Note 45 — In en over Amsterdam. (continued 3)
Reading edition
Maar, terwijl de Vroedschap nog over dit laatste punt beraadslaagde, waren de doldriftigsten onder de Amsterdamsche heethoofden nog steeds aan ’t overpeinzen, wie alzoo mede konden betrokken zijn in het verraad op groote schaal, waarvan zij de De Witten verdacht hielden: en zoo gebeurde het, dat men, hetzij domheid, hetzij, wat waarschijnlijker is, doemwaardige boosheid, den naam van De Ruyter noemde. Van hem was het bekend, dat hij én onder den Raadpensionaris, én onder den Ruwaard van Putten, het bevel had gevoerd, en met beiden in volmaakte overeenstemming, ja op den meest vriendschappelijken voet had verkeerd:—wat op zich zelf reeds aanleiding scheen te geven tot verdenking: voorts, ofschoon de Admiraal zich altijd buiten alle politieke geschillen gehouden en zich bepaald had, naar krijgsmansplicht, stipte gehoorzaamheid te betoonen aan zoodanige lastgevingen, als hij van zijne wettige overheden ontving, scheen de omstandigheid, dat juist hij altijd door de Staten, of liever door hun oppermachtigen Raadpensionaris, bij voorkeur boven anderen was gekozen geweest tot het uitvoeren hunner ondernemingen, kracht bij te zetten aan de verdenking, dat hij met lijf en ziel hunne Staatkunde was toegedaan, en, evenals zij, den Prins uit alle hooge ambtsbetrekkingen wilde verwijderd houden. Ten bewijze, dat de vloot- en zeevoogden, in wie de Staten hun bijzonder vertrouwen stelden, noodwendig hunne staatkunde toegedaan moesten zijn, voerde men wijders den schoonschijnenden grond aan, dat de zoodanigen onder hen, die als Prinsgezinden bekend stonden, van bevordering uitgesloten, ja langzamerhand waren ontslagen geworden. Vooral was dit het geval geweest met den Achilles van de zee, gelijk men hem noemde, met Kornelis Tromp. Tweemalen was deze op de schandelijkste wijze verongelijkt. De eerste reize, in 1665, toen hij, tot Luitenant-Admiraal van de Maas benoemd en met het opperbevel der vloot belast, in Texel vergaderd, had moeten ondervinden, dat hem, zonder eenigen schijn van grond, dat bevel ontnomen werd en opgedragen aan De Ruyter, die wel eenige maanden vroeger tot Luitenant-Admiraal verheven was, maar bij de Admiraliteit van Amsterdam, boven welke die van de Maas den voorrang bekleedde:—de tweede reis, in 1666, toen hij, tot loon van de dapperheid door hem in den zeeslag van 4 en 5 Augustus bewezen, op aandrang van De Witt uit ’s Lands dienst ontslagen was. En ongelukkig viel het niet te ontkennen, dat dit ontslag een gevolg was geweest van een twist tusschen hem en De Ruyter, waarbij deze—misschien voor ’t eerst en ’t laatst van zijn leven—zich tot harde en onbillijke beschuldigingen tegen een medebevelhebber had laten verleiden45. Was het vreemd, dat De Ruyters gedrag in deze zaak door de vrienden van Tromp, en door de Prinsgezinden in ’t algemeen, in het ongunstigste daglicht was gesteld, en nieuw voedsel gegeven had aan het beweren, dat hij in alles met den Raadpensionaris dacht en handelde?