← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

De Kruier van Amsterdam.

Reading edition

Indien men zich buiten ’s lands het type van den echten Hollander voor den geest wilde brengen, dan stelde men zich de beeltenis voor van een wel doorvoeden burgerman, met een onbewegelijke tronie, driedubbele kin en vooruitpuilenden buik, het dikke hoofd met een pruik en punthoed bedekt, een korten broek, kuit- en schoengespen, en de onmisbare lange pijp in den mond, zittende aan een tafeltje, waarop een kwispeldoor, een glas jenever, een koopmansjournaal en eenige geldzakken, als passende zinnebeelden paradeeren.

Wat mij betreft, ik wil tot type onzer natie een ander voorwerp kiezen, en haar voorstellen onder de gedaante van den eenigen man, die in onze verbasterde eeuw nog de hoedanigheden vereenigt en bewaart, welke aan onze voorouders eer, achting en rijkdommen hebben doen verwerven: in den Kruier van Amsterdam.

Vlijt, bedaardheid, nauwkeurigheid, spaarzaamheid, zindelijkheid, matigheid, eerlijkheid vooral, ziedaar de deugden, welke onze natie van ouds gekenmerkt hebben: ziedaar de deugden, welke wij terugvinden in den man, wiens beschrijving wij ons hebben voorgesteld: de hoofdtrekken van zijn karakter, de voorwaarden van zijn bestaan. Men oordeele:

De Kruier is vlijtig:—Men versta mij echter wel: hij loopt het werk niet na, noch dringt zijne diensten met onbescheidenheid op.—Neen! Ook hierin verloochent hij zijn landaard niet: men wachte zich ook, hem met den sjouwerman te verwarren; de man, dien wij bedoelen, is, in zijn stand, een deftig burger, die zijn fatsoen weet te bewaren: in zijn pothuis gezeten, wacht hij af, welke boodschappen zijne kalanten verkiezen hem op te dragen; maar ontvangt hij die, dan zijn zij ook dadelijk volbracht.

De Kruier is bedaard: hij loopt, maar draaft niet; want hij weet, dat hij, na de boodschap, welke hij verricht, er nog vele andere zal te verrichten hebben: en hij wil zich niet buiten adem brengen of noodeloos vermoeien: is hij aan den mangel, aan de wasch, aan een verhuisboel werkzaam, hij volbrengt zijn plicht in stilte, en zonder noodelooze opschudding of beweging; hij stoeit en dartelt niet met de dienstmeisjes, waarmede zijn beroep hem in gedurige betrekking brengt, noch geeft aan de eene de voorkeur boven de andere; want hij weet, dat dit een bron is van nijd en van krakeel: en hij moet meesters en dienstboden beiden te vriend houden. Daarom behandelt hij de eersten met bescheiden eerbied, de laatsten met terughoudende minzaamheid, en het is veel, indien hij in het koffij- of etensuurtje zich een onschuldige boerterij veroorlooft.

De Kruier is nauwkeurig: hij is een man van de klok, en op het bepaalde uur aanwezig, geen minuut vroeger of later. Geeft men hem een mondelinge boodschap, hij luistert met aandacht, en geen letter zal, bij het overbrengen, ontbreken. Heeft hij goederen te bezorgen, geen pakje, geen mandje, hoe klein ook, dat onder zijn waakzaam oog verloren gaat. Heeft hij zijn arbeid te verrichten in eene, te voren hem onbekende, woning, hij let op alles, slaat elke inrichting, elke gelegenheid gade, en kent, bij het uitgaan, het huis, de verdeeling der kamers, de plaats van elk meubelstuk zoo goed, als ware het zijn eigendom; want hij weet, dat hij er weer zal worden geroepen, en gebeurt dit, dan zal hij er thuis zijn, en zijn handen zullen niet verkeerd staan.

De Kruier is spaarzaam: hij is het op zijn tijd; want ook hij weet, hoe kostbaar die is, en hoezeer het er op aankomt, daarmede te woekeren. Zijn hem vele, uiteenloopende boodschappen opgedragen, zijn geest heeft de woonplaatsen, de afstanden, dadelijk berekend: en alles wordt volbracht, zonder dat hij met terugloopen of heen en weer gaan een oogenblik verliest. Hij is spaarzaam op zijn woorden; want hij weet met Salomo, dat in de veelheid daarvan de overtreding niet ontbreekt. Daarom ook is hij een vijand van klappen en van uit het eene huis in het andere te praten, en het noodwendig vertrouwen, dat in hem gesteld wordt, te misbruiken. Maar ook met zijn verdiensten is de Kruier spaarzaam; want hij wil gaarne aan zijn kinderen een burger kapitaaltje nalaten: en dat moet hij met dubbeltjes bijeenkrijgen: hij doet dan ook geene noodelooze uitgaven; maar is zuinig op zijn dagelijksche en onveranderlijke plunje: alleen des Zondags, wanneer zijn bezigheden hem vergunnen, met de zijnen naar de kerk te gaan, toont hij zich, wel niet zwierig, maar toch netjes, ja deftig uitgedost.

De Kruier is zindelijk: zijn linnen buis is altijd helder: zijn gelaat moge door de zon verschroeid zijn en zijn handen vereelt, maar geen van beide zijn immer zwart of onrein: en ook de teêrste pakketjes, de op rose papier geschreven briefjes, kunnen veilig aan die handen worden toevertrouwd, zonder dat men vrees behoeft te voeden, dat eenige vlek of smet die zal bezoedelen.

De Kruier is matig: een dronken Kruier is iets onbekends. Moet hij niet eenmaal ’s jaars helpen verhuizen? Eenmaal ’s maands den mangel bestieren? Eenmaal ’s weeks mejuffrouws hondje dragen, als zij van haar salet komt? Viermaal ’s daags de kinderen naar en uit de school geleiden? En wie zoude zijn meubelen, zijn mangel, zijn hondje, zijn kinderen toevertrouwen aan iemand, die beticht kon worden, van zich slechts eenmaal aan sterken drank te buiten te zijn gegaan?—Neen de Kruier is als de vrouw van Cesar: op hem moet zelfs geen vermoeden rusten.

Maar bij en boven dat alles, de Kruier is eerlijk. Waar treft men elders, ik zeg niet, in geheel Europa, maar in de geheele wereld, de stad aan, waar iemand, wie hij zij, burger of vreemdeling, aan een hem onbekenden man, dien hij te voren nooit gezien, van wien hij te voren nooit gehoord heeft, maar dien hij, op den hoek van de straat, uit zijn pothuis roept, een som gelds ter bezorging, een wissel ter ontvangst, een bankbriefje ter verwisseling kan toevertrouwen, zonder dat hij eenige vrees behoeft te koesteren voor schade of bedrog? En ziedaar, wat te Amsterdam dagelijks plaats heeft, zonder dat de ondervinding van achtereenvolgende eeuwen door een enkel voorbeeld heeft kunnen aanwijzen, dat er misbruik is gemaakt van het goede vertrouwen, in den Kruier gesteld.—Ook ten dezen opzichte heeft hij den roem volkomen gehandhaafd, door zijne natie verdiend.

Eere den Hollandschen geest!

Eere den Kruier!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings