XXXVIII EERBIED
Reading edition

Het is zijn eenige lieveling, de jolige spring-in-het-veld.
Vader en Beppie zijn zeer „ami”.
Ventje, jij en jou zijn niet van de lucht. Ik waarschuw vader daar steeds tegen.
Op een namiddag zit ik voor het open venster te kijken naar het tennissen van Beppie. Ze doet het buitengewoon goed. Althans voor een negenjarig meisje. Ze steekt juf de loef af. Ik moet de punten aanteekenen. Onderwijl komt vader van kantoor huiswaarts, het avondblad steekt in zijn jaszak, en hij loopt, bij het zien van zijn schat, op Beppie toe.
Volgt een stoeien en pretmaken, dat beiden opwindt. „Nu is het genoeg, het is genoeg,” waarschuwt vader eindelijk en op het oogenblik, dat hij naar binnen wil gaan, haalt Bep grappend de courant uit zijn zak en holt er mede weg. Vader begeesterd, haar achterna. Er volgt een nieuwe stoeipartij. Ten slotte doodop, beveelt vader „terug”. Het kind in haar brooddronkenheid gaat weer aan den haal. Geen vermaning, geen bedreiging helpt hier. Hij is immers haar speelkameraadje.
Bep vaardig en vlug wint het krijgertjesspel maar steeds van den bedaagden vader.
Plotseling zie ik hem vuurrood van toorn worden en op hetzelfde oogenblik, waarin Bep uitdagend met de courant voor hem staat, grijpt hij het kind beet en geeft haar den eersten gevoeligen tik.
Ontsteld breekt Beppie in hartstochtelijk snikken uit.
Het kind is daarna eenige dagen zeer gedeprimeerd gebleven, niettegenstaande vader al het mogelijke deed om zijn misgreep goed te maken.
Ik acht het noodzakelijk, dat tusschen het kind en ouders en opvoeders(sters) een zeker respect bestaat, waarvan de grens niet mag worden overschreden. Die grens sluit nimmer de hoogste liefde en vertrouwelijkheid uit. Integendeel.
