← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

Note 13 — In en over Amsterdam. (continued 3)

Reading edition

Doch wie is die andere jongeling, slechts weinig ouder dan pas genoemden en die, meer dan zij, ja, meer dan vele mannen van jaren en gezag, hier de aandacht der aanwezigen en niet het minst die der jufferschap tot zich trekt? Zijne rijke en hoofsche kleedij is naar den allerlaatsten smaak, doch wordt met zooveel gemak gedragen, dat men terstond den man herkent, die zich zwierig kleedt, omdat zijn stand het medebrengt en niet, omdat hem zijn snijder aldus heeft opgeschikt. Zijn bruin gelaat kan wel niet schoon genoemd worden, doch het tintelt van geest en leven: en in stem, in spraak, in manieren spreidt hij dat bevallige, dat innemende, dat echt hoffelijke ten toon, ’t welk noch goud, noch hooge betrekkingen, noch al de moeite, die men aanwendt, kunnen verschaffen aan hem, wien het van natuur niet eigen is. Zie! daar spreekt hij met de juffers over Fransche modes, over menuetten, pavanes en sarabandes, terwijl Debora Baeck aan eene van hare kaartjes13 ronduit verklaart, nooit een danser te hebben gehad, die netter passen maakte en beter in de maat bleef; of wel, hij redeneert over muziek, en meester Dirk Swelinck, de wijdberoemde organist, vertelt overluid, dat hij zelden bij een liefhebber meer kennis van het vak bij meer voortreffelijkheid van uitvoering gevonden heeft. Maar daar komt ’s Legers Opperwachtmeester Wijts, een der helden uit den vrijheidsoorlog en der bekwaamste krijgskundigen uit zijn tijd, onzen jongeling in ’t gemoet, drukt hem de hand en doet hem een paar vragen aangaande ’t beleg van Bergen-op-Zoom: en de ander antwoordt daarop, zonder zich te bedenken, met een zaakkennis, die, aan wie hem niet kennen, al licht zou doen gelooven, dat hij een krijgsman is van beroep. Intusschen acht de grijze Burgemeester De Vlaming van Oudshoorn het de moeite wel waard, van de gelegenheid gebruik te maken, die zich voordoet, om een woordje over staatkunde te wisselen. Hij treedt naar onzen jonkman toe, en, hem met meer eerbiedigheid aansprekende dan men in iemand van zijn stand en achtbaarheid tegenover een jongen spring-in-’t-veld verwachten zou, veroorlooft hij zich een paar „bescheiden vragen” aangaande het vermoedelijk doel der zending, die de Heer Gramaye vanwege Keizer Ferdinand bij de Heeren Staten volbrengen komt. Op zedigen toon, maar zonder aarzeling, geeft de jongeling de verlangde inlichtingen, ja treedt daarbij in bijzonderheden, die genoeg bewijzen, dat hij aan een goed geheugen een helder doorzicht paart en den sluier weet op te lichten, waaronder de diplomatie haar geheimen zoekt te verbergen;—nauwelijks heeft hij aan de weetgierigheid van den Burgemeester voldaan of Plemp klampt hem aan boord, om over een paar onlangs verschenen emendaties op Virgilius te spreken en Pieter Corneliszoon Hooft, zijn slag waarnemende, duwt hem een dichtgevouwen papier in de hand en bijt hem in ’t oor: „ziehier het sonnet, waar ik u over gesproken heb. Wees zoo goed het eens in te zien en te betuttelen14 waar ’t noodig zijn mocht.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings