← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

Note 71 — In en over Amsterdam. (continued 5)

Reading edition

Wilt gij nog meer bekenden van onzen puikdichter zien, zoo wend uwe oogen eens eene verdieping hooger naar het echtpaar, dat in ’t vierde kamertje van het tooneel af gezeten is. De man is de waterschout Nikolaas Van Buyl, de vrouw is Truitje Roemer Visschersdochter. Zij had zich nog gevleid, dat hare zuster Tesselschade uit Alkmaar zou overkomen, maar die keurde het seizoen minder tot reizen geschikt: de lucht stond naar sneeuw, en als het sneeuwt, is de toegang tusschen Alkmaar en Haarlem doorgaans belemmerd. Toch heeft de weduwe Crombalgh zich aanbevolen om bericht, hoe ’t stuk voldaan had; want al onderhoudt Tesseltje voortdurend nauwe betrekking met hooggeplaatste lieden als Huygens en Hooft, zij vergeet toch haar ouden vriend Vondel niet; en ’t zou haar ook kwalijk passen, nu hij haar onlangs zijn „Elektra” heeft opgedragen en haar geloofsgenoot geworden is bovendien. Zie, de grijsaard nevens Juffrouw Van Buyl, is haar neef Cornelis Van Campen, van wien ik u zooeven sprak, en twee plaatsen van hem zit Abraham De Wees met zijne familie, de boekverkooper op den Middeldam,71 die thans bij voorkeur door Vondel met het drukken van diens gedichten begunstigd wordt, wat hem geen windeieren leit. Op dezelfde rij wijs ik u een tal van vrienden en verwanten van Vondel, meest buren uit de Warmoesstraat, maar toch ook van den Nieuwendijk, van ’t Rok-in en elders. Daar hebt gij, om te beginnen, ’s mans zwager Hans De Wolff, die zich de zijde-kramer noemt, ofschoon hij wel handelaar mag heeten, als men de uitgebreidheid in aanmerking neemt der zaken, die hij drijft: bij hem zit zijn zoon, die Hans heet als hij, maar zich liever Joan laat noemen, en diens aanstaande, Cornelia Block, en daarachter, ja waarlijk, daar houdt onze dichter zelf zich schuil. ’t Is opmerkelijk, hoe de man, die met de pen in de hand zoo stout is en voor niemand terugdeinst, zich in gezelschap zoo schroomvallig toont en zich liefst op den achtergrond plaatst. Intusschen, dat ziet men meer. Zie, daar verder op, nevens hen, die ik noemde, hebt gij nog drie zijdehandelaars: David Rutgers en Daniël De Neufville, en den ouden Abraham van Halmael, met zijne dochter Sara en haren man, Warner Van Lennep, van Emmerik, wien de booze wereld nageeft, alleen om hare hand te bekomen Mennist geworden te zijn en het bedrijf van goudsmid opgevat te hebben, tot groote ergernis van zijne familie. Zijne vrouw is machtig op ’t comediespel gesteld: de tooneelspeler Adam Carelsz. heeft dan ook nog onlangs haar lof hemelhoog verheven in de opdracht eener bij hem gedrukte vertaling van Horace, een treurspel van zekeren Corneille, die in Frankrijk naam begint te maken als tooneeldichter, welke vertaling het werk is van zekeren Jan De Witt van Dordrecht. De verzen zijn juist niet te best; maar men zegt, dat de jonkman in andere dingen niet onknap is en zijn weg wel maken zal. Om tot Juffer Sara terug te keeren, gij ziet, dat zij hare kinderen vroegtijdig smaak in de kunst wil geven, want zij heeft hare beide zoontjes, Jacob en Jan, en haar dochter Betje meegebracht. ’t Zal te bezien staan, of zich de liefhebberij in haar nakroost zal voortplanten. Die brunette daarnevens is Maria Ansloo, dochter van Jan Claesz. Ansloo, kruidenier op ’t Water, en de jonkman achter haar is haar vrijer, Anselmus Hartsen van den Nieuwendijk. Maar pas op, daar komen de Regenten van de godshuizen, die ’t tevens van den Schouwburg zijn, hunne plaatsen innemen. Daar hebt gij, van ’t Weeshuis, Nicolaas Van Campen, den bouwmeester, Cornelis Jan Witsen, Willem Van Loon en Guillaume Lindemone;—van ’t Oude-Mannenhuis Tijmen Jacobsz. Hinlopen, die, evenals zijne geheele talrijke familie, veel met Vondel opheeft, en hem dikwijls te Eikhof op zijn buitengoed bij Bussum noodigt; voorts Gijsbert Michielsz. Hoppesack, Dirk Aertse Koek en Jan Michielsz. Blaeuw. Gerbrand Claesz. Pancras behoorde ook vroeger tot de weesvaders, maar hij zit nu in hooger waardigheid—daar komt hij het kamertje binnen, voor Burgemeesteren bestemd, en met hem zijne ambtgenooten Abraham Boom en ridder Willem Backer, vanouds begunstigers der Remonstranten en daarom bij Vondel in goeden reuk. Wat Jan Cornelis Geelvinck betreft, ik geloof niet, dat wij hem zullen zien; die valt niet erg comedieachtig. De vierde man in hun kamertje is de Schout, Dr. Jan Ten Grootenhuis: nog altijd dezelfde, die Vondel er door geholpen heeft, toen deze wegens zijn Palamedes vervolgd werd en men hem naar den Haag opeischte, om hem te hangen. En daarachter hen ziet gij het vroolijke gelaat van den Stads-secretaris Daniël Mostert, Vondels grooten vriend, en die beter dan eenig tooneelist de kunst verstaat, om ’s dichters verzen voor te dragen, dat zij roeren en treffen. Het Kamertje daarnevens is voor de Schepenen bestemd. Daar ziet gij Dirk Tholinx, die met de zuster van Hooft is getrouwd, en Henrick Dircksz. Spieghel, die eerlang tot hooger waardigheid klimmen zal, en Reinier Joan Huydecoper, die meer dan iemand er prijs op stelt, als een kunstminnaar erkend en gevierd te worden. Maar ook de Vroedschap is heden avond niet slecht vertegenwoordigd: daarover ons zit de grijze Jacob De Graeff, die, in 1619 uit den Raad gezet, in 1630 daar weder inkwam op den eed, door hem in 1603 gedaan; wat verder de oud-burgemeester Gerard Schaep, die op de Bloemmarkt woont, met zijne nog altijd bekoorlijke vrouw, Maria Spieghel, die als kind op Vondels schoot gezeten heeft, toen hij nog bij haren oudoom, den beroemden zededichter, verkeerde. Het verloop der jaren en het veranderen der omstandigheden hebben een grooten afstand doen geboren worden tusschen de vrouw van den aanzienlijken Regent en den eenvoudigen winkelier, maar toch betoonen man en vrouw zich jegens hem minzaam als altijd en schuilt er achter den eerbiedigen toon der verzen, die Vondel hun toewijdt, toch eene vroolijke scherts, die van gemeenzaamheid getuigt. Eindelijk wijs ik u nog Jan Claesz. van Vlooswijck, denzelfden, om wiens benoeming tot Kapitein bij de schutterij elf jaren geleden zooveel te doen was en heel wat volks ontschutterd werd.72 Maar ’t zal nu wel haast vier uren zijn, zoodat wij ook een gemakkelijk plaatsje innemen: het spel zal wel zoo aanstonds beginnen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings