XXXVII ZELFVERBETERING *
Reading edition
XXXVII ZELFVERBETERING *

Midden in den strengen winter voor een poos naar een gehucht te verhuizen,—ik zag er eigenlijk niet veel in. Ik was kouwelijk, en er was niet veel comfort. Tante moest een poosje wat rustiger leven hebben. Ze was afgemat. Ze kon haar zeven verwende deugnieten niet meer aan. Ik gaf dus toch maar aan haar smeekbede gehoor om een week of zes haar moederlijke zorgen over te nemen.
—De tijd, dien ik in het gezin heb doorgebracht heugt mij als een der heerlijkste vacanties, die ik beleefd heb.
Het was een leven vol belangstelling, vol huiselijkheid, vol blijheid, vrede en geluk, in 't kort, vol waarde.—
Ik mocht de kinderen nu niet verwennen.
Eerlijk moet ik bekennen, het was een heele toer. De kinderen waren zoo goedhartig, zoo pienter, zoo guitig, zoo vroolijk. Van het oudste van veertien tot het jongste van anderhalf, waren ze alle even bekoorlijk.
Helaas, daardoor juist niet goed opgevoed, door de moeder, die een zwakkelinge was.
De vijfjarige Frits, een rekeltje, was nimmer tevreden met hetgeen hij kreeg.
In het gezin kwam er wekelijks een taart of pudding op tafel, die voor Vrijdag- en Zaterdagmiddag moest dienen, als nagerecht.
Den eersten Vrijdagavond hoorde ik reeds van Frits: „wat klein” nog eer hij zijn portie voor zich had.
„Die ontevreden opmerking maakt hij nu al elken Vrijdagavond van dat hij spreken kan,” vertelde de moeder. „Zou het daar nog maar bij blijven? Meestal drenst hij zoo lang, totdat ik er nog wat bij doe.”
„Maar waarom,” wendde Frits zich tot mij, „waarom moeten we dan altijd twee dagen haast niets hebben? Groote menschen krijgen veel meer, zooveel ze lusten. Laat Moeder ons dan liever één keer een heel groot stuk geven en dan Zaterdag niets.”
„O, dat wil Moeder best,” zoo nam ik al vast den teugel in handen. „Dan zul je de volgende week één dag wat rijst na hebben en den anderen dag een dubbel stuk taart.”
We gaven er elkaar de hand op.
Toen ik den volgenden Vrijdagavond de taart ging deelen, werd er een vol bordje met rijst binnengebracht voor Frits.
Ik heb zelden een onoprechte verklaring zoo vastberaden hooren uitspreken als het „juist tante” van den kleinen deugniet.
—De stakkerd had, toen ik het voorstel deed, geen nota genomen van mijn rangschikking omtrent de taart en de rijst.—
Zijn gezichtje sprak zijn instemming zoo hopeloos tegen. Hij was vuurrood geworden, woede straalde uit zijn oogjes over de schaamte van er zoo te zijn ingeloopen. Tegen heug en meug werkte hij kordaat de rijst naar binnen en zei nog „lekker hè, nu heb ik morgen nog een groot stuk taart”, tot de kinderen, die hem spotlachend aankeken.
Wat had ik hem gaarne een extra stukje gegeven maar...... ik wilde, ik moest flink zijn.
Van minuut tot minuut werd hij liever tegen me. Hij heeft het niet tot Vrijdag uitgehouden. Reeds Dinsdagmiddag wenkte hij mij naar een andere kamer en onder vier oogen verzocht hij deemoedig: „Tamp, wilt u mij a. u. b. Vrijdag- èn Zaterdagmiddag een stukje taart geven als aan de andere kinderen?... Het staat anders zoo gek. Ik zal ook verder altijd tevreden zijn.”
We pakten elkaâr eens lekker.
Zoo er daarna in den beginne nog eenige sprake van verwende lastigheid is geweest bij een van de andere kinderen, Frits gedroeg zich bij mij, als een flinke, heerlijke jongen.
Er is soms zoo heel weinig toe noodig om ernstige fouten van onze kinderen te verbeteren. De liefde en daaraan gepaarden eerbied, behoudt de opvoeder(ster) het stelligst, wanneer ze door indirecte vermaningen of het indirect toebrengen van leed oorzaak is, dat de kinderen hunne fouten van zelf verbeteren.
Naschrift. Dit aardige verhaaltje kan ook dienen als illustratie van de leer, die ik practisch zoowel als theoretisch van mijn Moeder gekend heb, dat men een kind soms het beste straft door...... hem zijn zin te geven.
