Note 68 — In en over Amsterdam. (continued 5)
Reading edition
zij schijnt begrepen te hebben, dat er een tijd voor alles is; althans op 18 November j.l. heeft zij zich onder ’t juk begeven, en wel met dien deftigen Heer, die achter haar zit, den directeur Hillebrand Bentes. Vondel heeft, als te verwachten was, een bruiloftslied op hen gemaakt, en nu komen zij hem hun dank bewijzen, door bij de eerste vertooning van zijne „Gebroeders” tegenwoordig te zijn. Er behooren nog twee heeren tot haar gezelschap: de oudste is de geneesheer De Haes uit de Beverwijk, de ander is haar broeder Joost, de zwager en boezemvriend van den Drost. Of de Drost zelf zal komen, daar zou ik schier aan twijfelen. Er is, sedert dat Vondel, nu eene maand of wat geleden, tot de Roomsche Kerk is overgegaan, wat verkoeling ontstaan in de vriendschap, die Hooft hem vroeger bewees; niet dat deze juist zoo streng Gereformeerd is: ik geloof, om de waarheid te zeggen, dat hij tot geheel geene Kerk behoort; maar hij is afgepast en voorzichtig in handel en wandel, en een vijand van al wat naar manifestatie en ostentatie zweemt. Bij hem wordt het hart altijd door het hoofd beheerscht, bij Vondel regeert het hart het hoofd: en zoo zullen die twee het op den duur nimmer samen kunnen vinden. Maar wie in zijne genegenheid voor Vondel onwankelbaar blijft is de grijsaard, die daar een paar kamertjes verder komt zitten, de geleerde professor Vossius. Onze dichter heeft hem zijn treurspel opgedragen, en na de lezing bracht Vossius er zijn oordeel over uit met twee woorden: scribis aeternitati.68 Dat lief en tenger meisje, dat met hem gekomen is, is zijne zeventienjarige dochter Johanna, aan welke hij, sedert het noodlottig omkomen van hare begaafde zuster Cornelia,69 in dubbele mate gehecht is. Arme vader! geen drie maanden zullen er verloopen zijn, of eene kwaadaardige koorts zal u ook deze telg van ’t hart scheuren en van geheel uw eenmaal zoo bloeiend gezin niet eene enkele overblijven, om u de oogen te sluiten.70