jaren later werd aan Reael een nieuwe zending opgedragen, die van min gemakkelijken aard was. De Keizer van Duitschland, toen in oorlog met de Protestantsche vorsten, had verscheidene plaatsen aan de Oostzee bezet, en dreigde zelfs zich meester te maken van de Sond. De Staten besloten Reael naar Denemarken te zenden, ten einde den staat van zaken te onderzoeken, en de noodige betrekking aan te knoopen om zich tegen de aanslagen van den Keizer te verzetten. Hij ging scheep naar Kopenhagen, ter welker gelegenheid Vondel dit gedicht onder zijn afbeelding vervaardigde.
Zoo maelde Keizers hand den wackeren Reael.
Den Ridder, den Ghezant, den grooten Generael,
Voorzien met breijn in ’t hoofd, met heldenmoed in ’t harte,
’t Was hij, die Spanjen op sijn eyghen bodem tarte.
Vaer heen, ghelauwerd hoofd! geluckighlijck door zee,
En brengh voor ’t vaderland ontelbre kranssen mee.
De wensch van den dichter werd niet vervuld. Wel genoot Reael aan ’t Deensche Hof een beleefd onthaal, maar het gelukte hem niet, den Koning van Denemarken tot een gemeenschappelijken oorlog tegen den Keizer te bewegen. Het was al spijtig genoeg voor hem, dat hij het doel zijner zending miste, maar de tocht was bestemd om op alle manieren noodlottig voor hem af te loopen. Op de terugreis van Kopenhagen had hij met schipbreuk te kampen. Het vaartuig, waar hij zich op bevond, strandde op de kust van Jutland, en te nauwernood kwam hij levend aan wal. Hier vervolgde hem zijn ongeluksster; want dat gedeelte der kust was met Keizerlijke troepen bezet, die hem gevangen namen en, als een prijs van aanbelang, opzonden naar Weenen.
Wel wendden de Staten-Generaal ernstige pogingen aan, om zijn ontslag te bevorderen; doch de Keizer wilde in den aanvang van niets hooren. Groot was de bekommernis der talrijke vrienden van Reael en ook zij lieten ’t niet aan aanzoeken ten zijnen voordeele bij invloedrijke lieden aan ’t Duitsche Hof ontbreken. De gevangenschap van Reael was intusschen zeer dragelijk: niet alleen genoot hij vrijheid zich te Weenen ongehinderd te bewegen, maar ook werd hij aldaar met de meeste achting en voorkomendheid behandeld: ja ieder stelde er eer in, beleefdheden te bewijzen aan een man, die zich op zoo veelsoortige wijzen roem verworven had, en zijne vriendschap te winnen. Men vindt zulks bevestigd door een schrijver van dien tijd, die onder anderen van Reael vertelt, dat hij te Weenen gekomen als een gevangene, er vandaan ging als een vorst. Zijn ontslag had plaats in 1629, wanneer hij, in ’t Vaderland teruggekeerd, aan de Staten-Generaal verslag deed van zijn verrichtingen, en deswege op eervolle wijze werd bedankt.
Het schijnt dat Reael nu echter genoeg had van zendingen buiten ’s lands en liever tot een rustig burgerleven wenschte terug te keeren. Althans hij trouwde nog in datzelfde jaar met zekere juffer, Suzanna De Moor geheeten, en weduwe van H. De Pikker; terwijl hij zich in het volgende liet welgevallen tot lid van den Raad der stad Amsterdam benoemd te worden. Acht jaren lang leefde hij nu stil en ongestoord voor zijn huiselijke en burgerlijke betrekkingen, weinig uitgaande dan om zijn ambtsplichten te vervullen, zoodat zelfs zijn nauwste vrienden, als Hooft en anderen, klaagden, dat zij niets meer aan hem hadden. In ’t jaar 1637 echter scheen zich voor hem weder een nieuwe en glorierijke loopbaan te zullen ontsluiten. De betrekking van Luitenant Admiraal van Holland was opengevallen en er moest een nieuwe keuze door den Prins worden gedaan. Te dien einde werd hem een lijst van zes personen aangeboden, aan wier hoofd zich Reael bevond. De Staten van Holland bevolen hem zeer bijzonder aan, en gewis ware hij tot die luistervolle bediening geroepen geworden, indien de Voorzienigheid het niet anders beschikt had. Een besmettelijke ziekte, die op dat tijdstip Amsterdam teisterde, trof ook zijn huis. Zijn beide zoontjes, Laurens en Bartholomeus, werden hem ontrukt, en hun dood schokte hem zoozeer, dat hij tot volslagen lusteloosheid verviel. Bij die ongesteldheid voegde zich een heete koorts, die hem op den 10den October 1637, ten grave sleepte. Zeker was zijn dood te bejammeren en toch, kan men daaruit wederom leeren, hoe wijs de wegen der Voorzienigheid zijn. Immers nu werd tot Admiraal benoemd Maarten Harpertszoon Tromp, die na Reael op de lijst stond, en die, zoo hij al in andere opzichten voor Reael moest onderdoen, hem in ondervinding en praktische kennis van ’t zeewezen en den zeeoorlog ver overtrof, ja een zeevoogd was, wiens gelijke de wereld nauwelijks opgeleverd heeft.
Met dat al, de dood van Reael was een bittere slag voor het vaderland, voor de Oost-Indische Maatschappij, voor de stad Amsterdam, voor ’s mans gezin en ook voor de wetenschap. Wel is waar, hij had deze laatste meer bevorderd door haar overal ijverig voor te staan, dan door iets in het licht te geven, want hij verzuimde nooit de werkzaamheden, welke zijn plicht of zijn betrekking hem oplegden, voor enkel liefhebberijwerk. Vandaar liet hij maar weinige lettervruchten na, van welke er nog vele verloren zijn gegaan, en onder deze laatste eene latijnsche elegie of klaagzang over de rampen van zijn tijd, na zijn terugkomst uit de Oost vervaardigd, een werkje, getiteld Raad voor hen, die zich naar Indië willen begeven; eenige Observatiën over den Magneetsteen, of de magnetische kracht der aarde, en een briefwisseling met den beroemden Galileï: Over het vinden van de lengte op zee. Wij bezitten nog van hem allerliefste minnedichtjes, door hem in zijn jeugd vervaardigd, en het grafschrift op den zeekapitein Cornelis Jansz., bijgenaamd het Haantje, dat nog in de Oude Kerk te Amsterdam op diens graf te lezen staat en aldus luidt:
Hier rust de helt, die van zijns vijants schepen
In sevenmaal quam seven vlagghen sleepen,
En gaf voor ’t laatst op twee so dapper vonck
Dat ’t eene vloot en ’t ander bij hem sonck.