Note 3 — In en over Amsterdam. (continued 2)
Reading edition
Willem Eggert voldeed aan de verwachtingen, door den Graaf van hem opgevat: hij herstelde den toestand der Geldmiddelen en oogstte er den dank voor in zijns meesters, die hem met gunstbewijzen overlaadde, hem met het slot en stedeken van Purmerende, het aangelegen Purmerland en de dorpen Nek en Ilpendam beschonk, en zijn zoons tot ridders sloeg. Maar tevens verwierf hij zich den haat van ’s lands edelen, naijverig op den eenvoudigen poorter, die, als zij, aan ’s vorsten disch gezeten was, die, als zij, een kasteel dorst bezitten, en zich „Heer te Purmerende” teekenen, die, als zij, een wapen dorst voeren—sabel met drie zilveren weerhaken3 en, als zij, zijne dochter4 aan een edelman ter vrouwe geven. Maar wat kwellingen, wat beleedigingen hij van hen te verduren had, hij troostte zich met de bewustheid, dat hij jegens zijn God, jegens zijn gebieder, jegens het Graafschap en jegens het hem dierbare Amsterdam zijn plicht had vervuld. En wel had de stad aanleiding hem erkentelijk te zijn: immers de oude kronieken getuigen van hem, hoe hij haar overschoone privilegiën bezorgde en men van hem destijds zeide: „dat noyt eenich burger haer profijtelijcker ofte aengenaemer is geweest dan hij.”