Note 6 — In en over Amsterdam. (continued 2)
Reading edition
Bardes antwoordt niet, maar nogmaals met de hand wenkende, geeft hij bevel, dat men de gevangenen wegvoere, en de trein stelt zich in beweging. Zoowel Regenten als Geestelijken worden, man voor man, ieder door twee gewapende burgers aan weerszijden vastgehouden, tusschen de rijen soldaten doorgeleid, en moeite genoeg kost het dezen laatsten, hen tegen de woede van een verbitterd grauw te beveiligen:—„Naar de galg met hen! naar de galg, waar zij zoo menig vromen burger aan geholpen hebben! In ’t water met de papen! Naar de galg met Teeuwis en Meeuwis6, met Joost Buick! en Henrik Dirkszoon!—Neen! de galg is nog tegoed voor hen.”—Deze en dergelijke zijn de onheilspellende kreten, die zij in ’t voortgaan hooren uitboezemen. Maar zij zijn aan ’t Damrak gekomen; hier liggen een aantal schuiten gereed, waar men hen doet ingaan, wederom daarbij dezelfde orde en regelmaat in acht nemende, die deze zonderlinge omwenteling van het begin tot aan het einde kenmerkt. De Wethouderschap, de Leden der Vroedschap, de Pastoors, de Monniken, allen worden soort bij soort in afzonderlijke vaartuigen ingescheept, en men is op ’t punt van wal te stelen, wanneer het trouwe Stijntje, door den hoop komt dringen en haren meester een pak, in een luier gewonden, ter hand stelt. Het bevat een paar hemden en ander lijnwaad, die de zorgende huisvrouw, zoodra zij van hare dienstmaagd gehoord had, dat haar man „uit de stad” ging, hem nazond.