← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

Note 1 — Van Amsterdam naar Parijs.

Reading edition

Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand gaan vragen, die ze in zijn Camera obscura zoo geestig en tevens zoo naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn, eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote kajuit eener stoomboot bij nacht, het inhebbend gezelschap (zooals sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw, voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak, alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit en monopoliseert al de kussens, die onder zijn bereik zijn; vergeefsch is het dat men hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten, van den witten slaapmuts af tot den zijden foulard toe. En dan, tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die, omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel aardig vinden, ter dezer gelegenheid op te moeten blijven; kinderen, die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht, geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken, een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde.1

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings