Een Staats-Examen in 1851.
Reading edition
De dag, waarop de examina een aanvang nemen, is aangebroken. Ten gevolge van het Besluit, waardoor aan allen, of zij wat weten of niet, de toegang tot de Academische lessen is verzekerd, hebben zich 7000 candidaten aangemeld. Onder hen bevinden zich:
1000 Leerlingen van al de klassen der verschillende gymnasiën.
1000 Leerlingen van onderscheiden inrichtingen van middelbaar onderwijs.
500 Jongelieden, die vroeger privaat-onderwijs genoten hadden, doch sedert Juli 1850 zuinigheidshalve hun leermeester hebben afgeschaft.
2000 Leerlingen van scholen van lager onderwijs.
50 Knapen, die te Breda, Medemblik of Delft zijn afgewezen geworden.
De overigen hebben nimmer eenig onderwijs genoten.
De voorzitter der staats-commissie, tot de jongelieden, die tegenover zijne tafel staan: Jongelieden! dewijl uw getal zoo aanzienlijk is, dewijl het toch maar een examen is voor de leus, en dewijl wij geleerde lui wel wat anders en wat pleizierigers te doen hebben dan het ondervragen van botterikken, zoo zullen wij er maar met den Franschen slag doorheen slaan, u het Examen bij paren afnemen, en u in elk vak eenige korte vragen voorstellen, genoeg om te oordeelen, hoever gij het gebracht hebt. Laten er dus twee uwer voor de tafel komen. Gij, jongelief, hoe is uw naam?
Jongeling. Jan Blokkert.
De voorzitter. Goed! gij zult voor een tijd uw naam verliezen, evenals aan ’t bagno, en No. 1 heeten. Waar hebt gij onderwijs genoten?
No. 1. Aan het Gymnasium te X.
De v. Best. Hebt gij een ontslag of getuigschrift?
No. 1 reikt het papier over met een triomfantelijken blik.
De v. Hm! hm! summa cum laude!.... Ja! daar geven wij niet om. Wij zien uit eigen oogen. (Tot een ander) En gij, hoe is uw naam?
De andere jongeling. No. 2.
De v. Hm! hm! Niet dom! Maar ik dien uw doop- en familienaam op te teekenen.
No. 2. Pietje Vlug.
De v. En bij wien hebt gij onderwijs genoten?
No. 2. Bij niemand.
De v. Niet!—nu, dat is ’t zelfde. Gij zijt dus een autodidakt?
No. 2. Neen, ik ben een biljartjongen.
De v. Zoo! en gij hebt liefhebberij gekregen voor de studie?
No. 2. Volstrekt niet voor de studie; maar wel om student te zijn, evenals de Heeren, die ik dagelijks in ’t koffiehuis zie.
De v. Ei!—Nu, gij kunt uit hun gesprekken misschien wat hebben geprofiteerd.—Gaat nu met u beiden in de kamer hier naast: daar zullen de Heeren bij u komen.
Onderzoeker. Jongelieden! Ik zal u het examen in ’t Latijn afnemen. Maar weet gij mij ook vooraf te zeggen, wat dat woord examen beteekent?
No. 1. Dat beteekent eigenlijk een bijenzwerm.
Ond. Aliquid decis! (Tegen No. 2) En wat weet gij er bij te voegen?
No. 2. Dat het zooveel beteekent, als dat het dubbel en dwars uit is.
Ond. Dat het uit is! Hoe verstaat gij dat?
No. 2. Wel ja. Ex is „uit:” en amen is ook „uit,” ten minste onze Pastoor zeit het altijd als wij naar huis kunnen gaan.
Ond. Egregie! uitmuntend!—Daar had ik nooit op gedacht. (tegen No. 1) Weet gij wel wat een Pons asinorum is?
No. 1. (Zit zich te bedenken).
No. 2. Wel! Pons asinorum is klaar water.
Ond. Hoe meent gij dat?
No. 2. Hebt gij ezels ooit andere pons zien drinken als klaar water, Mijnheer?
Ond. Inderdaad, gij hebt gelijk. Nu zullen wij eens zien, of gij iets van de Dichters begrijpt. Lees eens deze ode van Horatius.
No. 1. (Leest) Persicos odi puer apparatus.
Ond. Hoe vertaalt gij dat?
No. 1. „O knaap! Ik haat den Perzischen toestel.”
Ond. Niet kwaad, maar wat te letterlijk.
No. 2. Ik zou ’t anders vertalen.
Ond. Hoe dan?
No. 2. Wel, ’t is klaar, dat Horatius zich in een koffiehuis bevond, en dat hij tot den knecht zei: „dank je Jan! ik lust geen ingemaakte perziken.”
Ond. Inderdaad! dat is eene remarkable interpretatie, die mij nog nooit was voorgekomen! Wij zullen eens tot eene andere ode overgaan. Hoe verklaart gij dezen regel:
Tecum vivere amen, tecum obeam libens?
No. 1. „Met u zoude ik willen leven, met u gewillig sterven.”
Ond. Niet kwaad! (tegen No. 2) en gij?
No. 2. Wel, Horatius zit weer in zijn koffiehuis en zeit: „met thee wil ik leven en sterven.”
Ond. (Met een goedkeurenden hoofdknik). Zeer merkwaardig!—Daar had ik nooit aan gedacht! dat zou bewijzen, dat het theedrinken in die dagen al was uitgevonden. Wij willen nu Virgilius eens bij de hand nemen. Lees en vertaal dezen regel, No. 1!
No. 1. (Leest) Formosum pastor Corydon ardebat Alexin, Delicias domini.
„De herder Koridon beminde zeer den schoonen Alexis, de vreugde zijns meesters.”
Ond. Dat is nu niet woordelijk genoeg.
No. 2. Neen, dat zeg ik ook.
Ond. Hoe zoudt gij ’t maken?
No. 2. Wel: „de Pastoor Jacob (of Koo) Rydon braadde een mooien haring, een delicieus hapje voor een heer.”
Ond. Egregie!—Gij hebt zeker de overzetting van Bilderdijk gelezen;—doch de uwe is nog nauwkeuriger. (tegen No. 1) Die Ecloga zal u waarschijnlijk te zwaar wezen: Lees en vertaal liever deze eens.
No. 1.
Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi,
Silvestrem tenui musam meditaris avena.
„Gij, Tityr! nederliggende onder het dak der schaduwrijke beuk, speelt op uw dunne schalmei een landelijk lied.”
Ond. Hm! Tenuiter! gedrongen en stijf! (tegen No. 2) Hoe vertaalt gij deze regels?
No. 2. Wel, dat is dood gemakkelijk. „Gij, Titi! (wie Titi is weet ik uit den Sarivari) liggende onder het beukenberceau, denkt, dat ik de dochter van den boschwachter in het hooi heb beetgehad.
Ond. Egregie! eximie! Dat is om alle Commentatores van spijt te doen barsten. Gij zult een eerste criticus worden, dat voorspel ik u. Ik ga u thans verlaten en plaats ruimen voor den examinator in het Grieksch.
Wij zullen aan onze lezeressen het examen in ’t Grieksch sparen (’t is al wel, dat wij ze op Latijn trakteeren) en tot dat in de Wiskunde overgaan.
Onderzoeker in de wiskunde. Waarom wordt wiskunde aldus genoemd?
No. 1. Omdat het eene wisse kunde is.
Ond. Tenuiter! (tegen No. 2) Hoe denkt gij er over?
No. 2. Wel, ’t is van wisschen en kunde.
Ond. Van wisschen en kunde?
No. 2. Wel ja. Ik heb dat wel eens bijgewoond. De meester, of de jongen, staat voor ’t bord, met eene liniaal, een stuk krijt en eene spons: en de heele kunst bestaat daarin, om wat lijnen, letters of cijfers, daar geen drommel uit wijs kan worden, op te schrijven en gauw weer uit te wisschen.
Ond. Egregie! Wel doordacht. Gij geeft ten minste reden van uw zeggen. (tegen No. 1) Voor wie is de meetkunst vooral nuttig?
No. 1. Voor hen, die hun verstand willen scherpen.
No. 2. Voor de snijers en schoenmakers.
Ond. Egregie! Wat is een driehoek?
No. 2. Een steek.
Ond. Welke is de kortste weg tusschen twee gegeven punten?
No. 1. De rechte lijn.
No. 2. Mits er geen sloot tusschen ligt of geen beeren op zijn.
Ond. Daar is veel van aan:—Nu zal ik u eenige problemen ter oplossing geven: reken eens uit: Wanneer een heer en eene dame in een logement een kalfslever voor hun ontbijt ordonneeren, de heer 1/52 ons Nederl. eet, en de dame een half-vierendeel oud gewicht, hoeveel blijft er dan over?
Terwijl No. 1 zich aan ’t cijferen zet, antwoordt
No. 2. Niemendal, als er maar een hond in de kamer is.
Ond. Precies.—Een heer laat een huis bouwen van drie verdiepingen; doch als de tweede klaar is, bemerkt hij dat hem het geld ontbreekt voor de derde. Wat doet hij om zijn huis te voltooien?
No. 1. Hij vraagt geld te leen.
No. 2. Hij neemt de eerste verdieping weg, zet die op de tweede en krijgt op die manier zijn derde verdieping.
Ond. Maar dan stort immers de tweede onmiddellijk in.
No. 2. Daar geeft hij niet om: hij bewoont alleen de derde; de tweede verhuurt hij.
Ond. Wel gevonden.—Nu het een en ander over cijferkunst: wat was de helft van twaalf bij de Romeinen?
No. 1. Zes.
No. 2. Neen, zeven ().

Ond. Recte. Wat is optrekken?
No. 2. Hetzelfde als opkuieren.
Ond. Wat is boekhouden?
No. 2. Een boek niet weerom geven.
Ond. Wat verstaat gij door een deficit?
No. 2. Een heer zonder neus.
Ond. Wat door een surplus?
No. 2. Iemand met een bochel.
Ond. Wat is XXX in de algebra?
No. 2. Het merk van oude Engelsche ale op ’t vat.
Ond. Wat is speculatie?
No. 2. Sinterklaas-gebak.
Ond. Wat is eene breuk?
No. 2. Iets daar men terstond den meester bij moet halen.
Ond. Perfect! Wanneer een schip in volle zee, de wind Z. O., en de schipper 45 jaar oud is, hoe lang is dan de groote mast?
No. 1. Dat kan niet uitgerekend worden, omdat de deelen der vergelijking niet tot elkander....
No. 2. Gekheid: ik zal ’t wel zeggen: de mast is in dat geval zoolang als de afstand van den wimpel tot het dek.
Ond. Eximie! (tegen No. 1) Maakt eene vink een koppel?
No. 1. Neen.
No. 2. En ik zeg al!
Ond. Hoe bewijst gij dat?
No. 2. Wel, ik vraag aan No. 1: maken twee vinken een koppel?
No. 1. Ja.
No. 2. Dus maakt een vink (namelijk een vink meer) een koppel.
Ond. Egregie!—Hoeveel staarten heeft eene kat?
No. 1. Maar een.
No. 2. En ik zeg: drie,
Ond. Hoe bewijst gij dat?
No. 2. Op de volgende wijs;
Geen kat heeft twee staarten. Een kat heeft een staart meer dan geen kat, dus heeft een kat drie staarten.
Ond. Voortreffelijk! Nu eene vraag over de logica. Wat is een non sequitur?
No. 1 (bedenkt zich.)
No. 2. Eene trekschuit, waarvan de lijn breekt.
Ond. Eximie. Wij zullen tot de aardrijkskunde overgaan. Wat is de aarde?
No. 1. Rond.
Ond. (tegen No. 2.) Duidt gij haar beter aan.
No. 2. De aarde is iemand, die vijf zonen heeft, waarvan er twee bevroren zijn.
Ond. Hoeveel vossestaarten zijn er noodig om van de aarde tot de maan te reiken?
No. 1. (verlegen). Dat weet ik niet.
No. 2. Eene, als ze maar lang genoeg is.
Ond. Hoevele mijlen ligt Amsterdam van Java?
No. 1 (overijld). Eene, als ze maar lang genoeg is.
Ond. Male.
No. 2. Evenveel mijlen als Java van Amsterdam.
Ond. Hoe diep is de zee?
No. 1. Dat zal wel verschillend wezen, naarmate.... (hij stottert).
No. 2. Overal een steenworp diep.
Ond. In welk land wonen de meeste dronken lieden?
No. 1. Dat weet ik niet.
No. 2. In Lapland.
Ond. Welke bergen worden door de reizigers het meest bezocht?
No. 1 (verlegen). De Mont-Blanc.... neen.... de Chimborasso.
Ond. Gekheid! die worden maar zeer zelden bestegen. (tegen No. 2) Weet gij het?
No. 2. De herbergen.
Ond. In welke steden komt men gewoonlijk ’s nachts eerst aan?
No. 2. In de bedsteden.
Ond. Noem eene kaap, waar weinig dooven wonen.
No. 2. Aan kaap Hooren.
Ond. En eene gastvrije kaap.
No. 2. Kaap Kom-maar-in (Comorin).
Ond. Wat is eene rivier?
No. 2. Eene rivier is iemand, die naar zee gaat.
Ond. Welke plaatsen zijn bekend wegens den grooten invoer van wijn en van snuif?
No. 2. Termonde en Terneuze.
Ond. Wat houdt men algemeen voor het beste goud?
No. 1 (aarzelende). Dat van Californië komt.
No. 2 Dat men in zijn zak heeft.
Ond. Egregie. Ik verlaat u thans en ruim mijn plaats in voor den examinator in de Geschiedenis.
Onderzoeker in de geschiedenis. Ik zal u eenige vragen doen uit de algemeene geschiedenis. Waarom zeilden de Argonauten naar Kolchos?
No. 1. Om het gulden vlies te halen.
Ond. (tegen No. 2). En hoe denkt gij er over?
No. 2. Omdat zij geen kans zagen er over land te komen.
Ond. Egregie. Weet gij, hoeveel koningen van Rome er geweest zijn?
No. 1. Zeven.
No. 2. Acht.
No. 1. Wel neen:—Romulus, Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus Martius, Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius: dat is zeven!
No. 2. En de zoon van Keizer Napoleon maakt acht.
Ond. Mooi! eximie! daar had ik zelf nooit aan gedacht.—Zeg mij nu eens welk volk der oudheid het meest gedrukt heeft?
No 1. De Chineezen.
Ond. Male!
No. 2. De Persen.
Ond. Egregie!—Welke soort van haar had Bucefalus, het paard van Alexander?
No. 1. Bruin haar.
Ond. Male. Gij slaat er maar een slag in. (tegen No. 2) Weet gij het?
No. 2. Paardenhaar.
Ond. Egregie. En aan welke zijde het meeste?
No. 1 (verward). Aan de rechterzij.
Ond. Pessime!
No. 2. Aan de buitenzij.
Ond. Juist! Van paarden gesproken, welke zijn de makste?
No. 1. Die ’t best onderwezen zijn.
Ond. (haalt medelijdend de schouders op).
No. 2. De paarden in de bedsteden.
Ond. Voortreffelijk. En welke de koppigste?
No. 2. De stokpaarden.
Ond. En waarom mag een dood paard niet meer loopen?
No. 2. Omdat men anders doode paarden voor levende verkoopen zou.
Ond. Uitmuntend! Weet gij welke paus vóór de invoering van het Christendom geleefd heeft?
No. 1. Toen kon er nog geen Paus zijn.
No. 2. Wis en drie!—Paus-anias.
Ond. Zeer goed! Hoe heette zijne vrouw?
No. 1 (Ziet beteuterd voor zich).
No. 2. Pausani-japon.
Ond. En hoe heette hij toen hij klein was?
No. 2. Pausani-buis.
Ond. Eximie. En hoe heette Mozes, toen hij klein was?
No. 1 (geheel van de wijs.) Mo-buis.
Ond. Male! (tegen No. 2) zeg gij het eens.
No. 2. Mozesje.
Ond. En hoe heette de vader van Mozes?
No. 2. Mo-vijf.
Ond. Egregie. En waarom verdronken de Egyptenaren in de Roode Zee?
No. 2. Omdat zij niet aan wal waren gebleven.
Ond. Zeer goed. Nu nog een paar vragen uit de nieuwere geschiedenis en staatkunde. Waarom zal het Rusland nooit gelukken, de Poolsche nationaliteit geheel te vernietigen?
No. 1. Omdat.... omdat....
No. 2. Omdat er altijd twee polen zullen overblijven.
Ond. Perfect! noem mij eens een tijdgenoot van Corneille? (No. 1 is van zijn stuk en weet niet wat te zeggen.)
No. 2. Zijn snijer.
Ond. Wij hebben onlangs verkiezingen gehad. Wie hebben het meeste verstand van kiezen?
No. 1. De beschaafde lieden.
Ond. Male. Gij zijt een aristocraatje. (tegen No. 2) Wie hebben het meeste verstand van kiezen?
No. 2. De tandmeesters.
Ond. Egregie!—Welke Europeesche kronen hebben zich het best tegen den revolutie-geest gehandhaafd?
No. 1 (stotterende). Rusland.... en....
No. 2. De Amsterdamsche Drie Kronen.
Ond. Mirifice! Mijn tijd is om: Ik groet u. Een der andere Heeren zal u over de Geschiedenis des Vaderlands en de Taalkunde ondervragen:
Onderzoeker. Waarom, mijne jonge vrienden, kwam Alva naar de Nederlanden?
No. 1. Om den opstand te dempen.
No. 2. Omdat de Nederlanden niet naar Alva kwamen.
Ond. Waarom werden Egmond en Hoorne onthalsd?
No. 1. Omdat men hen van hoogverraad betichtte....
No. 2. Omdat zij van adel waren, anders waren zij gehangen geworden.
Ond. Recte! Van adel gesproken, waarom zond Lodewijk XIV aan De Ruyter de orde van St.-Michiel?
No. 1. Omdat.... omdat....
No. 2. Omdat De Ruyter die nog niet had.
Ond. Egregie. Brandt schreef de geschiedenis van De Ruyter. Welke geschiedenissen zijn beter dan die van Brandt?
No. 2. Die van blusschen.
Ond. Bene. Wat was het eerste, dat De Ruyter deed, als hij ’s morgens uit zijn bed stapte?
No. 1. Bidden.
Ond. Male!
No. 1. Ontbijten.
Ond. Pessime.
No. 1. Zich wasschen.
Ond. Ik verlang niet dat gij er naar raadt. Weet gij het of niet?
No. 1. (huilende). Neen.
Ond. (tegen No. 2). En gij?
No. 2. Wel zeker:—het eerste wat hij deed, als hij uit zijn bed stapte was: plaats maken.
Ond. Rectissime!—En welke logeergast had De Ruyter op zijne kamer, die alle ochtenden vroeg uitging, zonder ’t huis te verlaten?
No. 2. Zijne nachtkaars.
Ond. Voortreffelijk. Nu nog eenige staat- en landhuishoudkundige vragen. Wat is hier te lande de hoogste post?
No. 1. Koning.
Ond. Dat is geen post.
No. 2. De duivepost.
Ond. Optime! Wat zou, sinds de spoorwegen, nog de beste vaart in ons land zijn?
No. 1. De vaart op de Oost.
Ond. Is die in ons land? (No. 1 kijkt bedrukt voor zich.)
No. 2. Welvaart.
Ond. Wat noemt men een landeigenaar?
No. 2. Iemand, die ’t land heeft.
Ond. Welke boeren gaan meestal naar ’t leger?
No. 2. Boeren die vaak krijgen.
Ond. Wat is de beste kaas?
No. 2. Presentkaas.
Ond. Wat zijn de duurste inlandsche steenen?
No. 2. Jan-Steenen.
Ond. Welk bier pakt iemand terstond bij ’t hoofd?
No. 2. Een barbier.
Ond. Welk een haas laat zich hier te lande gemakkelijkst vangen?
No. 2. Een ossehaas.
Ond. En welke zijn de goedkoopste hammen?
No. 2. De boterhammen.
Ond. Gij wilt student worden. Is er ooit onder de groenen een vermaard man geweest?
No. 2. Jan Gras.
Ond. Heeft hij kinderen nagelaten?
No. 2. Ja, een broer, Dorus-Gras.
Ond. Wat is de meest geliefkoosde les van een student?
No. 2. Een kales.
Ond. En zijn geliefkoosd nastuk.
No. 2. Een stuk-in.
Ond. Welke is thans de eerste leerstoel hier te lande?
No. 2. De tafelstoel.
Ond. Egregie! Wij zijn zoo van lieverlede op Onderwijs en Taal gekomen. Hoeveel soorten van letters zijn er?
No. 1. Twee: klinkers en medeklinkers.
Ond. (tegen No. 2) En volgens u?
No. 2. Vier: schrijfletters, drukletters, rooie letters en sinterklaasletters.
Ond. Egregie. Welke letters zijn nat?
No. 1. Die pas geschreven zijn....
Ond. Male.
No. 2. A en Y.
Ond. Welke letter is eene vrouw?
No. 2. K.
Ond. Met welke kan men meten?
No. 2. Met de L.
Ond. Welke gebruikt men na den eten?
No. 2. De T.
Ond. Eximie! Wat is de vocativus van kat?
No. 1 (half wanhopend). O kat!
Ond. Male. (tegen No. 2) Wat is de vocativus van kat?
No. 2. Poes!
Ond. Excellentissime. Het examen is afgeloopen.
(De beide jongelieden worden binnengelaten om hunne bewijzen van toelating te ontvangen. No. 1 heeft 3 punten, No. 2 heeft er 25, en de Voorzitter schrijft een vertrouwelijken brief aan Prof. Y. te X., met aanbeveling om laatstgemelden jongeling honoris causa het Doctoraat in de letteren te doen opdragen).