Note 12 — In en over Amsterdam. (continued 2)
Reading edition
Reeds in gewone dagen levert de kamer bijzonderheden genoeg op, om ons eenige uren met het beschouwen daarvan bezig te houden. Ik spreek niet alleen van de roode gordijnen van kostbaar kroonsaai, die voor de langwerpige boogvensters hangen, met kleine in lood gevatte, rijk beschilderde ruiten: van de fraai gebeeldhouwde kolommen, die de hooge schouw steunen, boven welke een keurig fruitstuk van Adriaan Van Utrecht prijkt: noch van de sakredaanhouten glazenkast met keurig porselein; meer nog dan een en ander verdient dit trezoor uwe opmerking, waarop fijne roemers prijken, door de kunstvaardige handen der dochters van den huize op ’t bevalligst gesneden en met opschriften versierd: en die beeldjes en vruchten, door haar uit was geboetseerd: en, aan den wand, dat borduurwerk in ebbenhouten lijsten, en die teekeningen of schoonschriften, waarmede zij vroeger haren vader op menigen geboortedag hadden verjaard. Ook het afbeeldsel van den vader prijkt er; dat rustig en krachtvol wezen, waar goedhartigheid en schalksch vernuft op zijn vermengd: en naast het zijne hangen de afbeeldsels van zijne vrienden, en herkent men het diep gegroefde gelaat van den geleerden vriend en medestrijder van Willem I, Dirk Volkertsz Coornhert, en de fijne aristocratische trekken van den classiek-gevormden koopman, Hendrik Laurenszoon Spieghel.—Maar voor dat alles en nog meer, dat de pronkzaal bevat, wij hebben er thans geen oog voor; want deze dag is, als wij reeds zeiden, een buitengewone: de zwart en wit geruite marmeren vloer is bestrooid met loovertjes en winterbloempjes, acht festoenen van groen en gebloemte zijn met het eene einde vastgemaakt aan krammen, in de bovenhoeken van het vertrek, en aan het midden van elke bovenlijst geslagen, terwijl de andere einden zich vereenigen aan een knop, op korten afstand van den wand in de zoldering bevestigd: en van dien knop hangt, vlak tegenover den schoorsteen en voor den grooten Venetiaanschen spiegel met kristallijnen rand, een zware kroon van goud en gebloemte, met zijden linten doorstrikt, boven eene kleine verhevenheid, waarop, in een prachtig getooiden armstoel, de Bruid „te pronk” zal zitten—gelijk de gewone uitdrukking luidt.—Nemen wij de gelegenheid waar, om, zoolang die „bruidstroon” nog ledig blijft, het oog te slaan op de aanwezige gasten, die de komst der nieuwgetrouwden verbeiden, en aan welke inmiddels, door net getooide Juffers, speelnooten der Bruid, hippocras en hylikmaker12 wordt aangeboden.