Note 2 — Van Amsterdam naar Parijs.
Reading edition
Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen. Verbaasd, bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus2 zag ik reeds met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open, den nacht op straat door te brengen en het corps de garde tot eenig toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande, bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde, vloekte:—geen antwoord. Eindelijk kwam madame la concierge uit haar slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt niet beloven kon, in ’t vervolg beter op mijn tijd of liever op haar tijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open, en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.