XLIII WEELDE
Reading edition

Vacantie, moeder! Vacantie! riepen de kinderen opgewonden, terwijl ze naar binnen stormden. Toch was er niet die vreugde in hun blik, die zaligheid van andere jaren. Ze wisten, dat ze, in tegenstelling met gewoonlijk, 's middags niet naar Zandvoort zouden vertrekken. Grootmoeder, die bij ons inwoonde, kon wegens zwakte het bed niet meer verlaten en mocht ook niet vervoerd worden. We wilden nu bij haar blijven. De kinderen hadden waarlijk vol liefde elke opoffering voor haar over, maar dit offer viel hun toch heel zwaar. „Jammer!” zuchtte Hans—onze tienjarige oudste—„niet naar Zandvoort.” „Ja, heel, heel erg jammer! Grootmoeder had er zich kort geleden nog zoo op verheugd en nu zal ze maar altijd ziek te bed moeten liggen,” hernam ik droevig. Hans kleurde sterk, dat merkten zelfs zijn kleine zusjes. Allen probeerden nu opgewekt te doen en onverschillig voor het gemis te lijken en dat werden ze daardoor ook in werkelijkheid al heel gauw. Ze juichten het plan toe, dat ik voorstelde. Ik rekende op hun kinderlijke fantasie, waarin ik zou trachten innig meê te leven en zoo bestemde ik het opgehoogde gedeelte—terrein Zuid—tot ons „Zandvoort”. „Ja, moeder!” gaven de kinderen dadelijk vroolijk toe. „Daar kan het ook zoo lekker waaien!” Na eenige oogenblikken waren ze als altijd reeds enthousiast bezig met het pakken van de zaken, die elken morgen om negen uur door de drie oudste jongens naar het strand zouden gekruid worden. De twee jongsten, meisjes van vier en vijf jaar, aangeboren Montessoriaantjes, beloofden de huishoudelijke zorgen binnen de mooie Perrytent voor hare rekening te nemen. We stelden ons voor elken middag tot zes uur daar te blijven. Juf en ik zouden om beurten Grootmoeder verzorgen. „En gaan we daar dan echt lunchen, net als in het „Pension” in Zandvoort, van het porceleinen ontbijt-serviesje van Greetje en melk uit glazen? Met vleesch en koek en jam?” Die vragen, van onzen achtjarigen Bob—waarin een zekere zucht tot weelde niet te ontkennen viel, deden me minder prettig aan. Den volgenden morgen zochten we op het strand de meest afgelegen plek uit en in minder dan geen tijd prijkte onze tent met vlaggen en wimpels in volle glorie. We waren nog niet lang daar, toen een troepje havelooze jongens van vijf tot elf jaar—zestien in getal—zich dicht bij ons nederplantten. Ook de Jordanertjes stelden hun tent op. Wel niet op zoo grootsche wijze, maar zeer zeker op grootere wijze dan onze kinderen waardoor de arme jongens al dadelijk hunne militaire overmacht—hun hoogste verlangen voor den geheelen dag—danig voelden. Vijf ruwe houten latten, voor een gedeelte met oude lakens en voor de rest met een bijna versleten vloerkleed bespannen, vormden hun heiligdom. Toch maakte hun kamp, bewaaid door de daarop aangebrachte oranjewimpels en vlaggen—relequiën van de onafhankelijkheidsviering—een zeer aardig effect. De oorlogsmaterialen waren hun door ouders en buren zoo gaarne afgestaan, bij de gedachte, dat ook zij—ondanks bittere armoede—in staat waren, de kinderen in de frissche buitenlucht, hun kampleven te laten spelen. De moeders wisten bij ervaring, dat de stumperds, gesterkt door de weelde, die ze nu zoo volop genoten, de ontbering, die hun thuis wachtte, minder zwaar viel te dragen. Zij zijn straks geen „Lunch zooals in het pension” te wachten in hun tent, maar de oorlogsboterhammen uit de zelf vervaardigde ransels en het water uit het blikken werkmanskruikje als veldflesch doen het voor hen niet minder. Vandaag is elke ontbering eene vreugde, die hun de fantasie van het kampleven als werkelijkheid doet beleven. Zij willen geen koekjes, geen jam hebben. Het is oorlog! Het zijn echte Hildebrandtsche Hollandsche jongens... ze zijn zalig. De oude kolenschop is niet in staat hun werklust te verflauwen bij het uitgraven van het hol, waaruit ze straks den vijand zullen beschieten, evenmin als de afgetrapte schoenen een beletsel zijn om in stormloop op den vijand aan te rennen. De houten stokken tot degens gefatsoeneerd, doen hen den stoot bij den aanval niet minder ernstig overwegen. Ze blazen in den ingedeukten fietshoorn met het meeste entrain de verschillende signalen en de papieren uniformen doen hun de verplichting tot het stipt nakomen der bevelen van den aanvoerder niet minder sterk gevoelen. De guitige Jan Hemert heeft thuis zulk een schitterend plan de campagne opgesteld. Aan een spannend auditorium wordt door hem alles tot de minste bijzonderheid verklaard en ieder zijn taak aangewezen. Er heerscht een gewilde volgzaamheid, die door een verplichte aan een werkelijken opperbevelhebber niet kan worden overtroffen. De opmarsch geschiedt dan ook in eene orde, het best gedisciplineerde bataljon waardig. Eenigen van den troep brengen onvermoeid in de houten kistjes op wieltjes—als ammunitiewagens—de gevonden steenen, lompen enz. aan, om ze straks tot barricaden op te werpen. Onweerstaanbaar boeit onzen kinderen hun spel. Ze volgen vol smeekend verlangen om mede te doen, de Jordanertjes in al hun bewegingen. Met heilig ontzag blikken ze op tot den kranigen aanvoerder. Moeder's roepen is vergeefsch, ze zijn er voor niet één oogenblik vandaan te krijgen. En... geheel verlaten staat op twintig passen afstand onze mooie Perrytent met „de lunch van het Pension”, het porceleinen ontbijt-servies van Greetje, de doozen met prachtig afgewerkte soldaten van vele nationaliteiten en al het andere schitterende oorlogsspeelgoed, hun bij verschillende gelegenheden geschonken door familieleden en kennissen. De kinderen zouden hun geheele bezit hebben willen geven om in de vreugde van de Jordanertjes te mogen deelen. Moeder had weêr een les gekregen. Ze benutte het juiste oogenblik, de les zou de kinderen nu in het hart grijpen—om hen er van te doordringen, dat men met het meest eenvoudige verheugd kan zijn en dat weelde geen vereischte is voor geluk. Dat het leven was, zooals je het van uit je binnenste zelf inrichtte. De pas beleefde ervaring spoorde moeder aan, de kinderen op nog eenvoudiger wijze te laten leven, dan ze het tot nu toe gewoon was geweest.
